ECLI:NL:RBROT:2025:15498

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
10-216418-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor de verlengde uitvoer van 3-CMC en opzettelijk zonder registratie in voorraad hebben van ketamine

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 4 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1996, die beschuldigd werd van het opzettelijk vervoeren van 3-CMC en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. De tenlastelegging omvatte twee hoofdpunten: het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 3-CMC en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. De verdachte werd op 14 juli 2025 in Ridderkerk aangehouden, waar bij een controle in zijn voertuig grote hoeveelheden 3-CMC en ketamine werden aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de (verlengde) uitvoer van 3-CMC, maar dat de uitvoer van ketamine niet bewezen kon worden, omdat de verdachte Nederland nog niet had verlaten. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en verbond hieraan bijzondere voorwaarden om de kans op herhaling te verkleinen. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact van de handel in drugs, en dat de verdachte niet de opdrachtgever was, maar wel bijdroeg aan de illegale handel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-216418-25
Datum uitspraak: 4 november 2025
Datum zitting: 21 oktober 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
gedetineerd in het detentiecentrum [naam detentiecentrum] .
Advocaat van de verdachte: mr. P.K. de Blieck-Willemsen
Officier van justitie: mr. N. Daalder

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij 3-CMC en ketamine vanuit Nederland naar België aan het vervoeren was. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte
1
op of omstreeks 14 juli 2025 te Ridderkerk, althans in Nederland opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet een hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-CMC, zijnde 3-CMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk die 3-CMC in een voertuig vervoerd met de bestemming België;
2
op of omstreeks 14 juli 2025 te Ridderkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten een hoeveelheid ketamine, heeft uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of in voorraad heeft gehad.

2.Geldigheid van de dagvaarding

2.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft nietigheid van de dagvaarding bepleit. De tenlastelegging is namelijk onvoldoende feitelijk vanwege het ontbreken van concrete hoeveelheden.
2.2.
Oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij op 14 juli 2025 te Ridderkerk een hoeveelheid 3-CMC heeft vervoerd met een buitenlandse bestemming en een hoeveelheid ketamine in voorraad heeft gehad. Gelezen in samenhang met het dossier – en in het bijzonder gelet op proces-verbaal [nummer proces-verbaal 2] – en de behandeling van deze beschuldiging op de zitting is het voldoende duidelijk op welke hoeveelheden de tenlastelegging betrekking heeft en waartegen de verdachte zich diende te verweren. Het verweer wordt verworpen. De dagvaarding is geldig.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het uitvoeren van 3-CMC en ketamine. De verdachte dacht dat hij sigaretten zou ophalen in België en wist niet wat zich bevond in de bus die hij bestuurde.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
1
op 14 juli 2025 te Ridderkerk opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid, 3-CMC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk die 3-CMC in een voertuig vervoerd met de bestemming België;
2
op 14 juli 2025 te Ridderkerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk, zonder registratie een werkzame stof, te weten een hoeveelheid ketamine in voorraad heeft gehad.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen bewijsmotivering en op de in hoofdstuk 3 uitgewerkte bewijsmiddelen.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Op 14 juli 2025 bestuurde de verdachte een bus op de snelweg richting België. In Ridderkerk zijn er bij een controle in die bus dozen met grote hoeveelheden 3-CMC en ketamine aangetroffen. De lading 3-CMC en ketamine vertegenwoordigde een straatwaarde van miljoenen euro’s. De vraag is of de verdachte opzet heeft gehad op het vervoeren dan wel in voorraad hebben van die stoffen.
De verdachte heeft verklaard dat hij onder druk is gezet om sigaretten op te halen in België en dat in ruil daarvoor zijn gokschuld van ruim € 50.000,- volledig zou worden weggestreept. De verdachte kreeg voor die klus van een onbekend gebleven persoon een bus tot zijn beschikking. De verdachte heeft verklaard de laadruimte van de bus niet te hebben gecontroleerd. Wel heeft de verdachte die avond vier maal op internet gezocht op termen met betrekking tot grenscontroles in België.
Uit die feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er illegale middelen, zoals drugs, in de bus zouden liggen. Dat zijn hoge schuld als tegenprestatie volledig zou worden vereffend past ook beter bij een transport van veel kostbaarder drugs dan bij het ophalen van sigaretten. Verder blijkt uit het feit dat de verdachte zocht naar mogelijke grenscontroles dat het hem duidelijk was dat hij zich met niet-legale zaken bezig hield. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de (verlengde) uitvoer van 3-CMC en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. Het verweer wordt verworpen. Voor de ketamine geldt ten slotte dat kort gezegd de uitvoer niet bewezen kan worden verklaard omdat de verdachte met de ketamine bij zich Nederland nog niet had verlaten en de Geneesmiddelenwet, anders dan de Opiumwet, geen afzonderlijke strafbaarstelling kent van ‘verlengde uitvoer’ in de vorm van het in Nederland vervoeren met een buitenlandse bestemming.

4.Bewijsmiddelen

1.
Verklaring van de verdachte [1]
Ik had een gokschuld van € 50.000,- à € 60.000,-. De gokschuld kon met het uitvoeren van deze klus worden weggestreept. Ik kreeg van een onbekende man een bus ter beschikking waarmee ik de klus moest uitvoeren. Zodoende bestuurde ik op 14 juli 2025 de bus Ford Transit [kentekennummer] . Ik was onderweg naar België. Ik heb onderweg daar naar toe gezocht op “grenscontrole Belgische grens”.
2.
Proces-verbaal van de politie [2]
Op 14 juli 2025 hebben wij bij tankstation BP Ridderkerk een Ford Transit met het kenteken [kentekennummer] gecontroleerd. De bestuurder bleek [verdachte] te zijn Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] de laadruimte van de bestelbus opende. Wij, verbalisanten, zagen dat in de laadruimte verschillende kartonnen dozen stonden. Later bleken dit 7 grote kartonnen dozen waren en 16 kleinere kartonnen dozen.
3.
Schriftelijk stuk [3]
Onder de verdachte is vanuit de laadruimte van het voertuig een doos in beslag genomen onder het goednummer: [beslagnummer 1] en ook nog 18 dozen onder het goednummer: [beslagnummer 2] .
4.
Onderzoek van de politie [4]
Goednummer [beslagnummer 1] bevat onder meer vacuümzakken met daarin beige kristallijne brokken met een nettogewicht van 5856 gram zijn onder andere de volgende monsters genomen: [SIN-nummer 1] en [SIN-nummer 2] .
Goednummer [beslagnummer 2] betreft 18 dozen met daarin vacuümzakken met daarin wit kristallijn materiaal met een nettogewicht van 343504 gram zijn onder meer de volgende monsters genomen: [SIN-nummer 3] , [SIN-nummer 4] en [SIN-nummer 5] .
5.
Deskundigenverslag [5]
[SIN-nummer 1] en [SIN-nummer 2] bevatten 3-CMC. 3-CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet.
6.
Deskundigenverslag [6]
[SIN-nummer 3] , [SIN-nummer 4] en [SIN-nummer 5] bevatten een mengsel van ketamine HCI.
7.
Deskundigenverslag [7]
De substanties [SIN-nummer 3] , [SIN-nummer 4] en [SIN-nummer 5] bevatten hoofdzakelijk ketamine, zodat zij voldoen aan de omschrijving van het begrip werkzame stof als bedoeld in de Geneesmiddelenwet.
8.
Deskundigenverslag [8]
Aan verdachte is geen registratie verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.
9.
Onderzoek van de politie [9]
Op de internetsite Nationale drugsmonitor vertegenwoordigd 1 gram ketamine
een straatwaarde van € 23,76. Op de internetsite Drugsinfo vertegenwoordigd 1 gram 5.
ketamine een straatwaarde van € 22,30. De totale waarde van de 500 kg ketamine zal liggen tussen de € 11.150.000 en de € 11.800.000.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.
5.2.
Strafbaarheid van de feiten en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de zwangerschap van zijn vriendin, heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest en een groot voorwaardelijk deel.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
6.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft ruim vijf kilo 3-CMC vervoerd richting België en een grote hoeveelheid ketamine in voorraad gehad zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. De straatwaarde hiervan liep in de miljoenen euro’s. 3-CMC is een harddrug. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan onder de Geneesmiddelenwet, maar is vanwege de bijwerkingen als partydrug op de drugsmarkt terecht gekomen. 3-CMC en ketamine zijn verslavende stoffen die bij langdurig en frequent gebruik schadelijk zijn voor de gezondheid. De handel in dergelijke middelen veroorzaakt veel problemen in de maatschappij. De verdachte was niet de opdrachtgever of een grote schakel in een criminele organisatie, maar door zijn gedragingen heeft hij wel een bijdrage geleverd aan het in stand houden van een illegale handel in drugs.
6.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
De verdachte is nog niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
In het rapport van de reclassering van 14 oktober 2025 staat het volgende. Het gevaar op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld. In dat kader is het belangrijk dat de verdachte een vaste structuur heeft door het vinden en behouden van betaald werk. Daarmee kan ook financiële stabiliteit worden verkregen. Het is zinvol dat de verdachte vanuit een justitieel kader aan de slag gaat om de beoogde doelstellingen en stabiliteit te bereiken. De reclassering adviseert daarom aan een op te leggen deels voorwaardelijke straf een aantal voorwaarden te verbinden: een meldplicht bij de reclassering, het vinden van betaald werk, het meewerken aan schuldhulpverlening en een verbod op het deelnemen aan kansspelen.
6.3.3.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten is het opleggen van een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van de duur daarvan is gelet op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De straf die door de verdediging is voorgesteld doet geen recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. De rechtbank wil met de op te leggen straf aan de verdachte en ook aan anderen die zich in een soortgelijke positie verkeren benadrukken dat het aannemen van schimmige klussen niet de juiste manier is om van je schulden af te komen.
Alles overwegende is een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

8.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart de dagvaarding geldig;
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 5 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 36 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
12 maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
1. de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
2. de verdachte zich na uitnodiging van de reclassering bij de reclassering van het Leger des Heils ( [adres 2] [postcode 2] [plaats] ) meldt. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
3. de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;
4. de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
5. de verdachte neemt niet deel aan kansspelen. Indien de reclassering dat nodig vindt, geeft de verdachte inzage in zijn bankafschriften om gokbetalingen te kunnen controleren, laat de verdachte zich inschrijven bij CRUKS2, of overlegt de verdachte over een bewijs van een zogenoemde gokblokkade op zijn rekening (indien zijn bank dit toelaat);
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
6. meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
7. meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 4 november 2025.

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 21 oktober 2025.
2.p. 18 e.v van het eindprocesverbaal [nummer proces-verbaal 1] .
3.Kennisgeving van inbeslagneming, p. 16 - 17 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] .
4.P. 61 - 74 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] .
5.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 78 - 79 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] .
6.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 76 - 77 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] .
7.Rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, p. 88 - 89 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] . De daarbij horende bijlage staat op p. 80.
8.Rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, p. 86 - 87 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] .
9.P. 37 van het eindproces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] .