ECLI:NL:RBROT:2025:15630

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
10.326047.23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens verkeersdelict met dodelijke afloop

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 18 juli 2023 te Schiedam een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De verdachte, die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, reed met een bestelauto en verliet een uitrit zonder voorrang te verlenen aan een snorfietser. Dit leidde tot een aanrijding waarbij de snorfietser, genaamd [slachtoffer], op 16 augustus 2023 overleed aan de gevolgen van de verwondingen die hij bij het ongeval opliep. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van het veroorzaken van gevaar op de weg en het doden van een ander door roekeloos rijgedrag. De rechtbank oordeelde dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kon worden toegerekend. De verdachte heeft het feit bekend en de rechtbank heeft hem veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de gevolgen voor de nabestaanden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn eerdere veroordelingen. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van verkeersdeelnemers en de noodzaak om de verkeersveiligheid te waarborgen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.326047.23
Datum uitspraak: 18 december 2025
Datum zitting: 18 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode] [plaatsnaam] .
Officier van justitie: mr. S.S.S. Heinerman

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat - samengevat – het aan zijn schuld te wijten is dat op 18 juli 2023 te Schiedam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] op 16 augustus 2023 is overleden. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
Primair:
hij, op of omstreeks 18 juli 2023 te Schiedam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen dat een
aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat
motorrijtuig roekeloos, in elk geval, zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onoplettend en/of onachtzaam en/of met verwaarlozing van de te dezen geboden
zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de
uitrit/het terrein van het perceel [adres 2] , gaande in de richting van
de rijbaan van de Westfrankelandsedijk
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen, daar,
terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor de categorie
motorijtuigen waartoe het door verdachte bestuurde voertuig behoorde
- bij verlaten van de uitrit en/of het naderen van de kruising met het parallel aan de
rijbaan van de Westfrankelandsedijk gelegen fietspad zijn snelheid in onvoldoende
mate heeft verminderd en aangepast aan de situatie en plaatselijke omstandigheden, althans zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- niet te stoppen voor de stopstreep en bord B7 van bijlage 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of
- ( vervolgens) voornoemde kruising op te rijden en/of zich daarbij niet tijdig en
voldoende te vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend)
verkeer en/of
- ( vervolgens) geen voorrang te verlenen aan een over dat fietspad rijdende snorfiets
en/of
- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die snorfiets, waardoor de
bestuurder van die snorfiets, genaamd [slachtoffer] op 16 augustus 2023 is overleden;
subsidiair:
hij op of omstreeks 18 juli 2023 te Schiedam als bestuurder van een voertuig
(bestelauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,
de uitrit/het terrein van het perceel [adres 2] , gaande in de richting
van de rijbaan van de Westfrankelandsedijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar
op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het
verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl aan hem,
verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor de categorie motorijtuigen waartoe
het door verdachte bestuurde voertuig behoorde,
- bij verlaten van de uitrit en/of het naderen van de kruising met het parallel aan de
rijbaan van de Westfrankelandsedijk gelegen fietspad zijn snelheid in onvoldoende
mate heeft verminderd en aangepast aan de situatie en plaatselijke
omstandigheden, althans zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij,
verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand
waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- niet te stoppen voor de stopstreep en bord B7 van bijlage 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of
- ( vervolgens) voornoemde kruising op te rijden en/of zich daarbij niet tijdig en
voldoende te vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend)
verkeer en/of
-(vervolgens) geen voorrang te verlenen aan een over dat fietspad rijdende snorfiets
en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die snorfiets, bestuurd door [slachtoffer]
.

2.Bewijs

2.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het primaire feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal dan ook zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
2.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden door een uitrit te verlaten, daarbij zijn snelheid onvoldoende te verminderen en geen voorrang te verlenen aan een bromfietser, terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. De verdachte is hierdoor met zijn bestelbus in aanrijding gekomen met het slachtoffer, als gevolg waarvan het slachtoffer op 16 augustus 2023 is overleden.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het primaire feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] :
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, verkeersongevallenanalyse [3]
3.
Proces-verbaal van de politie, bevindingen camerabeelden [4]
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
2.2.1.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair:
hij, op 18 juli 2023 te Schiedam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), zich zodanig heeft gedragen dat een
aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat
motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de uitrit van het perceel [adres 2] , gaande in de richting van de rijbaan van de Westfrankelandsedijk
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen, daar,
terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor de categorie
motorijtuigen waartoe het door verdachte bestuurde voertuig behoorde
- bij verlaten van de uitrit en het naderen van de kruising met het parallel aan de
rijbaan van de Westfrankelandsedijk gelegen fietspad zijn snelheid in onvoldoende
mate heeft verminderd en aangepast aan de situatie en plaatselijke omstandigheden en
- niet te stoppen voor de stopstreep en bord B7 van bijlage 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 en
- vervolgens voornoemde kruising op te rijden en zich daarbij niet tijdig en
voldoende te vergewissen dat voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend)
verkeer en
- vervolgens geen voorrang te verlenen aan een over dat fietspad rijdende snorfiets
en
- vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met die snorfiets, waardoor de
bestuurder van die snorfiets, genaamd [slachtoffer] op 16 augustus 2023 is overleden.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert op:
Feit 1 primair:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.
4.2.
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft als bestuurder van een bestelbus een verkeersongeval veroorzaakt terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Hij heeft bij het verlaten van een uitrit zijn snelheid onvoldoende verminderd en geen voorrang verleend aan het slachtoffer die van links naderde op zijn bromfiets, waarna het slachtoffer tegen de bestelbus is aangereden. Het slachtoffer is later als gevolg van zijn verwondingen die hij bij het verkeersongeval heeft opgelopen, overleden. De verdachte reed al jaren rond zonder rijbewijs en had dus überhaupt de weg niet op gemogen. Hij heeft met zijn handelen de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht.
De gevolgen hiervan zijn zeer ingrijpend. Er is een leven verloren gegaan en diep en onherstelbaar leed is toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Dat het overlijden een niet op te vullen leegte heeft achtergelaten blijkt uit de op de zitting voorgedragen slachtofferverklaring door de dochter van het slachtoffer.
Ter zitting is verder gebleken dat de verdachte de aanrijding nooit heeft willen veroorzaken. De verdachte heeft de verantwoordelijkheid genomen voor het veroorzaken van het ongeval en legt de schuld volledig bij zichzelf. Hij zal verder moeten leven met het besef dat hij dit ongeval heeft veroorzaakt en betrokken is geweest bij het overlijden van het slachtoffer.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 14 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar op de weg.
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 18 juli 2023, de datum waarop de verdachte is gehoord. Tot aan dit vonnis is een periode van 2 jaar en 5 maanden verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal daar bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening mee houden.
4.3.4.
Oplegging straffen
De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele straf het verlies van een dierbare kan compenseren. Strafoplegging dient niet alleen te gebeuren met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfouten, maar moet vooral worden afgezet tegen de ernst van de fouten en dus de mate van schuld van de verdachte. De rechtbank acht de minst zware vorm van schuld bewezen en dit dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, zoals blijkt uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De rechtbank acht het opleggen van een taakstraf van 150 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden, zoals geëist door de officier van justitie, passend en geboden.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 150 [honderdvijftig] uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
75 [vijfenzeventig] dagen;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
ontzegtde verdachte voor het primaire feit
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
12 [twaalf] maanden.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.C. Bos, voorzitter,
en mrs. J. de Lange en L. van Eck Rasmussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 december 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 18 december 2025.
3.Pagina 54 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer]
4.Pagina 13 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer]
5.Pagina 28 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer]
6.Pagina 39 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer]