ECLI:NL:RBROT:2025:15509

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11596475 CV EXPL 25-6079
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:265 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige ontruiming na onbevoegde opzegging huurovereenkomst woonruimte

De zaak betreft een langdurig huurgeschil tussen Stichting Havensteder en huurders die onrechtmatig werden ontruimd nadat de bewindvoerder van de huurder de huurovereenkomst voor woonruimte had opgezegd zonder daartoe bevoegd te zijn.

De bewindvoerder had zonder toestemming van de huurder of machtiging van de kantonrechter de huurovereenkomst opgezegd, wat door het hof Den Haag in hoger beroep werd bevestigd. De ontruiming op basis van een kort geding vonnis werd vernietigd en als onrechtmatig beoordeeld. Havensteder mocht niet vertrouwen op de bevoegdheid van de bewindvoerder en had onderzoek moeten doen.

De kantonrechter wijst de vorderingen van Havensteder af en verklaart de opzegging onbevoegd en de ontruiming onrechtmatig. Havensteder wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van bijna €46.000, inclusief verhuiskosten, vergoeding voor vernietigde inboedel, hogere huurprijs, immateriële schade en incassokosten. Tevens moet Havensteder de blokkade in het woningverdeelsysteem opheffen en een dwangsom betalen wegens niet-naleving van een eerder vonnis over het aanbieden van passende woonruimte.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder en zijn partner met hun kinderen onvoldoende alternatieve woonruimte hadden en dat de belangen van de minderjarige kinderen zwaar wegen. De handelwijze van Havensteder, waaronder het zonder toestemming betreden van de woning en het vervangen van sloten, wordt als onrechtmatig en onaanvaardbaar beschouwd.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden aan Havensteder opgelegd.

Uitkomst: Bewindvoerder was onbevoegd tot opzegging; ontruiming onrechtmatig; verhuurder moet schadevergoeding betalen en blokkade opheffen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11596475 CV EXPL 25-6079
datum uitspraak: 12 december 2025 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. P.J. Remmelts,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, maar met een bekend briefadres te Rotterdam,
2. [gedaagde 2],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. G.T. Poot.
Partijen worden hierna ‘Havensteder’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 maart 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • het antwoord in reconventie, met bijlagen;
  • de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis, van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met bijlagen;
  • de e-mail van de gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 17 november 2025, met bijlage;
  • de akte reactie eiswijziging van Havensteder, met bijlage;
  • de e-mail van de gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 24 november 2025, met bijlage.
1.2.
Op 24 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens Havensteder [naam] (woonconsulente) aanwezig, bijgestaan door mr. Remmelts. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren aanwezig, bijgestaan door mr. Poot.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Deze zaak kent een flinke voorgeschiedenis; partijen hebben elkaar al meermaals in de rechtszaal getroffen. In deze procedure gaat het om het volgende.
2.2.
[gedaagde 1] heeft in 1997 een huurovereenkomst met (de rechtsvoorganger van) Havensteder gesloten voor de woning aan de [adres 1] . [gedaagde 2] is in 2019 bij [gedaagde 1] gaan wonen. Samen hebben zij twee kinderen gekregen, die nu 3 en 6 jaar oud zijn. De goederen van [gedaagde 1] zijn op 16 december 2022 onder bewind gesteld. Op 16 januari 2023 heeft [gedaagde 1] een huurovereenkomst gesloten voor een woning aan de [adres 2] , een 55+-woning. [gedaagde 1] sloot deze huurovereenkomst omdat de relatie met [gedaagde 2] zou eindigen. Het was de bedoeling dat [gedaagde 2] met hun twee kinderen in de woning aan de [adres 1] zou blijven wonen. [gedaagde 2] was echter geen contractueel medehuurder. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren op dat moment ook niet getrouwd en hadden geen geregistreerd partnerschap. [gedaagde 1] heeft vervolgens besloten om de [adres 1] te blijven huren. [gedaagde 1] heeft daarom op 24 januari 2023 de huur van de woning aan de [adres 2] opgezegd. Die opzegging is door de bewindvoerder ongedaan gemaakt.
2.3.
De bewindvoerder van [gedaagde 1] heeft hem laten weten dat hij geen twee woningen tegelijk kon huren. De bewindvoerder heeft besloten om de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres 1] bij Havensteder op te zeggen. Die opzegging heeft plaatsgevonden op 15 juni 2023 tegen 1 augustus 2023. [gedaagde 1] heeft zowel voor als na de opzegging daartegen geprotesteerd, waarna de bewindvoerder op 3 juli 2023 aan Havensteder heeft gevraagd om de opzegging te (mogen) annuleren. Havensteder is daar niet mee akkoord gegaan.
2.4.
Op 16 augustus 2023 heeft de toezichthoudend kantonrechter toestemming gegeven aan de bewindvoerder om opdracht te geven voor het ontruimen van de woning aan de [adres 1] . Die toestemming is met een enkel ‘ja’ verleend op een verzoek van de bewindvoerder waarin het volgende is gevraagd:
“(…) De huurovereenkomst van de oude woning[ [adres 1] ; toevoeging kantonrechter]
is per 01-08 opgezegd, omdat de heer geen dubbele huurwoningen kan huren. [gedaagde 1] wilde de huur niet zelf opzeggen, omdat hij wil dat zijn ex-partner in de woning kan blijven. (…) Wij hebben het verzoek tot beëindigen van de huurovereenkomst ingediend bij de woningstichting in het financiële belang van [gedaagde 1] . (…) De woningstichting heeft de sloten vervangen van de woning op de datum van de beëindiging van het huurcontract. Echter, is nu gebleken dat [gedaagde 1] zelfstandig de sloten heeft laten vervangen en de oude woning weer heeft betrokken. Op dit moment verblijft [gedaagde 1] onrechtmatig in een woning én moeten we een gebruiksvergoeding betalen voor alle dagen na 01-08 dat de heer toch nog in de woning verblijft. (…) Als [gedaagde 1] niet zelf de woning verlaat, dan zal de woningstichting een ontruimingsvonnis via een deurwaarder moeten aanvragen. De kosten van de deurwaarder, het vonnis en de gebruiksvergoeding van de woning die blijft doorlopen komen voor rekening van [gedaagde 1] . De woningstichting heeft ons verzocht of het mogelijk is dat wij als bewindvoerder opdracht geven de woning leeg te laten halen, zodat bovenstaande kosten voorkomen kunnen worden en er zo spoedig mogelijk actie ondernomen kan worden. Graag verneem ik dus van u, of wij toestemming hebben om de woningontruiming aan te zeggen als bewindvoerder bij de woningstichting. Zodat er in het financiële belang van [gedaagde 1] geen onnodige kosten gemaakt worden of dat we de ontruiming toch via de deurwaarder moeten laten verlopen ondanks de kosten die hiermee gepaard gaan. (…)”
2.5.
De relatie tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is niet geëindigd; op 9 oktober 2023 zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.6.
Havensteder heeft in oktober 2023 een kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam en – voor zover hier van belang – gevorderd:
  • dat de bewindvoerder en [gedaagde 2] worden veroordeeld om de [adres 1] onmiddellijk te ontruimen; en
  • dat de bewindvoerder wordt veroordeeld om een huurachterstand van € 3.676,54 (tot en met oktober 2023) te betalen en vanaf november een gebruiksvergoeding met rente.
De kantonrechter heeft op 28 november 2023 de vorderingen van Havensteder toegewezen en de bewindvoerder en [gedaagde 2] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres 1] te ontruimen (zaaknummer: 10739579 VV EXPL 25-504). Tegen dit vonnis hebben (de bewindvoerder van) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Het bewind is op 30 mei 2024 opgeheven.
2.7.
Havensteder is, hangende het hoger beroep, blijven staan op ontruiming van de woning aan de [adres 1] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben die woning niet vrijwillig ontruimd. Op 19 maart 2024 heeft een gedwongen ontruiming plaatsgevonden. [gedaagde 2] had inmiddels voor [gedaagde 1] gereageerd op een (nieuwe) 55+-huurwoning aan de [adres 3] . Die woning is aan [gedaagde 1] toegewezen. Na de gedwongen ontruiming zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met hun kinderen (na een korte periode op de [adres 2] ) naar deze woning vertrokken. Al snel leverde dat problemen op, omdat alleen [gedaagde 1] in deze 55+-woning mocht wonen en niet de rest van het gezin. De huurovereenkomst voor de [adres 3] is geëindigd en die woning is op 6 november 2024 (ook weer gedwongen) ontruimd. [gedaagde 1] heeft vervolgens een plek voor zichzelf gezocht bij het Leger des Heils en [gedaagde 2] woont met de kinderen bij haar moeder. Zij staat daar niet ingeschreven. Voor [gedaagde 1] is bij de moeder van [gedaagde 2] geen plaats.
2.8.
Op 15 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het hoger beroep tegen het kort geding vonnis van 28 november 2023. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft het hof Den Haag partijen toen laten weten dat het hof het vonnis niet in stand zal laten omdat het hof van oordeel is dat de bewindvoerder niet bevoegd was om de huur van de [adres 1] op te zeggen. Op 18 maart 2025 heeft het hof bij arrest het kort geding vonnis van de kantonrechter van 28 november 2023 inderdaad vernietigd en de vorderingen van Havensteder alsnog afgewezen (zaaknummer 200.336.196/01). Het hof heeft overwogen dat het opzeggen van een huurovereenkomst door de bewindvoerder geen gewone beheersdaad is. Dit betekent dat de bewindvoerder voor de opzegging toestemming van [gedaagde 1] of een machtiging van de kantonrechter nodig had. Het hof heeft verder overwogen dat er geen toestemming van [gedaagde 1] was en ook geen machtiging van de kantonrechter. Ook oordeelt het hof dat Havensteder redelijkerwijze niet mocht aannemen dat de bewindvoerder bevoegd was om de huurovereenkomst op te zeggen en dat er juist voldoende aanleiding was voor Havensteder om onderzoek te doen naar de bevoegdheid van de bewindvoerder (wat Havensteder niet heeft gedaan).
2.9.
Het hof is vervolgens ingegaan op de vraag of de door Havensteder gestelde huurachterstand de ontruiming zou kunnen rechtvaardigen. Dat is volgens het hof niet het geval. Daarbij vindt het hof het relevant dat de huurachterstand nadat [gedaagde 1] onder bewind is gesteld niet noemenswaardig verder is opgelopen, terwijl door Havensteder niet met de bewindvoerder is overlegd over het inlopen van de achterstand. Ook is relevant dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met twee minderjarige kinderen, van (toen) twee en vijf jaar oud, in het gehuurde woonden en dat Havensteder bij ontbinding van de huurovereenkomst een verhuurdersverklaring heeft verstrekt waarin melding wordt gemaakt van onrechtmatige bewoning en ontruiming, zodat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zeer moeilijk, zo niet feitelijk onmogelijk werd vervangende woonruimte te vinden in de sociale sector, waarvan zij afhankelijk zijn. Tot slot heeft het hof geoordeeld dat uit de foto’s die Havensteder (ter zitting) heeft overgelegd en waarbij onduidelijk is gebleven wanneer en op welke wijze Havensteder toegang heeft gekregen tot de woning, niet blijkt van een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. Datzelfde geldt voor de gestelde overlast(meldingen), die door Havensteder niet concreet zijn onderbouwd, aldus het hof.
2.10.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn vervolgens in mei 2025 een nieuw kort geding gestart tegen Havensteder. Zij hebben gevorderd dat de kantonrechter Havensteder veroordeelt binnen veertien dagen na de datum van het vonnis de woning aan de [adres 1] opnieuw aan hen ter beschikking te stellen, althans een vergelijkbare woning. Op 24 juni 2025 heeft de kantonrechter te Rotterdam Havensteder veroordeeld om binnen een maand na de datum van het vonnis [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een woning aan te bieden die qua grootte en voorzieningen vergelijkbaar is met de woning aan de [adres 1] , in dezelfde wijk of een andere wijk naar keuze van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , tegen dezelfde huurprijs die zij zouden hebben betaald voor de [adres 1] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 10.000,- (zaaknummer 11647340 VV EXPL 25-207). Het vonnis is op 21 juli 2025 betekend.
2.11.
Havensteder heeft op 22 juli 2025 twee huurwoningen aangeboden aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De eerste woning, [adres 4] , was nog niet verhuurklaar. Daarvoor zou Havensteder nog drie maanden nodig hebben. In de tweede woning, aan de [adres 5] , was (zwarte) schimmel aanwezig. Ondanks de schimmel en ondanks dat deze woning in een andere wijk lag dan door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gewenst, hebben zij deze laatste woning onder voorwaarden geaccepteerd. De huurovereenkomst is per 15 augustus 2025 ingegaan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn nog niet in de woning getrokken omdat de schimmel volgens hen nog niet volledig was verwijderd, wat voor hen een voorwaarde was. Vervolgens is in het kader van weer een nieuw kort geding (zaaknummer 118601145 VV EXPL 25-515) op 20 oktober 2025 afgesproken dat de gehele woning in opdracht van Havensteder conform het advies van Intra-Air binnen 14 dagen zal worden gereinigd, dat het keukenblad wordt vervangen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanaf 15 augustus 2025 tot de afronding van die werkzaamheden 50% huurkorting krijgen. Volgens Havensteder was de woning op het moment van de mondelinge behandeling in deze procedure (24 november 2025) schimmelvrij en bewoonbaar. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was dat niet het geval, omdat de oorzaak voor de schimmelvorming (water in de kruipruimte) nog niet is weggenomen. Daarvoor is niet alleen nodig dat de roosters in de kruipruimte worden opengezet maar ook moet er een degelijke afvoer komen voor het grondwater. Verder is sprake van een constant warme kachel terwijl de knop op 0 staat. Ook dat moet worden opgelost voordat zij de woning kunnen betrekken, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Wat zijn de vorderingen?
2.12.
Havensteder is deze procedure gestart omdat zij een verklaring voor recht wil dat de bewindvoerder bevoegd was om de huurovereenkomst voor de [adres 1] per 1 augustus 2023 op te zeggen. Daarmee zou dan vast staan dat de ontruiming op 19 maart 2024 rechtmatig is geweest. Havensteder beroept zich daartoe op de toestemming van de toezichthoudend kantonrechter aan de bewindvoerder op haar verzoek van 16 augustus 2023 (zie 2.4). Subsidiair wil Havensteder dat de kantonrechter de huurovereenkomst voor de [adres 1] ontbindt en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld tot ontruiming. Havensteder vordert in deze procedure ook betaling van € 13.151,77 aan ontruimingskosten. Havensteder vorderde in eerste instantie ook betaling van huur/gebruiksvergoeding. Op de zitting van 24 november 2025 heeft Havensteder echter medegedeeld dat de huur/ gebruiksvergoeding voor de [adres 1] tot 19 maart 2024 wel volledig is betaald. Havensteder heeft die vordering daarom ingetrokken.
2.13.
Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was de bewindvoerder niet bevoegd om de huurovereenkomst op te zeggen. Hoewel het hof Den Haag heeft geoordeeld in hoger beroep van een kort geding en het arrest daarmee geen gezag van gewijsde heeft, volgt uit die beoordeling dat Havensteder er niet op mocht vertrouwen dat de bewindvoerder met instemming van [gedaagde 1] heeft opgezegd. Het verzoek van de bewindvoerder van 16 augustus 2023 ging niet over de opzegging, maar alleen over de ontruiming. Daarin mag geen toestemming voor de opzegging worden gelezen. Van een tekortkoming is volgens [gedaagde 1] geen sprake geweest, althans niet van een zodanige tekortkoming dat de huurovereenkomst ontbonden zou moeten worden. De kantonrechter kan niet nu alsnog – met terugwerkende kracht – oordelen dat Havensteder de [adres 1] mocht ontruimen op basis van het kort geding vonnis van de kantonrechter van 28 november 2023.
2.14.
Omdat de opzegging door de bewindvoerder niet rechtsgeldig was en het kort geding vonnis van de kantonrechter van 28 november 2023 door het hof is vernietigd, had Havensteder geen titel voor de ontruiming van de [adres 1] op 19 maart 2024, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat de opzegging door de bewindvoerder onbevoegd heeft plaatsgevonden en dat de ontruiming op 19 maart 2024 onrechtmatig was. Daarnaast vorderen zij een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst voor de [adres 1] 30 is blijven bestaan, dat [gedaagde 2] medehuurder is en dat zij vanaf 19 maart 2024 geen huur verschuldigd zijn omdat Havensteder de [adres 1] niet aan hen ter beschikking heeft gesteld. Verder vorderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat Havensteder wordt veroordeeld de [adres 1] weer aan hen ter beschikking te stellen en subsidiair dat een andere, vergelijkbare woning wordt aangeboden, een en ander op straffe van een dwangsom. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen ook vergoeding van de schade die zij door de ontruiming van 19 maart 2024 hebben geleden. Die schade bestaat volgens hen – samengevat – uit verhuiskosten, ontruimingskosten, kosten ter vervanging van hun inboedel die is vernietigd, opslag- en transportkosten, het verschil in huurprijs na de ontruiming, kosten voor overnachtingen in vakantieparken, verlies van de uitkering van [gedaagde 2] en verlies van huurtoeslag, kosten voor de wasserette, juridische kosten en een immateriële schadevergoeding. Ook vorderen zij vergoeding voor de kosten van het plaatsen van een nieuw slot, nadat Havensteder zonder hun toestemming op 4 augustus 2023 de [adres 1] had betreden en het slot had vervangen. Verder vorderen zij een bedrag van € 10.000,- aan dwangsommen die volgens hen zijn verbeurd omdat Havensteder niet (tijdig) aan het vonnis van 24 juni 2025 heeft voldaan (zie 2.10). Het totaalbedrag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – na wijziging van eis – vorderen is € 179.181,05. Daarnaast maken zij aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Tot slot willen zij dat Havensteder, op straffe van een dwangsom, de blokkade opheft die voor hen geldt. Door die blokkade komen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (ook) niet in aanmerking voor het huren van een andere woning, als zij zelf via Woonnet iets zouden willen zoeken.
2.15.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie allebei voortvloeien uit de opzegging van de bewindvoerder van de huurovereenkomst voor de [adres 1] , zal de kantonrechter de vorderingen hieronder gezamenlijk beoordelen.
De bewindvoerder mocht de huurovereenkomst niet opzeggen
2.16.
De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder van [gedaagde 1] niet bevoegd was om de huurovereenkomst voor de [adres 1] op te zeggen en dat Havensteder er ook niet vanuit mocht gaan dat de bewindvoerder bevoegd was.
2.17.
Net als het hof in zijn arrest van 18 maart 2025, overweegt de kantonrechter dat het opzeggen van een huurovereenkomst door een bewindvoerder geen normale beheersdaad is. Dat betekent dat voor het opzeggen van een huurovereenkomst ofwel toestemming van de onder bewind gestelde (hier [gedaagde 1] ) ofwel toestemming (een machtiging) van de kantonrechter nodig is. In dit geval staat vast dat [gedaagde 1] geen toestemming heeft gegeven voor de opzegging. Ook is niet in geschil dat Havensteder wist dat er discussie was tussen [gedaagde 1] en de bewindvoerder over de (opzegging van één van) door hem gehuurde woningen, dat in de woning aan de [adres 1] [gedaagde 2] en de minderjarige kinderen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] woonden en dat het de bedoeling van [gedaagde 1] was dat zij daar konden blijven wonen. De bewindvoerder heeft bovendien nog voor de datum waartegen was opgezegd gevraagd om de opzegging te annuleren (zie 2.3). Van een verhuurder (en zeker een toegelaten instelling als Havensteder) mocht tegen deze achtergrond worden verwacht dat zij was nagegaan of aan de opzegging toestemming van [gedaagde 1] of een machtiging van de kantonrechter ten grondslag lag. Havensteder mocht daar in de gegeven omstandigheden in elk geval niet zonder meer op vertrouwen en zij mocht – in het verlengde daarvan – er ook niet zonder meer op vertrouwen dat de bewindvoerder bevoegd was om op te zeggen. [gedaagde 1] kan zich er daarom tegenover Havensteder op beroepen dat zijn toestemming ontbrak.
2.18.
De stelling van Havensteder dat de toezichthoudend kantonrechter op 16 augustus 2023 alsnog een machtiging heeft verleend om de huurovereenkomst op te zeggen slaagt niet. De bewindvoerder heeft op 16 augustus 2023 toestemming gevraagd aan de kantonrechter om te starten met het ontruimen van de woning, maar uit de vraagstelling (zie 2.4) blijkt dat de bewindvoerder daarbij de opzegging van de huurovereenkomst heeft gepresenteerd als een vaststaand feit en enkel om toestemming heeft gevraagd voor ontruiming, met als onderbouwing dat daarmee de kosten voor een gedwongen ontruiming zouden kunnen worden voorkomen. Op dat verzoek, dus het starten met het ontruimen van de woning, heeft de toezichthoudend kantonrechter beslist. Niet op de daaraan voorafgaande opzegging. Dat staat er niet en uit niets blijkt dat dit door de toezichthoudend kantonrechter zo is opgevat.
2.19.
Dit betekent dat de primair in conventie gevorderde verklaringen voor recht dat de bewindvoerder bevoegd was de huurovereenkomst op te zeggen, dat de huurovereenkomst per 1 augustus 2023 is geëindigd en dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] vanaf 1 augustus 2023 zonder recht of titel in de woning aan de [adres 1] verbleven, worden afgewezen.
De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging op 15 juni 2023 onbevoegd heeft plaatsgevonden en aan Havensteder kan worden tegengeworpen, wordt toegewezen.
Havensteder mocht de [adres 1] niet ontruimen op 19 maart 2024
2.20.
Havensteder is tot gedwongen ontruiming van de [adres 1] overgegaan op basis van het kort geding vonnis van de kantonrechter van 28 november 2023. Dit vonnis is in hoger beroep vernietigd. Tegen het arrest van het hof is geen cassatie ingesteld. Daarmee staat vast dat de titel voor de ontruiming is komen te vervallen. Omdat de kantonrechter ook in deze (bodem)procedure oordeelt dat de bewindvoerder de huurovereenkomst niet mocht opzeggen, krijgt Havensteder met dit vonnis niet alsnog een titel voor de ontruiming van het gehuurde.
2.21.
Subsidiair heeft Havensteder in deze procedure gevorderd dat de kantonrechter de huurovereenkomst betreffende de [adres 1] ontbindt en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om die woning te ontruimen. Voor die ontbinding ziet de kantonrechter ook geen reden.
2.22.
De kantonrechter oordeelt ook hier in lijn met het oordeel van het hof. De betalingsachterstand die heeft bestaan was van onvoldoende gewicht om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Een huurachterstand van meer dan drie maanden (waar hier sprake van was) is in beginsel weliswaar reden voor ontbinding, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Hier is van belang dat de achterstand grotendeels is ontstaan voordat [gedaagde 1] onder bewind werd gesteld en na de onderbewindstelling niet noemenswaardig is opgelopen althans niet om redenen die hem te verwijten zijn. Niet gebleken is dat Havensteder de bewindvoerder op enig moment heeft aangesproken om de achterstand in te lopen. De kantonrechter weegt verder zwaar mee dat [gedaagde 1] met zijn partner en twee minderjarige kinderen in de woning woonde. Aan de belangen van de minderjarige kinderen komt op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) immers een bijzonder gewicht toe bij het beoordelen van de ontbindingsvordering. Niet gebleken is dat het gezin elders kon wonen na de ontruiming. Al deze omstandigheden leiden in dit geval tot het oordeel dat de tekortkoming van een te geringe betekenis is en de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW Pro).
2.23.
Van een tekortkoming die inhoudt dat [gedaagde 1] de woning aan de [adres 1] niet als goed huurder heeft gebruikt (artikel 7:213 BW Pro). [gedaagde 1] heeft slechts kort niet zijn hoofdverblijf gehad in de woning aan de [adres 1] . Het is niet zo dat hij bij vertrek de woning in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde 2] en de minderjarige kinderen: die woonden er al. [gedaagde 1] verkeerde in de veronderstelling dat zij er na zijn vertrek (in verband met een mogelijk einde van de relatie) konden blijven wonen. Toen bleek dat dit niet kon, is hij weer op de [adres 1] gaan wonen en is de relatie hersteld.
2.24.
Voor zover Havensteder bedoeld heeft zich ook te beroepen op de foto’s die zij als productie 10 heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde 1] zich niet als een goed huurder heeft gedragen, wordt het volgende overwogen. De kantonrechter laat deze foto’s buiten beschouwing. Deze foto’s zijn (kennelijk) gemaakt nadat Havensteder de woning op 4 augustus 2023 heeft betreden, waarbij zij ook het slot heeft vervangen. Havensteder had hiervoor geen toestemming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terwijl ook niet is gebleken dat zij hiertoe anderszins gerechtigd was. Dit is een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en een vorm van eigenrichting die niet is toegestaan. Zelfs als de opzegging van de bewindvoerder rechtsgeldig was geweest, had Havensteder de woning niet zomaar mogen betreden. De handelwijze van Havensteder is des te kwalijker omdat zij toen al wist dat [gedaagde 1] het niet met de opzegging eens was en dat de bewindvoerder de opzegging had willen annuleren.
2.25.
Uit het voorgaande volgt dat de primair in conventie door Havensteder gevraagde verklaring voor recht dat de ontruiming op 19 maart 2024 mocht plaatsvinden, wordt afgewezen. Ook de subsidiaire vorderingen van Havensteder ten aanzien van de ontbinding en ontruiming van de [adres 1] worden afgewezen.
De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat de ontruiming op 19 maart 2024 onrechtmatig was, wordt toegewezen.
2.26.
De omstandigheid dat de ontruiming van 19 maart 2024 onrechtmatig was, betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ontruimingskosten niet hoeven te betalen. Op de zitting van 24 november 2025 is vastgesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 19 maart 2024 geen huurachterstand meer hadden en dat zij een bedrag van € 1.117,66 aan ontruimingskosten hebben betaald. Dit bedrag is dus onverschuldigd betaald door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en moet door Havensteder worden terugbetaald.
Havensteder hoeft geen nieuwe woning aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan te bieden
2.27.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] eisen in reconventie primair dat Havensteder de huurovereenkomst betreffende de woning aan de [adres 1] nakomt en deze woning weer aan hen ter beschikking stelt. Havensteder heeft toegelicht dat de woning inmiddels aan iemand anders is verhuurd, zodat nakoming feitelijk onmogelijk is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen belang bij toewijzing van een vordering waarvan nu al vast staat dat die niet kan worden nagekomen. Tegen deze achtergrond hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar het oordeel van de kantonrechter ook geen belang (meer) bij een verklaring voor recht dat de tussen [gedaagde 1] en Havensteder gesloten huurovereenkomst voor de [adres 1] is blijven voortbestaan, dat [gedaagde 2] medehuurder is en dat zij vanaf 19 maart 2024 geen huur verschuldigd zijn omdat Havensteder het gehuurde niet aan hen ter beschikking heeft gesteld. De omstandigheid dat deze feitelijke onmogelijkheid te wijten is aan Havensteder, weegt wel mee bij de beoordeling van de hoogte van de hierna te bespreken aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toe te kennen immateriële schadevergoeding.
2.28.
Subsidiair eisen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat Havensteder hen een andere woning aanbiedt. Ook bij deze vordering hebben zij inmiddels naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende belang. Tussen Havensteder enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds is per 15 augustus 2025 een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de woning aan de [adres 5] . Daar is het nodige op aan te merken, want die woning bleek een gebrek te hebben omdat er (zwarte) schimmel aanwezig was. Partijen zijn het er nog niet over eens of dat gebrek door Havensteder inmiddels (volledig) is verholpen, maar feit is dat er een huurovereenkomst bestaat en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] Havensteder kunnen dwingen om gebreken aan die woning te herstellen, zodat zij er ook daadwerkelijk kunnen gaan wonen zoals de bedoeling is. In die omstandigheden is er onvoldoende reden om Havensteder te dwingen om nogmaals een andere woning aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter beschikking te stellen.
Havensteder moet de blokkade opheffen
2.29.
Omdat er geen reden was voor de gedwongen ontruiming, moet Havensteder er voor zorgdragen dat de daarop gebaseerde blokkade / negatieve verhuurdersverklaring die zij heeft afgegeven wordt opgeheven. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voldoende belang bij die vordering. Zij moeten de mogelijkheid hebben om, ongehinderd door een blokkade of negatieve verhuurdersverklaring, op zoek te gaan naar een andere woning als zij toch niet aan de [adres 5] zouden willen blijven. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen tot een bedrag van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-. Dat moet een voldoende prikkel zijn voor Havensteder om deze veroordeling na te komen.
Havensteder moet de schade van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vergoeden
2.30.
Omdat de ontruiming van de [adres 1] op 19 maart 2024 onrechtmatig was, moet Havensteder de schade die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daardoor hebben geleden vergoeden. De kantonrechter zal hieronder per post beoordelen of sprake is van voldoende causaal verband tussen de gestelde schade en de ontruiming en in hoeverre de gevorderde kosten vast staan en/of redelijk zijn. De gevraagde verklaring voor recht dat Havensteder “de schade” vanaf 19 maart 2024 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moet vergoeden is te ruim en daarom niet toewijsbaar. De totale toewijsbare schadevergoeding komt uit op € 45.998,84.
Verhuiskosten
2.31.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanspraak kunnen maken op vergoeding van tweemaal een bedrag aan verhuiskosten. Op de zitting is gebleken dat zij na ontruiming van de [adres 1] zijn verhuisd naar de [adres 2] en vervolgens (binnen een maand) naar de [adres 3] . Beide woningen zijn 55+ woningen die dus niet bestemd zijn voor bewoning door een gezin met kleine kinderen. Dat wisten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Hoewel voorstelbaar is dat zij die ‘oplossing’ hebben verkozen boven gescheiden leven zoals zij nu doen, kan niet aan Havensteder worden tegengeworpen dat die huurovereenkomsten zijn geëindigd en dat zij daardoor opnieuw hebben moeten verhuizen. Wel wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat zij straks weer moeten verhuizen, van hun huidige tijdelijke opvangplekken naar de [adres 5] .
2.32.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om naar analogie het forfaitaire bedrag aan verhuiskostenvergoeding toe te kennen dat is vastgesteld bij verhuizing bij renovatie of na opzegging van een huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik. Niet gebleken is dat er na de gedwongen ontruiming en het afvoeren van de inboedel nog veel spullen waren om te verhuizen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] krijgen een vergoeding voor die inboedel en in die situatie is het niet redelijk om een verhuiskostenvergoeding te baseren op het verhuizen van een volledige inboedel. De kantonrechter schat de verhuiskosten voor twee keer naar redelijkheid op een bedrag van € 4.000,-. In dit bedrag zijn de kosten van transport van het resterende meubilair en opslag van een deel van de inboedel van in totaal € 670,70 begrepen.
Ontruimingskosten
2.33.
Havensteder moet een bedrag van € 1.117,66 aan ontruimingskosten aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (terug)betalen. Op de zitting is gebleken dat het bedrag van € 5.837,23 dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betaald en dat is vermeld op het overzicht van de deurwaarder van 23 januari 2025 (productie 31 bij de dagvaarding) voor het grootste deel betrekking had op de huurachterstand. Die is daarmee helemaal ingelost, waarna (nadat ook twee betalingen van [gedaagde 2] van in totaal € 750,- zijn meegenomen) een bedrag van € 1.117,66 toegerekend kan worden aan ontruimingskosten. Dat bedrag is dus onverschuldigd betaald en moet door Havensteder worden terugbetaald. De rest van het gevorderde bedrag wordt afgewezen.
2.34.
Havensteder hoeft niet de ontruimingskosten van de [adres 3] te vergoeden. Er is namelijk geen voldoende causaal verband tussen die ontruiming en de ontruiming van de [adres 1] . De ontruiming aan de [adres 3] had weliswaar niet plaats hoeven vinden als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan de [adres 1] niet hadden hoeven verlaten, maar de (gedwongen) ontruiming van de [adres 3] had ook niet hoeven plaatsvinden als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die woning tijdig zelf hadden ontruimd. Dat zij dat niet hebben gedaan, kan Havensteder niet worden aangerekend. Die omstandigheid blijft voor rekening en risico van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Het hiermee gemoeide gevorderde bedrag van € 3.643,63 wordt afgewezen.
Inboedel
2.35.
Havensteder moet de waarde van de vernietigde inboedel uit de [adres 1] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vergoeden. Er is sprake van voldoende causaal verband tussen die vernietiging en de ontruiming. Havensteder kan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet verwijten dat zij de inboedel niet hebben opgehaald nadat deze was opgeslagen; [gedaagde 1] en [gedaagde 2] konden de hoge kosten die zij dan moesten betalen niet dragen en hadden ook geen plek voorhanden waar zij de spullen zelf konden opslaan.
2.36.
De kantonrechter vindt de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschatte waarde van de inboedel te hoog, mede gelet op wat zij in dit verband naar voren hebben gebracht. Dat er spullen met een grote emotionele waarde verloren zijn gegaan, doet er niet aan af dat voor de beoordeling van deze vordering moet worden uitgegaan van de materiële waarde. De kantonrechter schat de waarde van de inboedel naar redelijkheid en rekening houdend met een aftrek ‘nieuw voor oud’ op € 15.000,-.
Hogere huurprijs
2.37.
Havensteder moet het verschil tussen de huurprijs die [gedaagde 1] moest betalen voor de [adres 1] (€ 500,59 per maand) en die na de ontruiming (voor de [adres 3] was dat € 846,76 per maand) vergoeden. Het gaat om het verschil in de periode van 19 maart 2024 tot en met 6 november 2024, waarbij er van wordt uitgegaan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de [adres 2] dezelfde huur betaalden als voor de [adres 3] . Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf moesten zorgen voor andere woonruimte en hen kan niet worden verweten dat zij een duurdere woning hebben gehuurd. Dat dit een woning betrof waar zij eigenlijk niet met het gezin mochten wonen, is voor de beoordeling van deze vordering niet relevant. Het gevorderde bedrag van € 2.637,59 wordt toegewezen.
Overnachting vakantieparken
2.38.
De kantonrechter wijst de kosten voor overnachtingen op vakantieparken toe, voor zover die zijn gemaakt na de ontruiming van de [adres 3] . Tot en met 6 november 2024 verbleven [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen met hun kinderen op het adres van de [adres 3] en hoefden zij geen kosten voor overnachtingen elders te maken om samen te kunnen zijn. De kosten die worden toegewezen zijn de volgende:
Datum
Locatie
Bedrag
1 mei 2025
Kaatsheuvel
€ 73,30
25 april 2025
Kaatsheuvel
€ 492,04
26 januari 2025
Landal Greenparks
€ 253,75
In totaal is dit € 819,09.
Vervanging slot
2.39.
De kosten voor vervanging van het slot aan de [adres 1] van € 300,- moet Havensteder ook vergoeden. Havensteder is op 4 augustus 2023 zonder recht of titel en zonder toestemming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning binnengetreden en heeft toen de sloten vervangen waardoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning ineens niet meer in konden. De kosten voor het (weer) laten vervangen van die sloten komen in de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van Havensteder. Het gevorderde bedrag komt de kantonrechter niet onredelijk hoog voor. Aan het ontbreken van een bonnetje of bewijs van pinbetaling worden – mede gelet op het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit op stel en sprong moesten regelen – geen gevolgen verbonden.
Stopzetten uitkeringen en toeslagen
2.40.
Havensteder hoeft niet de misgelopen uitkering en huurtoeslag te vergoeden. Niet gebleken is dat [gedaagde 2] geen (andere) mogelijkheid had om haar Participatiewetuitkering te behouden, bijvoorbeeld door het regelen van een briefadres. Huurtoeslag is alleen aan de orde als ook daadwerkelijk huur wordt betaald en daarvan is na 6 november 2024 geen sprake geweest. Die toeslag is daarom niet ‘misgelopen’.
Kosten wasserette
2.41.
De kosten voor het gebruik van een wasserette moeten door Havensteder worden vergoed voor zover die kosten na 6 november 2024 zijn gemaakt. Vóór die datum beschikte [gedaagde 1] volgens zijn eigen verklaring ter zitting over een wasmachine (die hij met hulp heeft kunnen kopen). Op het totaalbedrag van € 240,- worden de kosten die zijn gemaakt van 6 mei 2024 tot en 22 augustus 2024 (€ 65,50) in mindering gebracht. Het resterende bedrag van € 174,50 wordt toegewezen.
Juridische kosten
2.42.
De gevorderde juridische kosten worden afgewezen. Dit komt neer op een vordering tot een veroordeling van Havensteder in de werkelijke proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Daarvoor is alleen plaats als sprake is (geweest) van misbruik van procesrecht. Dat is niet gesteld en ook niet gebleken. Voor een vergoeding buiten de in de verschillende procedures toegekende proceskostenveroordelingen is daarom geen aanleiding.
Immateriële schade
2.43.
De kantonrechter ziet aanleiding voor een vergoeding van de immateriële schade van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Door het onrechtmatig handelen van Havensteder (met name de ontruiming van 19 maart 2024, de onmogelijkheid om in deze woning terug te keren omdat die door Havensteder aan anderen is verhuurd, maar zeker ook het zonder toestemming binnentreden en het vervangen van de sloten op 4 augustus 2023) is sprake van een aantasting in de persoon en dat is een grondslag voor het toekennen van zo’n vergoeding.
2.44.
De kantonrechter acht het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderde bedrag van in totaal € 74.200,- niet volledig toewijsbaar. Zij wijst een bedrag van € 11.950,- toe. In dit bedrag is een vergoeding begrepen van € 75,- per maand per persoon voor het noodgedwongen gescheiden leven als gezin over de periode van 6 november 2024 tot en met november 2025. Deze vergoeding per persoon betreft alleen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en niet hun kinderen. Zij hebben de schadevergoeding in deze procedure immers alleen namens zichzelf ingesteld en niet (ook) in hun hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen. Deze vergoeding komt daarom (afgerond) op 13 maanden × 2 personen × € 75,- = € 1.950,-.
2.45.
Daarnaast kent de kantonrechter, naar redelijkheid, een bedrag toe van € 5.000,- per persoon als vergoeding voor de (overige immateriële) gevolgen van de onrechtmatige ontruiming. Dit komt neer op 2 × € 5.000,- = € 10.000,-
De dwangsommen worden toegewezen
2.46.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben na vermeerdering van eis gevorderd dat de kantonrechter Havensteder veroordeelt om aan hen € 10.000,- aan dwangsommen te betalen omdat Havensteder niet heeft voldaan aan het vonnis van de kantonrechter van 24 juni 2025 (zie 2.10). In dit vonnis is Havensteder veroordeeld om een nieuwe woning aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te huur aan te bieden. De kantonrechter is van oordeel dat Havensteder dit bedrag moet betalen. Havensteder heeft dan wel binnen de gestelde termijn van een maand na betekening van het vonnis twee woningen aangeboden, maar daarmee is niet voldaan aan het vonnis. De aangeboden woning aan de [adres 4] was niet verhuurklaar (dat zou nog minimaal drie maanden duren). De aangeboden woning aan het [adres 5] lag niet in dezelfde wijk als de [adres 1] of een door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgegeven andere voorkeurswijk en was feitelijk evenmin verhuurklaar, onder meer omdat sprake was van ernstige schimmel in de woning. Uiteindelijk hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich bereid verklaard om de woning aan de [adres 5] te accepteren per 15 augustus 2025 mits voor die datum de schimmel zou zijn verwijderd. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was echter op 15 augustus 2025 de schimmel nog niet verwijderd. Zij hebben dit onderbouwd met een rapport van Intra Air van 7 oktober 2025. Havensteder heeft de juistheid van een en ander onvoldoende (gemotiveerd) betwist. Dat de schimmel nog niet (volledig) was verwijderd, volgt ook uit het proces verbaal van de zitting van 20 oktober 2025 van de mondelinge behandeling in weer een nieuwe kort geding procedure, waarbij partijen hebben afgesproken dat Havensteder binnen 14 dagen de gehele woning door Intra-Air laat reinigen conform het advies van Intra-Air in het rapport van 7 oktober 2025.
2.47.
Het vonnis van 24 juni 2025 moet zo worden begrepen dat Havensteder verplicht was om een woning aan te bieden waar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] direct, of in elk geval binnen heel korte tijd, hun intrek konden nemen. Met de uitleg van Havensteder dat zij kon volstaan met het aanbieden van een woning die pas na drie maanden beschikbaar was en een woning (buiten het gewenste voorkeursgebied) met schimmel, miskent zij het spoedeisende karakter van de voorlopige voorziening. Nu Havensteder niet binnen een maand na betekening van het vonnis heeft zorggedragen voor het aanbieden van een woning waar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] direct of na korte tijd hun intrek in konden nemen én het er voor gehouden moet worden dat de schimmelproblematiek op 7 oktober 2025 nog steeds niet was opgelost, zijn de aan Havensteder opgelegde dwangsommen tot het maximum bedrag van € 10.000,- verbeurd. Havensteder moet dit bedrag dan ook aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalen.
Havensteder moet incassokosten van € 1.494,34 betalen
2.48.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 1.494,34 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW Pro). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het totaalbedrag aan schadevergoeding en dwangsommen dat is toegewezen.
Havensteder moet rente betalen
2.49.
De rente over de schadevergoeding wordt toegewezen. De rente over de te veel betaalde ontruimingskosten, de waarde van de inboedel, de kosten van vervanging van het slot en de immateriële schade (in totaal € 28.367,66) wordt toegewezen vanaf 19 maart 2024, zoals gevorderd. Havensteder is hiermee namelijk in verzuim vanaf het moment van de onrechtmatige ontruiming. De overige schadeposten betreffen kosten die door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] pas later zijn gemaakt. De wettelijke rente daarover gaat lopen steeds vanaf het moment van het maken van de kosten. Over de dwangsommen wordt de wettelijke rente toegewezen met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Havensteder moet de proceskosten betalen
2.50.
De proceskosten komen voor rekening van Havensteder, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die Havensteder in conventie aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moet betalen op € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 543,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.221,-. In reconventie worden deze kosten aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] begroot op € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 543,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.221,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.51.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. De kantonrechter vindt het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om dit vonnis ten uitvoer te kunnen leggen zwaar wegen. Van hen kan niet worden verwacht dat zij nu, ruim anderhalf jaar na de onrechtmatige ontruiming van de [adres 1] , ook nog een eventueel hoger beroep afwachten voordat zij dit vonnis ten uitvoer kunnen leggen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
wijst de vorderingen van Havensteder af;
3.2.
veroordeelt Havensteder in de proceskosten in conventie, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 1.221,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In reconventie:
3.4.
verklaart voor recht dat de opzegging van de huurovereenkomst op 15 juni 2023 voor de [adres 1] door de bewindvoerder onbevoegd heeft plaatsgevonden en aan Havensteder kan worden tegengeworpen;
3.5.
verklaart voor recht dat de ontruiming van de [adres 1] op 19 maart 2024 onrechtmatig was;
3.6.
veroordeelt Havensteder om de blokkade die zij op Woonnet heeft opgelegd, althans de negatieve verhuurdersverklaring die zij afgeeft binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-;
3.7.
veroordeelt Havensteder om aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te betalen € 45.998,84 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 28.367,66 vanaf 19 maart 2024, over een bedrag van € 10.000,- vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis en over de overige schadeposten vanaf de respectieve data waarop de kosten door [gedaagde 1] en /of [gedaagde 2] zijn gemaakt, tot de dag dat volledig is betaald;
3.8.
veroordeelt Havensteder om aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te betalen € 1.494,34 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.9.
veroordeelt Havensteder in de proceskosten in reconventie, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 1.221,-;
3.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.11.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
51909