ECLI:NL:RBROT:2025:15430

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
10-140882-24 en 10-325871-23 (gevoegd ttz)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdzaak tegen verdachte voor poging doodslag, vuurwapenbezit en poging straatroof

In deze jeugdzaak is de verdachte, geboren in 2006, op zeventienjarige leeftijd aangeklaagd voor drie ernstige strafbare feiten: poging doodslag, vuurwapenbezit en poging straatroof. De rechtbank Rotterdam heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het steken van [slachtoffer 1] met een mes, wat resulteerde in ernstige verwondingen. Daarnaast heeft hij een vuurwapen en munitie in zijn bezit gehad en geprobeerd een telefoon van [slachtoffer 2] af te nemen, waarbij hij geweld heeft gebruikt tegen meerdere slachtoffers. De officier van justitie heeft een jeugddetentie van 188 dagen geëist, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot deze jeugddetentie, met inachtneming van de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn zwakbegaafdheid en gedragsstoornis. De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke straf, waaronder toezicht door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Tevens zijn er schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waaronder [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummers: 10-140882-24 en 10-325871-23 (gevoegd ttz)
Datum uitspraak: 3 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 19 november 2025.

2.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de verdenking van drie strafbare feiten. Het gaat om:
Parketnummer 10-140882-24
  • feit 1: primair poging tot doodslag van [slachtoffer 1] , subsidiair zware mishandeling, meer subsidiair poging tot zware mishandeling
  • feit 2: vuurwapenbezit
Parketnummer 10-325871-23
- feit 1: poging tot diefstal met geweld tegen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]
De volledige omschrijving is opgenomen in bijlage I.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
- bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 van parketnummer 10-140882-24 en van feit 1 van parketnummer 10-325871-23;
- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 188 dagen met aftrek
van voorarrest, waarvan 100 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 12 november 2025.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Feit 1 primair (poging doodslag) en feit 2 (vuurwapenbezit) onder parketnummer 10-140882-24 zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Wel heeft de verdediging ten aanzien van de tenlastegelegde poging doodslag een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Op dat verweer zal hieronder nader worden ingegaan bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit en de verdachte.
De verdachte heeft ook feit 1 (poging diefstal met geweld) onder parketnummer 10-325871-23 bekend, zij het dat hij ontkent geweld te hebben gebruikt tegen [slachtoffer 4] (de moeder van de beroofde jongen). Gelet op de aangiften van zowel de beroofde jongen, als de vader en de moeder en de verklaring van de huisarts van de moeder, waaruit blijkt dat zij letsel heeft opgelopen komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van de geweldshandelingen ten aanzien van [slachtoffer 4] .
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 (primair) en feit 2 van parketnummer 10-140882-24 en feit 1 van parketnummer 10-325871-23 heeft begaan op die wijze dat:
Parketnummer 10-140882-24
Feit 1hij, op
of omstreeks22 april 2024, te Rotterdam,
althans in Nederlandter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , opzettelijk van het leven te beroven, meermalen
althans eenmaalmet een mes,
althans een scherp en/of puntig voorwerpin
/tegen/ophet hart
en/of de buiken
/ofborst
en/of arm(en) en/of het lichaamvan die [slachtoffer 1] heeft gestoken
en/of geprikt en/of gesneden en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2hij, op
of omstreeks23 april 2024, te Spijkenisse,
gemeente Nissewaard, althans in Nederland,een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een
(omgebouwd alarm
)revolver van het merk
merkBBM, model Olympic 38, kaliber.22 en
/of (daarbij
) (voor dit vuurwapen geschikte
)munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere
althans éénkogelpatro
(o)n
(en
), kaliber .22mm, voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 10-325871-23
hij op
of omstreeks7 december 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer 2] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal
te doen voorafgaan,te doen vergezellen en
/ofte doen volgen van geweld
en/of bedreiging met geweldtegen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- die telefoon heeft vastgepakt en
/ofheeft geprobeerd te trekken uit de handen van die [slachtoffer 2] en
/of- meermalen,
althans eenmaal, (met gebalde vuist
) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] heeft geslagen
en/of gestompten
/of- meermalen,
althans eenmaal, (met gebalde vuist
) op/tegen de borst van die [slachtoffer 3] heeft geslagen
en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
10-140882-24
feit 1 (primair): poging tot doodslag
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
10-325871-23
poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
5.1.
Strafbaarheid
5.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft voor feit 1 primair (poging doodslag) een beroep gedaan op noodweer en verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte gedurende een lange tijd voorafgaand aan het feit is bedreigd door een groep jongens, waar het slachtoffer deel van uitmaakte. De verdachte voelde zich hierdoor onveilig. In de beleving van de verdachte had het slachtoffer zelf ook een wapen bij zich en zocht het slachtoffer de confrontatie in de bus doelbewust op. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en de wijze van verdediging was geboden en noodzakelijk.
5.1.2.
Beoordeling
Noodweer
In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor de door de verdediging aangebrachte verklaring. Er is geen feitelijke grondslag waaruit blijkt dat voor de verdachte sprake was van een dreigende situatie. Dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de steekpartij al geruime tijd werd bedreigd, is uit het dossier en ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat in de bus direct voorafgaand aan de steekpartij sprake was van een acuut of onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding in de zin van artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit de camerabeelden blijkt niet dat de verdachte op agressieve of dreigende wijze werd benaderd door het slachtoffer. De gedraging van de verdachte kan op basis van objectieve omstandigheden daarom niet worden aangemerkt als ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen.
5.1.3.
Conclusie
De door de verdediging gestelde noodweersituatie is niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

6.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces en subsidiair op putatief noodweer.
6.2.
Beoordeling
Noodweerexces
Nu er geen sprake is van een noodweersituatie (zie paragraaf 5.1.), is ook niet voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.
Putatief noodweer
Ook is gelet op het voorgaande (zie paragraaf 5.1.) niet aannemelijk geworden dat de verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen omdat hij zich op verontschuldigbare wijze heeft ingebeeld dat hij zou worden aangevallen. Ook van andere gedragingen die wijzen op hevige angst, vrees of radeloosheid bij de verdachte is niet gebleken. Het verweer op putatief noodweer wordt verworpen.
6.3.
Conclusie
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan drie ernstige strafbare feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer in een bus meermaals met een mes gestoken. Uit de medische verklaring blijkt dat de steekpartij voor het slachtoffer lichamelijk ernstige gevolgen heeft (gehad). Hij is met spoed geopereerd en er moest een steekgat in zijn hartkamer worden gehecht. Het letsel is door de arts als potentieel dodelijk gekwalificeerd. Het steekincident heeft voor het slachtoffer niet alleen lichamelijk, maar ook, zo volgt uit de ingediende schadevordering, mentaal een enorme impact gehad. Uit berichten in de media blijkt dat steeds meer jongeren messen bij zich dragen. Dit komt deels voort uit eerdere geweldsincidenten, waardoor sommige jongeren zich niet meer veilig voelen en een wapen meenemen om zich te kunnen verdedigen, met alle gevolgen van dien. Ook in deze zaak is gebleken dat een mes wordt getrokken en ook daadwerkelijk is gebruikt, zelfs in het openbaar vervoer waar andere reizigers bij waren. Deze ontwikkeling vormt een groot maatschappelijk probleem en zorgt voor veel angst, onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Eén dag na de steekpartij heeft de verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie aangeschaft. Ongecontroleerd bezit van vuurwapens met munitie brengt in het algemeen op zichzelf al een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van een vuurwapen al snel kan leiden tot het gebruik ervan, met alle schadelijke gevolgen van dien.
Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging straatroof. De verdachte heeft van tevoren via marktplaats een afspraak gemaakt met een jongen die zijn telefoon wilde verkopen. De verdachte heeft vervolgens geprobeerd de telefoon af te pakken en, toen dat niet lukte, geweld tegen de jongen gebruikt. Toen de ouders van de jongen erbij kwamen, heeft de verdachte ook tegen hen geweld gebruikt. Daarmee heeft hij geen respect gehad voor de spullen van anderen en voor de lichamelijke integriteit van anderen. Straatroven zijn misdrijven waarvan de impact op slachtoffers groot is en daarnaast draagt een dergelijk feit in het algemeen bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 oktober 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
GZ-psycholoog [persoon A]heeft op 17 juli 2024 een rapport over de verdachte opgemaakt.
Daaruit blijkt het volgende.
  • Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie, matig tot ernstig in ernst en zwakbegaafdheid. De gedragsstoornis en zwakbegaafdheid waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.
  • De psycholoog vindt dat er te veel onduidelijkheden zijn om iets kunnen zeggen over de eventuele mate van doorwerking in de ten laste gelegde feiten.
  • De verdachte heeft minder inzicht in oorzaak-gevolg relaties en meer moeite met het inschatten van risico’s en het reflecteren op zijn gedrag. Dit verhoogt het recidiverisico, dat wordt ingeschat als matig. Beperkte copingvaardigheden, omgang met delinquente leeftijdsgenoten en impulsief gedrag worden als risicoverhogend gezien. Bij minder structuur in het dagelijks functioneren neemt het risico toe.
  • De psycholoog vindt (intensieve) begeleiding en (poliklinische) behandeling aangewezen om de ontwikkeling van de verdachte optimaal te bevorderen en het risico op toekomstig grensoverschrijdend gedrag en recidive te verminderen. Er kan onder andere gewerkt worden aan het verbeteren van de emotieregulatie en copingvaardigheden.
  • De psycholoog vindt een (deels) voorwaardelijke afdoening het meest passend waarbij verplichte begeleiding door de jeugdreclassering nodig is. Behandeling dient voorop te staan, waarbij het opstarten van begeleiding door een coach en het vinden van een stage, bijbaan of sport wenselijk is.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft op 12 november 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Daaruit blijkt het volgende:
- De Raad ziet op diverse domeinen zowel beschermende als risicofactoren die van
invloed zijn op de kans van herhaling van delictgedrag. Vanuit onderhavig
onderzoek is gebleken dat de verdachte zich gehouden heeft aan de schorsende
voorwaarden die waren opgesteld en sindsdien niet meer gerecidiveerd is.
  • Er wordt gekeken naar een passende woonvoorziening en er is dagbesteding en behandeling.
  • Gelet op de uitkomst van het psychologisch onderzoek dient er nadrukkelijk aandacht te zijn voor eventuele overvraging van de verdachte.
  • Vanwege de ernst van de feiten adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.
  • De Raad vindt begeleiding van de jeugdreclassering nodig om de voortgang van het behandeltraject en dagbesteding te monitoren. De Raad vindt dat de jeugdreclasseringsmaatregel uitgevoerd moet worden door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSSJJ). Zij kunnen aansluiten bij de mogelijkheden van de verdachte en de begeleiding daarop afstemmen.
  • Om de kans op recidive te verkleinen is het nodig dat de verdachte blijft meewerken aan de behandeling van Fivoor. Ook is het belangrijk dat de verdachte meewerkt aan het vasthouden van een dagbesteding en aan een begeleid/beschermde woonvorm.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR)heeft op
22 oktober 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Daaruit blijkt het volgende:
  • Sinds april 2025 is de verdachte begeleid gaan wonen bij Mutatiozorg. De eerste twee maanden ging dat goed, maar hij had steeds meer moeite om zich aan de afspraken en huisregels te houden. Mede gezien de cognitieve mogelijkheden van de verdachte zou een beschermde woonvorm passender zijn.
  • Sinds september 2025 volgt de verdachte een traject van negen maanden bij Heilige Boontjes. Er wordt gekeken of reguliere arbeid, school of een combinatie daarvan een optie is, of dat beschut werk passender is.
  • De JBBR adviseert om een deels voorwaardelijke detentie op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Ook worden bijzondere voorwaarden geadviseerd omdat behandeling nodig is om de kans op recidive te verkleinen. Daarnaast is nodig dat de verdachte een dagbesteding heeft en meewerkt aan begeleid/beschermd wonen. Vanwege de vastgestelde zwakbegaafdheid is het van belang dat de jeugdreclasseringsmaatregel door de WSSJJ wordt uitgevoerd.
Ter zitting heeft
jeugdreclasseerder [persoon B]toegelicht dat na het opstellen van het rapport de verdachte door Mutatiozorg uit zijn woning is gezet vanwege ruzie met een medebewoner en het niet nakomen van afspraken. Voorafgaand aan de zitting is de verdachte bij zijn nieuwe woning gaan kijken waar hij tijdelijk – als overbruggingsplek – kan wonen. De begeleiding is op dit moment beperkt en dat is voor hem onvoldoende. De geadviseerde bijzondere voorwaarden moeten gewaarborgd blijven. De begeleiding vanuit de jeugdreclassering is op dit moment goed, maar de WSSJJ is meer gespecialiseerd en biedt meer mogelijkheden voor de verdachte. Eerst moet het traject bij Heilige Boontjes worden afgerond. In de tussentijd wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn qua werk en wonen.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank legt – conform de officier van justitie – een jeugddetentie van 188 dagen op, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd doorgebracht in voorarrest.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf meegewogen dat de verdachte anderhalf jaar in een schorsing heeft gelopen en dat hij zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Ook heeft hij ter zitting openheid van zaken gegeven en berouw getoond. De rechtbank ziet aanleiding om een deel van de voorgenomen straf (100 dagen) voorwaardelijk op te leggen. Daaraan zullen de voorwaarden zoals geadviseerd door Raad worden verbonden. Gelet op de adviezen is het passend om het toezicht op te dragen aan de WSSJJ. De voorwaardelijke straf is ook bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarnaast heeft de rechtbank – net als de officier van justitie – rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, in de zaak met parketnummer 10-325871-23.

8.Vorderingen benadeelde partijen

8.1.
Vordering [slachtoffer 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1] , ter zake van feit 1 van parketnummer 10-140882-24. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 15.655,00 aan materiële schade en een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 817,30 (omdat alleen dit gedeelte van het materiële schadebedrag is onderbouwd) en het immateriële deel te matigen naar maatstaven van billijkheid, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige kan niet-ontvankelijk worden verklaard.
8.1.2.
Standpunt verdediging
Door de verdediging is verzocht om de ‘nader te onderbouwen’ materiële schadepost niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen stukken zijn ingediend. Het gevorderde bedrag van € 817,30 aan materiële schade kan worden toegewezen. Ook is verzocht het immateriële deel toe te wijzen dan wel dit te matigen gelet op wat er in vergelijkbare zaken is toegewezen.
8.1.3.
Beoordeling
Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank acht het deel van de gevorderde materiële schadevergoeding dat ziet op vervanging van de kleding (€ 200,00), daggeldvergoeding (€ 455,00) en taxi- en ziekenhuiskosten (€ 162,30) voldoende onderbouwd. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen. De schadepost van € 15.000 is niet onderbouwd. Dit deel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ook staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Uit de vordering volgt immers dat de benadeelde partij fors lichamelijk letsel heeft opgelopen en meerdere operaties bij zijn hart heeft moeten ondergaan. Daarmee is sprake van een grondslag als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is voldoende komen vast te staan dat het strafbare feit een forse emotionele impact heeft op de benadeelde partij. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 8.500,00. Hierbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal en rekening gehouden met de bedragen die rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 april 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.1.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 9.317,30,
vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.2.
Vordering [slachtoffer 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 2] , ter zake van het tenlastegelegde feit van parketnummer 10-325871-23. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 824,68 aan materiële schade en een bedrag van € 650,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde schade geheel toe te wijzen.
8.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich voor de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de gevorderde immateriële schade is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte zelf ook fysiek is bejegend door de benadeelde partij. Er is dus sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Dat moet et toe leiden dat het schadebedrag op nihil moet worden gesteld dan wel fors moet worden gematigd, aldus de raadsman.
8.2.3.
Beoordeling
Het staat vast dat de verdachte door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade aan de benadeelde partij heeft toegebracht. De kosten voor de kapotte telefoon (€ 824,68) zijn genoegzaam onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Deze schadepost zal daarom worden toegewezen.
Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit ook rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Aan de vordering is een medische informatie van de arts toegevoegd. Gebleken is dat de benadeelde partij fysiek letsel is toegebracht. De schade wordt naar maatstaven van billijkheid vastgesteld op € 300,00. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 december 2023.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.2.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.124,68,
vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.3.
Vordering [slachtoffer 4]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 4] , ter zake van het tenlastegelegde feit van parketnummer 10-325871-23. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 650,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde schade geheel toe te wijzen.
8.3.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Er is geen sprake van een causaal verband. De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 4] heeft geslagen. Bovendien heeft de benadeelde partij de verdachte zelf ook fysiek bejegend. Er is dus sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Dat moet et toe leiden dat het schadebedrag op nihil moet worden gesteld dan wel fors moet worden gematigd, aldus de raadsman.
8.3.3.
Beoordeling
Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Aan de vordering is een medische informatieverstrekking van de arts toegevoegd. Gebleken is dat de benadeelde partij lichamelijk letsel is toegebracht. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,00. Dit bedrag is lager dan is toegewezen aan haar zoon, omdat de straatroof voornamelijk jegens hem is begaan. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 december 2023.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.3.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,00
vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.4.
Vordering [slachtoffer 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 3] , ter zake van het tenlastegelegde feit van parketnummer 10-325871-23. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 650,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.4.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde schade geheel toe te wijzen.
8.4.2.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de benadeelde partij zelf ook geweld heeft gebruikt tegen de verdachte. Er is dus sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Dat moet et toe leiden dat het schadebedrag op nihil moet worden gesteld dan wel fors moet worden gematigd, aldus de raadsman.
8.4.3.
Beoordeling
Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Aan de vordering is een medische informatieverstrekking van de arts toegevoegd. Gebleken is dat de benadeelde partij lichamelijk letsel is toegebracht. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,00. Dit bedrag is lager dan is toegewezen aan zijn zoon, omdat de straatroof voornamelijk jegens zijn zoon is begaan. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 december 2023.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,00
vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 (primair) en feit 2 onder parketnummer 10-140882-24 en feit 1 onder parketnummer 10-325871-23, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 188 (honderdachtentachtig) dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
- bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot
100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
- verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
2 (twee) jaren;
- tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
- stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende een door gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
zich gedurende de proeftijd zal inzetten voor het volgen van onderwijs/dagbesteding volgens rooster;
zal meewerken aan de behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instelling, voor zolang de jeugdreclassering die noodzakelijk acht;
zal meewerken aan de plaatsing bij een begeleid en/of beschermde woonvorm;
  • verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
Vordering [slachtoffer 1]
- veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van
€ 9.317,30 (zegge: negenduizenddriehonderdzeventien euro en dertig cent), bestaande uit € 817,30 aan materiële schade en € 8.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 9.317,30(hoofdsom,
zegge: negenduizenddriehonderdzeventien euro en dertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [slachtoffer 2]
- veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van
1.124,68,
(zegge: duizendhonderdvierentwintig euro en achtenzestig cent), bestaande uit € 824,68 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 1.124,68(hoofdsom,
zegge: duizendhonderdvierentwintig euro en achtenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [slachtoffer 4]
- veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van
€ 100,00 (zegge: honderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 100,00(hoofdsom,
zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Vordering [slachtoffer 3]
- veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van
€ 100,00 (zegge: honderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 100,00(hoofdsom,
(zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M. Stolk, voorzitter,
en mrs. J.S. van den Berge en D.G.J. Roset, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 december 2025.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Parketnummer 10-140882-24
Feit 1hij, op of omstreeks 22 april 2024, te Rotterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , opzettelijk van het leven te beroven, meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen/op het hart en/of de buik en/of borst en/of arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 22 april 2024, te Rotterdam, althans in Nederland aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) perforatie(s) en/of (een) verwonding(en) aan/in/rondom het hart en/of meerdere althans één steekwond(en) in/op de buik en/of arm(en) en/of borst en/of lichaam, heeft toegebracht door meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen/op het hart en/of de buik en/of borst en/of arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 april 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen/op het hart en/of de buik en/of borst en/of arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2hij, op of omstreeks 23 april 2024, te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, althans in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd alarm) revolver van het merk merk BBM, model Olympic 38, kaliber.22 en/of (daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere althans één kogelpatro(o)n(en), kaliber .22mm, voorhanden heeft gehad.
Parketnummer 10-325871-23
hij op of omstreeks 7 december 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- die telefoon heeft vastgepakt en/of heeft geprobeerd te trekken uit de handen van die [slachtoffer 2] en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geslagen en/of gestompt en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) op/tegen de borst van die [slachtoffer 3] heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.