De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden vanwege ernstige zorgen over haar ontwikkeling en gedrag. Er is sprake van een ernstig verstoorde relatie tussen de minderjarige en haar ouders, waarbij een politieonderzoek loopt naar mishandeling en seksueel misbruik door de vader.
De minderjarige vertoont zelfbepalend gedrag en schoolverzuim. De betrokkenheid van de buurvrouw, waar de minderjarige een sterke band mee heeft, wordt als contra-indicatie gezien voor verblijf bij haar. De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek en benadrukt de noodzaak van procesdiagnostiek en systeemgerichte therapie, hoewel wachtlijsten de inzet hiervan vertragen.
De moeder stemt in met het verzoek en erkent de noodzaak van verdere hulpverlening. De vader houdt zich afzijdig zolang het politieonderzoek loopt maar is bereid tot medewerking. De bijzondere curator benadrukt het belang van duidelijke afspraken om de machtiging effectief te laten zijn.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld, stelt de minderjarige onder toezicht tot 24 januari 2026 en verleent machtiging tot uithuisplaatsing tot 24 juli 2025. Tevens wordt de bijzondere curator herbenoemd voor de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in hoger beroep aanvechtbaar.