ECLI:NL:RBROT:2025:15480

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/10/708987 / FA RK 25-8129
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake gezagsbeëindiging van een minderjarige met betrekking tot de Raad voor de Kinderbescherming

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de ouders over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om het gezag van de ouders te beëindigen en de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot voogd te benoemen. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar de situatie is onhoudbaar door fysiek en verbaal geweld tussen hen en middelengebruik. De minderjarige verblijft al geruime tijd bij de oma en de ouders zijn niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is voor zijn welzijn. De rechtbank heeft het verzoek van de Raad toegewezen en de GI benoemd tot voogd over de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708987 / FA RK 25-8129
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. C.P. Timmers, kantoorhoudende in Middelharnis,
[naam vader],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. H.E. Visscher, kantoorhoudende in Papendrecht,
[naam oma],
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de oma,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Op 24 oktober 2025 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de Raad van die datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1];
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 2].
1.3.
De ouders en de oma zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De advocaat van de vader heeft ter zitting aangegeven dat de vader niet heeft gereageerd op haar verzoek om contact op te nemen en dat zij daarom geen standpunt namens de vader kan innemen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
Op 8 februari 2023 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Omdat [minderjarige] toen al bij de oma verbleef, is ook een machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige] bij de oma. Vervolgens is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. Deze is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 8 mei 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing is ook steeds verlengd en geldt ook tot 8 mei 2026.
2.3.
[minderjarige] verblijft de oma.
2.4.
De GI heeft zich bij brief van 29 april 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen, de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. [minderjarige] verblijft al een lange periode bij de oma en zal daar ook verder opgroeien. De situatie tussen de ouders is nog steeds onrustig. Er is veel fysiek en verbaal geweld tussen hen. Er is sprake van een patroon van boosheid bij de vader en van middelengebruik bij de ouders. Door haar middelgebruik is de moeder niet in staat om (gezags-)beslissingen over [minderjarige] te nemen. Verder hebben de ouders moeite om de plaatsing van [minderjarige] bij de oma te accepteren. Dit veroorzaakt veel onrust bij [minderjarige]. [minderjarige] is gebaat bij duidelijkheid. Hij moet weten dat hij kan opgroeien bij de oma. Hoewel het perspectief reeds bij de oma is bepaald, is ook een gezagsbeëindiging noodzakelijk.
4.2.
De GI heeft het verzoek van de Raad ter zitting ondersteund.
4.3.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting primair verzocht om het verzoek af te wijzen en subsidiair om het gezag van de moeder gedeeltelijk te beëindigen. Het is immers fijn als de moeder bij [minderjarige] beperkt betrokken blijft. De moeder heeft aangegeven dat zij geen relatie meer met de vader wil en dat zij meer rust wil creëren.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank kan het gezag van ouders beëindigen als een minderjarig kind zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind binnen een voor het kind aanvaardbare termijn te dragen (artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Beëindiging van het gezag van ouders maakt een inbreuk op hun recht op respect voor hun familie- en gezinsleven (vastgelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden). Dat mag alleen als dat bij de wet is voorzien (zoals in dit geval in artikel 1:266 BW) en als die inbreuk noodzakelijk is ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8 EVRM, waaronder de rechten en vrijheden van anderen. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de ter zitting daarop gegeven toelichting blijkt dat is voldaan aan het criterium genoemd in artikel 1:266 BW. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd en de ouders zijn niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor hem aanvaardbare termijn te dragen. De nu 6-jarige [minderjarige] is op 3-jarige leeftijd bij de oma gaan wonen. [minderjarige] werd in de opvoedsituatie bij de ouders blootgesteld aan fysiek en verbaal geweld tussen de ouders. De politie moest er regelmatig aan te pas komen. Nu, meer dan drie jaar later, is de thuissituatie onveranderd. Ook in de afgelopen periode zijn er meldingen binnengekomen bij de politie. De politie maakt zich al langere tijd ernstige zorgen over de veiligheid van de moeder. Verder is bij de ouders sprake van middelengebruik. De ouders (h)erkennen de zorgen over de opvoedomgeving van [minderjarige] bij hen niet. Zij leggen de oorzaak van de problemen bovendien volledig buiten zichzelf. Zij staan ook niet open voor hulpverlening. Daardoor zijn er geen mogelijkheden om hulpverlening in te zetten en toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders. Het opgroeiperspectief van [minderjarige] ligt bij de oma. Hij ontwikkelt zich daar goed. Wel heeft [minderjarige] last van de onzekerheid over zijn toekomstperspectief. De ouders verzetten zich tegen zijn plaatsing bij de oma. Tijdens het raadsonderzoek hebben zij tegen de Raad gezegd dat zij willen dat [minderjarige] zo snel mogelijk terug naar huis komt. [minderjarige] is soms bezorgd dat hij wordt teruggeplaatst bij de ouders. Daar komt bij dat de ouders niet in staat zijn om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige]. Om duidelijkheid en rust in de opvoedsituatie van [minderjarige] te kunnen creëren en ervoor te kunnen zorgen dat gezagsbeslissingen worden genomen die in het belang van [minderjarige] zijn, is beëindiging van het gezag van de ouders noodzakelijk. Het belang van [minderjarige] daarbij weegt zwaarder dan het belang van de ouders om hun gezag te behouden.
5.3.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de ouders is voldaan. De rechtbank zal het verzoek toewijzen.
5.4.
Door de beëindiging van het gezag van de ouders is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. [1] De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen.
5.5.
De rechtbank zal bepalen dat de ouders aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige]. [2] Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[naam vader], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats 2], en
[naam moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1983 in [geboorteplaats 2], over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1];
6.2.
benoemt
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam
,tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de ouders rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van Dijk, mr. S. Jordaan en mr. drs. H. Biemond, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025, in aanwezigheid van
D. van der Aa als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:276, eerste lid, BW.