ECLI:NL:RBROT:2025:2205

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
11475393 VV EXPL 25-3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 RvArt. 233 RvArt. 237 RvArt. 254 lid 1 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte en betaling huurachterstand toegewezen in kort geding

In deze kort gedingprocedure vordert BOEi, verhuurder van een bedrijfsruimte, dat de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van een huurachterstand van vijf maanden ter hoogte van €35.540,18. De huurder verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend.

De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van BOEi voldoende aannemelijk is en dat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn. Gezien de omvang van de huurachterstand is het aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, waardoor ontruiming gerechtvaardigd is. De gevorderde ontruimingstermijn van drie dagen wordt als onredelijk kort beoordeeld en daarom vastgesteld op veertien dagen.

Daarnaast wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en de proceskosten, die in totaal €2.261,25 bedragen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat BOEi direct kan overgaan tot uitvoering, ook als hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van €35.540,18 huurachterstand met proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11475393 VV EXPL 25-3
datum uitspraak: 20 februari 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Nationale Maatschappij tot Restaureren & Herbestemmen van CultureelErfgoed B.V., die handelt onder de naam ‘
BOEi’,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘BOEi’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 17 januari 2025, met bijlagen;
  • de brief van BOEi van 23 januari 2025, met een bijlage.
1.2.
Op 14 februari 2025 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een zitting met [naam 1] (werkzaam bij BOEi) en [naam 2] (namens de gemachtigde) besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] huurt een bedrijfsruimte van BOEi. Volgens BOEi heeft hij een betaalachterstand laten ontstaan, waaronder de huur van vijf maanden. BOEi eist dat de kantonrechter [gedaagde] daarom veroordeelt om de bedrijfsruimte te ontruimen en € 35.540,18 aan haar te betalen.
BOEi heeft een spoedeisend belang bij haar eis
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van BOEi volgt dat deze spoed aanwezig is.
[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen
2.3.
BOEi moet de bedrijfsruimte ontruimen. Deze eis lijkt namelijk niet onrechtmatig of ongegrond (artikel 139 Rv Pro). Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, gelet op de hoogte van de achterstand. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding, door [gedaagde] te veroordelen om de bedrijfsruimte te ontruimen.
2.4.
BOEi vraagt de kantonrechter om een ontruimingstermijn van drie dagen te hanteren. Dat vindt de kantonrechter een onredelijk korte termijn voor het ontruimen van een bedrijfsruimte. Zij stelt deze termijn daarom in redelijkheid vast op veertien dagen.
[gedaagde] moet € 35.540,18 betalen
2.5.
[gedaagde] wordt veroordeeld om het geëiste bedrag van € 35.540,18 aan BOEi te betalen, omdat ook deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan BOEi moet betalen op € 122,25 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.261,25. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat BOEi dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte op het adres [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en de ruimte met alle sleutels ter beschikking van BOEi te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan BOEi € 35.540,18 te betalen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van BOEi worden begroot op € 2.261,25;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
33394