Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen
1.[verzoekster] , [verzoekster] ,
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
Stichting Autoriteit Financiële Markten, de AFM
Inleiding
.
Rechtbank Rotterdam
Op 12 juni 2025 hebben verzoekster en verzoeker 2 de AFM verzocht om een handhavingsbesluit te nemen jegens een bank. De AFM besloot op 7 augustus 2025 dit verzoek niet inhoudelijk te behandelen, waarna verzoekers bezwaar maakten. Op 5 december 2025 werd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, gericht op het verkrijgen van inzage in stukken en het vormgeven van de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker 3 geen belanghebbende is bij het bestreden besluit en daarom niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Voor verzoekster en verzoeker 2 ontbreekt het aan een spoedeisend belang, mede omdat er een aparte procedure loopt voor inzage op grond van de Wet open overheid. De voorzieningenrechter benadrukt dat het aan de AFM is om de bezwaarprocedures te behandelen en dat een volledige beoordeling in een eventuele beroepsprocedure kan plaatsvinden.
De rechtbank wijst het verzoek van verzoeker 3 af wegens niet-ontvankelijkheid en het verzoek van verzoekster en verzoeker 2 wegens gebrek aan spoedeisend belang. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter B. van Velzen op 19 december 2025 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker 3 niet-ontvankelijk en verzoek van verzoekster en verzoeker 2 afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.