Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op grond van een eerder vonnis te schorsen. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie, aangezien de ontruiming was aangekondigd en gepland stond.
De rechtbank overwoog dat het moratorium bedoeld is om schuldenaren een adempauze te geven om een schuldregeling te treffen. Verzoeker had een netto inkomen van €1.697 per maand en betaalde de huur van januari 2025 tijdig. Tevens stond verzoeker onder beschermingsbewind, waardoor de huurbetalingen naar verwachting ook in de toekomst tijdig zullen plaatsvinden.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder woog dan het belang van verweerster om het vonnis tot ontruiming uit te voeren. De rechtbank legde een voorwaarde op dat de lopende termijnen tijdig moeten worden voldaan.
Daarnaast verklaarde de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 4 december 2024 en de huurovereenkomst wordt voor die periode verlengd.