ECLI:NL:RBROT:2025:15423

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
10-220500-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne

Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 4 kilogram cocaïne. De verdachte, geboren in 1999 en gedetineerd, werd bijgestaan door advocaat mr. C.C. Polat. De officier van justitie, mr. H.H. Balk, beschuldigde de verdachte van het afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne, wat een overtreding van de Opiumwet is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 31 juli 2025 te Rotterdam, tezamen met anderen, opzettelijk 4.038 gram cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de verspreiding van harddrugs, wat een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormt. De rechtbank heeft rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn beperkte rol in het strafbare feit. Uiteindelijk werd de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank heeft de straf gebaseerd op de ernst van het feit en de LOVS-orientatiepunten voor soortgelijke zaken.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-220500-25
Datum uitspraak: 9 december 2025
Datum zitting: 9 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in de [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. C.C. Polat
Officier van justitie: mr. H.H. Balk

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij opzettelijk 4.038 gram cocaïne heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
4.038 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het ten laste gelegde feit en heeft daarbij opgemerkt dat er bewijs aanwezig is voor het afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk 4.038 gram cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad.
De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit.
Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
2.3.1.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 31 juli 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
opzettelijk
heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd en aanwezig heeft gehad,
4.038 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de beperkte rol van de verdachte bij het strafbare feit. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de proceshouding van verdachte. Alhoewel er mogelijkheden waren om inhoudelijk verweer te voeren, heeft de verdachte gekozen om verantwoordelijkheid te nemen en een bekennende verklaring af te leggen. Op basis hiervan stelt de raadsman voor een gevangenisstraf van zes maanden op te leggen, dan wel een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft in opdracht van een derde ongeveer vier kilogram cocaïne vervoerd en aanwezig gehad. Als koerier heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan de verspreiding van harddrugs. Harddrugs zijn zeer verslavend en vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Bovendien gaat de handel in harddrugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals gewelddadige delicten en georganiseerde misdaad.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 18 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en kunnen een vertrekpunt vormen bij het bepalen van de straf. Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van vier kilo harddrugs dan wel het vervoeren van vier kilo harddrugs gevangenisstraffen voorgesteld tussen de twaalf en twintig maanden.
De rechtbank houdt als strafverminderende omstandigheid rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat hij een relatief beperkte rol heeft gehad bij het strafbare feit. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte meer heeft gedaan dan het eenmalig, op (naar zeggen van de verdachte: dwingend) verzoek van een ander, vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Daarnaast weegt de rechtbank de open proceshouding van verdachte sterk in zijn voordeel mee. Door op de zitting een bekennende verklaring af te leggen, heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid genomen en inzicht getoond in de verwijtbaarheid van zijn handelen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, passend. Het voorwaardelijke deel van de straf heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 12 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
4 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. W.M. Stolk en P.C. Tuinenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 december 2025.
Mr. Smulders is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.