De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet. De werknemer was sinds december 2022 in dienst als proces engineer en projectmanager en werd op 10 september 2024 op staande voet ontslagen. De werkgever stelde dat de werknemer in strijd met contractuele afspraken had gehandeld door een contract met een derde partij op eigen naam te sluiten, terwijl dit op naam van de werkgever had moeten gebeuren. Daarnaast werd ongeoorloofde afwezigheid als grond genoemd, maar deze werd door de rechter verworpen.
De kantonrechter stelde dat het ontslag alleen rechtsgeldig kon zijn als de werkgever kon bewijzen dat partijen een afspraak hadden gemaakt over de tenaamstelling van het contract. De werkgever heeft dit niet kunnen aantonen, ondanks het horen van een indirect bestuurder als getuige en het overleggen van producties. De werknemer heeft geloofwaardig verklaard dat een gesprek op 3 september 2024 niet over deze afspraak ging, maar over een vaststellingsovereenkomst.
Omdat de werkgever niet voldeed aan de bewijsopdracht, oordeelde de kantonrechter dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet. De werkgever is daarom veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van €10.996,35 en een gefixeerde schadevergoeding van €13.495,52. Daarnaast moet de werkgever de proceskosten betalen. Het verzoek van de werkgever om een schadevergoeding of boete toe te kennen is afgewezen omdat het ontslag niet geldig was.