De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurder over de beëindiging van een huurovereenkomst en de betaling van huurachterstand. De huurder stelt dat de huurovereenkomst in november 2024 met wederzijds goedvinden is beëindigd en dat zij geen huur meer hoeft te betalen, terwijl de verhuurder dit betwist en een aanzienlijke huurachterstand vordert.
Tijdens de zitting op 6 november 2025 heeft de huurder een verklaring en bewijsstukken overgelegd, waaronder een bankafschrift van terugbetaling van de waarborgsom. De verhuurder erkent het verwijderen van het slot en de goederen van de huurder uit de woning, maar ontkent dat er afspraken zijn gemaakt over beëindiging van de huurovereenkomst of kwijtschelding van de huurachterstand.
De kantonrechter overweegt dat de huurovereenkomst schriftelijk is aangegaan voor minimaal 24 maanden en niet tussentijds opzegbaar is door de huurder, tenzij anders is overeengekomen. Omdat de huurder zich beroept op afwijkende afspraken, rust op haar de bewijslast. Daarom krijgt de huurder een bewijsopdracht om schriftelijk of getuigenbewijs te leveren dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd en dat de huurachterstand is kwijtgescholden.
De kantonrechter bepaalt nadere termijnen en voorwaarden voor het leveren van bewijs en wijst iedere verdere beslissing aan. Het vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.