ECLI:NL:RBROT:2025:2113
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen beslissing OM tot niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde is bij vonnis van 26 oktober 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Hij kon vanaf 27 december 2024 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, maar het Openbaar Ministerie besloot op 4 november 2024 dit niet toe te kennen vanwege het ontbreken van een geldig Spaans paspoort en de onzekerheid omtrent zijn verblijfsstatus.
De veroordeelde voerde aan dat de weigering om een paspoort te verstrekken tijdelijk van aard is en dat een sepot van een lopende Spaanse strafzaak mogelijk is, waardoor hij alsnog een paspoort kan verkrijgen. Hij stelde dat hij na detentie kan verblijven bij familie en begeleid zal worden bij re-integratie.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ex tunc moet worden beoordeeld, dus op het moment van de beslissing van het OM. De adviezen van reclassering en de directeur van de penitentiaire inrichting wezen op een hoog recidiverisico en het ontbreken van een legitimatiebewijs als belangrijke belemmeringen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het OM heeft in redelijkheid geoordeeld dat zonder geldig paspoort re-integratie praktisch onmogelijk is.
De mogelijkheid dat de veroordeelde later een paspoort verkrijgt kan niet worden meegewogen bij de beslissing. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en wijst erop dat de veroordeelde na zes maanden opnieuw een verzoek kan indienen. De beslissing is op 10 januari 2025 in raadkamer uitgesproken.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen is ongegrond verklaard.