Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:168

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 januari 2025
Publicatiedatum
3 januari 2025
Zaaknummer
C/10/689818 / KG ZA 24-1117
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 2 onder 7 Brussel II-terArt. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek vervangende toestemming paspoort minderjarigen wegens onvoldoende spoedeisend belang

De vrouw verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor de verlenging van de paspoorten van haar minderjarige kinderen. De man, gedaagde in de procedure, verscheen niet, waarop verstek werd verleend. De vrouw stelde dat de paspoorten nodig waren voor een geplande reis naar het buitenland en dat de kinderen zich moesten kunnen identificeren.

De rechtbank constateerde dat er een bodemprocedure loopt over het ouderlijk gezag, waarvan de mondelinge behandeling gepland staat binnen enkele weken. Er waren geen concrete reisplannen en het ontbreken van geldige identiteitsbewijzen was onvoldoende om spoedeisendheid aan te nemen. Bovendien bestaat er geen wettelijke verplichting voor minderjarigen om een geldig identiteitsbewijs te hebben.

Daarom werd het verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter J. van den Bos op 2 januari 2025.

Uitkomst: Verzoek tot vervangende toestemming paspoortaanvragen niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer / rolnummer: C/10/689818 / KG ZA 24-1117
Vonnis in kort geding van 2 januari 2025
in de zaak van
[naam 1],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres in conventie, hierna: de vrouw,
advocaat mr. S. Koçak te Rotterdam,
tegen
[naam 2],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie, hierna: de man,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 27 november 2024
.
1.2.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de man verzocht om de mondelinge behandeling digitaal bij te mogen wonen in verband met een verblijf in het buitenland. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam 3].
1.4.
De door de man voorafgaand aan de zitting ingezonden stukken behoren niet tot de processtukken, omdat proceshandelingen – zoals het indienen van stukken – in een kort geding alleen op de mondelinge behandeling kunnen worden verricht. Zij worden dan ook buiten beschouwing gelaten.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] te [plaatsnaam].
2.2.
Het huwelijk van partijen is ontbonden op 29 augustus 2019 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Bantul te Indonesië van 18 augustus 2020.
2.3.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats ];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats ].
2.4.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig omtrent het ouderlijk gezag over de minderjarigen, bekend onder zaaknummer C/10/659190. De mondelinge behandeling vindt plaats op 29 januari 2025.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert vervangende toestemming te verlenen voor verlenging van de paspoorten van de minderjarigen. Daarnaast vordert de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Verstek
4.1.1.
De dagvaarding is juist betekend. De rechtbank zal verstek verlenen tegen de niet-verschenen gedaagde.
4.2.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.1.
De vorderingen moeten worden aangemerkt als een inmenging in de uitoefening van het ouderlijk gezag en vallen dan ook onder de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 2, lid 2 onder 7 van de Brussel II-ter Verordening (Brussel II-ter), zodat de vordering binnen de materiële reikwijdte van die verordening valt.
4.2.2.
Omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter in deze zaak rechtsmacht toe.
4.2.3.
Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 is het Nederlandse recht van toepassing op het verzoek.
4.3.
Vordering van de vrouw
4.3.1.
Een voorwaarde voor het kunnen instellen van een vordering in kort geding is de spoedeisendheid daarvan. De rechter moet dit ambtshalve beoordelen, ook in verstekzaken. De vrouw stelt dat de minderjarigen zich moeten kunnen identificeren en dat zij de paspoorten nodig heeft voor een geplande reis naar het buitenland.
4.3.2.
De voorzieningenrechter constateert dat de vrouw een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt waarin zij verzoekt het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen te beëindigen en haar voortaan alleen te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De mondelinge behandeling vindt plaats op 29 januari 2025. Niet gebleken is waarom de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Er zijn geen concrete reisplannen en het enkele feit dat de minderjarigen al langere tijd geen geldig identiteitsbewijs hebben is onvoldoende voor spoedeisend belang. Niet is gebleken dat zij daarvan zoveel nadeel ondervinden dat nu ingrijpen noodzakelijk is. Overigens zijn zij nog niet wettelijk verplicht over een geldig identiteitsbewijs te beschikken.
4.3.3.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw de spoedeisendheid van haar vordering in onderhavige procedure niet heeft onderbouwd. Zij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.4.
Proceskosten
4.4.1.
Uitgangspunt in familiezaken is dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken, gelet op het feit dat de vrouw de in het ongelijk gestelde partij is.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen de man;
5.2.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk;
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2025.