ECLI:NL:RBROT:2025:15710

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/10/711448 / JE RK 25-2545
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De moeder erkent het probleem van fysiek geweld en staat open voor hulpverlening, maar door haar werk komt deze niet goed van de grond. De minderjarige woont momenteel bij de moeder en beiden wensen dit zo te houden.

Tijdens de zitting bleek dat de minderjarige niet bij haar oudere zus woont, maar nog steeds bij de moeder verblijft. De Raad handhaaft het verzoek tot ondertoezichtstelling, maar vraagt om aanhouding of afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling ondersteunt hulpverlening in de thuissituatie en acht deze voldoende veilig.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld vanwege bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het eerdere geweld. De ondertoezichtstelling wordt daarom voor een jaar uitgesproken en direct uitvoerbaar verklaard. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat de noodzaak daarvoor niet is aangetoond en de thuissituatie met hulpverlening voldoende veilig is.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711448 / JE RK 25-2545
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 9 december 2025;
  • het rapport van de Raad, ontvangen op15 december 2025;
  • de geboorteakte van [voornaam minderjarige] , ontvangen op 15 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 8 oktober 2025 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 januari 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 5 november 2025. Het overig verzochte is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met aansluitend een plaatsing in het netwerk, verleend tot 8 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting voor zover dit ziet op de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de Raad ter zitting om aanhouding, dan wel afwijzing. Het verzoek om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen is ingediend omdat zij werd geslagen in de thuissituatie bij de moeder. Dit mag niet gebeuren en de moeder is het hiermee eens. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening komt dit niet van de grond, omdat zij vijf dagen per week werkt. Het is voor de Raad belangrijk dat de moeder heeft geleerd van de afgelopen periode en dat de thuissituatie bij de moeder is veranderd. Er moet meer zicht zijn op [voornaam minderjarige] en zij moet de kans krijgen om met haar vriendinnen af te spreken. Nu ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] weer bij de moeder verblijft en [voornaam minderjarige] en de moeder beide willen dat dit zo blijft, ziet de Raad geen effect in het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Wel dient er hulpverlening te worden ingezet in de thuissituatie bij de moeder.
4.2.
De GI maakt ter zitting kenbaar achter het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing te staan als er snel wordt teruggewerkt naar huis. Ter zitting is echter gebleken dat [voornaam minderjarige] al terug is naar huis. De GI acht de thuissituatie bij de moeder goed genoeg voor [voornaam minderjarige] indien hulpverlening vanuit ASH of SPAM wordt ingezet. De GI heeft contact gehad met Jeugd op Zuid (hierna: JOZ). Zij kennen het gezin en kunnen hulpverlening inzetten voor [voornaam minderjarige] . Ook kunnen zij helpen bij de fysieke opvang van [voornaam minderjarige] , zodat zij minder alleen is. Het contact met de moeder is tot nu toe goed verlopen en de komende periode wordt gebruikt om de samenwerking met de moeder verder aan te gaan.
4.3.
Door en namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] wordt namens en door de moeder verweer gevoerd. De moeder ziet in dat zij [voornaam minderjarige] niet moet slaan en wil hier graag aan werken. De moeder heeft daarom zelf contact opgenomen met de wijkagent en de school van [voornaam minderjarige] om hulp te vragen. Hulpverlening komt echter niet van de grond omdat de moeder niet beschikbaar is tijdens kantooruren. Ondertussen is [voornaam minderjarige] weer terug in de thuissituatie bij de moeder en gaat het beter. [voornaam minderjarige] heeft andere vriendinnen en sindsdien zijn er geen problemen meer. De moeder gaat graag met de GI in gesprek om te kijken welke hulpverlening wel kan worden ingezet. Ook gaat de moeder kijken of zij iets kan regelen met haar werk.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] groeit op in de thuissituatie bij haar moeder. Langere tijd waren er spanningen tussen [voornaam minderjarige] en de moeder, waarbij fysiek geweld vanuit de moeder richting [voornaam minderjarige] heeft plaatsgevonden. [voornaam minderjarige] is vervolgens in oktober 2025 uit huis geplaatst bij haar oudere zus. Ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] de afgelopen periode niet bij haar zus heeft verbleven, maar nog steeds woonachtig is bij haar moeder. In de weekenden verblijft [voornaam minderjarige] wel bij haar oudere zus, maar dit deed zij voor de uithuisplaatsing al. [voornaam minderjarige] en de moeder zien graag dat de huidige woonsituatie wordt voortgezet. Dit neemt niet weg dat er zorgen zijn over de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. Het is belangrijk dat er rust komt in de thuissituatie en dat de moeder op een passende wijze op [voornaam minderjarige] leert reageren. Hoewel de moeder bereid is om mee te werken en de situatie graag wil verbeteren, is hulpverlening tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende van de grond gekomen. Dit maakt langere betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer, om hierin de regie te voeren, noodzakelijk. Met behulp van een vaste jeugdbeschermer kan de benodigde hulpverlening, bijvoorbeeld vanuit JOZ, worden opgestart om de thuissituatie blijvend te verbeteren.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
Een uithuisplaatsing moet in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarige noodzakelijk zijn (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is van oordeel dat van de noodzaak van een uithuisplaatsing op dit moment onvoldoende is gebleken en overweegt hiertoe als volgt.
5.6.
Een machtiging tot uithuisplaatsing is een ingrijpend en uiterst middel dat enkel wordt ingezet als dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Deze noodzaak blijkt niet uit de overgelegde stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gekomen. De kinderrechter acht de ernst van de zorgen en het gebrek aan zicht op de thuissituatie onvoldoende grondslag voor het uithuisplaatsen van [voornaam minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] de afgelopen periode niet bij haar oudere zus is gaan wonen en nog steeds bij de moeder woont. Het is de uitdrukkelijke wens van zowel [voornaam minderjarige] als de moeder dat dit zo blijft. De moeder wil graag hulpverlening en heeft een goede klik met de jeugdbeschermer. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling op dit moment voldoende kaders biedt om de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder te waarborgen.
5.7.
Al met al is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [voornaam minderjarige] niet noodzakelijk is. De kinderrechter wijst daarom dit verzoek af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, met ingang van 19 december 2025 tot 19 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025 door mr. H. Mol, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. van Geest als griffier, en op schrift gesteld op 12 januari 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.