ECLI:NL:RBROT:2025:15508

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11915375 CV EXPL 25-21345
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering tegen werkgever met toewijzing van salaris en wettelijke verhoging

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een loonvordering van eiseres tegen Aedificomm B.V. Eiseres, vertegenwoordigd door mr. J.C. Debije, vorderde betaling van achterstallig salaris, wettelijke verhoging, reiskostenvergoeding en buitengerechtelijke kosten. Aedificomm had uitstel gekregen voor een reactie op de dagvaarding, maar heeft daarna niet meer gereageerd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de feiten in de dagvaarding vaststaan, omdat Aedificomm deze niet heeft betwist. De vorderingen van eiseres zijn toegewezen, waaronder € 1.173,66 netto aan achterstallig salaris over de periode oktober 2023 tot en met januari 2025 en € 4.918,02 bruto aan onbetaald gebleven salaris over februari en maart 2025. Daarnaast is Aedificomm veroordeeld tot betaling van een wettelijke verhoging van € 7.441,41, reiskostenvergoeding van € 5.038,80 en buitengerechtelijke kosten van € 1.162,47. De proceskosten zijn begroot op € 1.558,04, die ook door Aedificomm moeten worden betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat eiseres het vonnis direct kan uitvoeren, ook als Aedificomm in hoger beroep gaat.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11915375 CV EXPL 25-21345
datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
eiseres,
gemachtigde: mr. J.C. Debije,
tegen
Aedificomm (4AAA) B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: de heer [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Aedificomm’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
[eiseres] eist met haar dagvaarding van 17 september 2025 dat de kantonrechter Aedificomm veroordeelt om aan haar het volgende te betalen:
  • € 1.173,66 netto aan te weinig uitbetaald salaris over de periode oktober 2023 tot en met januari 2025;
  • € 4.918,02 bruto aan onbetaald gebleven salaris over februari en maart 2025;
  • € 7.441,41 aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW;
  • de wettelijke rente over te laat betaald salaris en de in deze procedure gevorderde salarisbedragen;
  • € 5.038,80 netto aan reiskostenvergoeding;
  • € 3.979,90 aan buitengerechtelijke kosten;
  • De proceskosten met rente.
Ook eist [eiseres] dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
1.2.
Aedificomm heeft uitstel gekregen voor een reactie op de dagvaarding, maar daarna niet meer gereageerd.

2.De beoordeling

Aedificomm moet € 1.173,66 netto en € 4.918,02 bruto aan achterstallig loon betalen
2.1.
Aedificomm heeft niet aangegeven dat de feiten die in de dagvaarding staan niet kloppen. Die staan daarom in deze zaak vast. Op basis daarvan worden de achterstallige loonbedragen van € 1.173,66 netto (over de periode van oktober 2023 tot en met januari 2025) en € 4.918,02 bruto (februari en maart 2025) toegewezen. Uit niets blijkt dat Aedificomm iets mag deze bedragen mag verrekenen, zoals zij kennelijk heeft gedaan.
Aedificomm moet € 7.441,41 bruto aan wettelijke verhoging betalen
2.2.
Uit artikel 7:625 BW volgt dat Aedificomm de wettelijke verhoging aan [eiseres] moet betalen in geval van te late betaling van het salaris. Die verhoging is gemaximeerd op 50%. De kantonrechter is bevoegd om de verhoging (ambtshalve) te matigen, maar daar ziet zij in deze zaak geen aanleiding voor. Uit niets blijkt dat Aedificomm er gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat zij bedragen met het salaris mocht verrekenen en/of dat zij te laat mocht betalen. De kantonrechter gaat daarom uit van moedwillige niet-volledige en te late betaling. Aedificomm moet dan de maximale wettelijke verhoging betalen.
Aedificomm moet € 5.038,80 netto aan reiskosten betalen
2.3.
Ook deze vordering is niet weersproken. [eiseres] heeft uitgelegd waarom zij recht heeft op een reiskostenvergoeding en gesteld dat zij die niet heeft ontvangen. Zij maakt aanspraak op de vergoeding tot het moment waarop zij ziek werd en zij dus feitelijk niet meer heeft gereisd. Deze vordering wordt toegewezen.
Aedificomm moet incassokosten van € 1.162,47 betalen
2.4.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 1.162,47 toegewezen. Dit bedrag is gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft wel gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren, maar niet gebleken is dat het redelijk was om deze (hogere) kosten te maken. Verder is aan de voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen.
Aedificomm moet rente betalen
2.5.
De rente wordt toegewezen op de manier zoals gevorderd, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en Aedificomm dat niet heeft betwist.
Aedificomm moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van Aedificomm, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Aedificomm aan [eiseres] moet betalen op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 732,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.558,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Aedificomm daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Aedificomm om aan [eiseres] te betalen € 1.173,66 netto aan salaris over oktober 2023 tot en met januari 2025;
3.2.
veroordeelt Aedificomm om aan [eiseres] te betalen € 4.918,02 bruto aan salaris over februari en maart 2025;
3.3.
veroordeelt Aedificomm om aan [eiseres] te betalen € 7.441,41 bruto aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW;
3.4.
veroordeelt Aedificomm om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
de individuele maandbedragen uit de periode oktober 2023 tot en met januari 2025 die door Aedificomm te laat zijn voldaan, steeds vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarop de salarisbetaling betrekking had tot de dag dat volledig is betaald, een en ander volgens het overzicht in randnummer 34 van de dagvaarding van 17 september 2025;
de individuele maandbedragen uit de periode oktober 2023 tot en met maart 2025 die samen de onder 3.1 en 3.2 toegewezen bedragen vormen, steeds berekend over de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarop de salarisbetaling betrekking had, tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
veroordeelt Aedificomm om aan [eiseres] te betalen € 5.038,80 netto aan reiskostenvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.6.
veroordeelt Aedificomm om aan [eiseres] te betalen € 1.162,47 aan buitengerechtelijke kosten;
3.7.
veroordeelt Aedificomm in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.558,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909