ECLI:NL:RBROT:2025:1546
Rechtbank Rotterdam
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Verrekening gerestitueerd bedrag met openstaande vordering bij bijstandsuitkering
Eiser maakte bezwaar tegen een uitkeringsspecificatie van april 2024 waarin een bedrag van €680,07 aan hem werd gerestitueerd en vervolgens verrekend met een openstaande vordering. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en eiser stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de uitkeringsspecificatie niet slechts informatief is, maar een besluit met rechtsgevolg vormt. Het college had een eerdere terugvordering van €1.458,35 vastgesteld wegens te lang verblijf in het buitenland, en een boete van €720,- opgelegd, welke later werd ingetrokken. Het reeds betaalde bedrag van €680,07 werd daarom gerestitueerd en verrekend.
De rechtbank verwierp het verjaringsverweer van eiser, omdat de terugvordering binnen de wettelijke termijn van vijf jaar viel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college mocht het gerestitueerde bedrag van €680,07 verrekenen met de openstaande vordering.