ECLI:NL:RBROT:2025:15411

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11855104 VZ VERZ 25-5807
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:625 BWArt. 7:629 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever met toekenning transitie- en billijke vergoeding

Werknemer verzoekt ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met werkgever Inkis vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 eindigt, met een transitievergoeding van €23.970,65 en een billijke vergoeding van €10.000 bruto.

De werkgever had de loonbetaling onterecht opgeschort en stopgezet, en onvoldoende gehoor gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om mediation en re-integratie te faciliteren. Inkis heeft de werknemer onnodig onder druk gezet en niet adequaat gereageerd op communicatie via de gemachtigde.

Daarnaast veroordeelt de rechter Inkis tot betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, en bonus vanaf september 2024 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Verzoeken tot betaling van benzinekosten, aandelenuitkering en incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Beide partijen krijgen de mogelijkheid om het ontbindingsverzoek binnen een gestelde termijn in te trekken. Inkis wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.039. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 februari 2026 met toekenning van transitievergoeding, billijke vergoeding en betaling van achterstallig loon aan werknemer wegens ernstig verwijtbaar handelen van werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11855104 VZ VERZ 25-5807
datum uitspraak: 24 december 2025 (BIJ VERVROEGING)
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: Oosterhout,
verzoeker en verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. E.M.T Korff,
tegen
Inkis B.V.,
vestigingsplaats: Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas,
verweerster en verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
vertegenwoordigd door: [naam 1], middellijk bestuurder.
De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘Inkis’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker], met producties;
  • de brief van 15 september 2025 van mr. Korff, met drie aanvullende e-mails;
  • de brief van 25 september 2025 van mr. Korff, met aanvullende stukken;
  • het verweerschrift van Inkis, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;
  • de e-mail van 27 november 2025 van mr. Korff met twee nadere e-mails.
1.2.
Op 9 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [verzoeker] en zijn partner met mr. Korff en namens Inkis [naam 1] en [naam 2], IT consultant. Ter zitting is door/namens beide partijen een pleitnota voorgedragen. Die pleitnota’s zijn overgelegd en maken onderdeel uit van het procesdossier.

2.De zaak in het kort

2.1.
[verzoeker] is op 20 oktober 2014 in dienst getreden bij Inkis. Zijn huidige functie is consultant. Zijn salaris bedraagt € 4.700,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en een bonus van € 1.200,- bruto. In deze zaak verzoekt [verzoeker] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever Inkis. De kantonrechter wijst dat verzoek toe, omdat er omstandigheden zijn die meebrengen dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve na korte tijd behoort te eindigen. Inkis wordt ook veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Inkis. Ook wordt een groot deel van de nevenverzoeken, waaronder betaling van het achterstallig loon, toegewezen. De tegenverzoeken van Inkis worden grotendeels afgewezen. Hierna zullen deze beslissingen worden toegelicht.

3.Het verzoek en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] heeft de kantonrechter, na vermindering van eis, verzocht:
a. de tussen [verzoeker] en Inkis bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de
daarvoor aangevoerde omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst
billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen;
Inkis te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 23.793,65 bruto;
Inkis te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 76.464,- bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;
Inkis bij beschikking te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
Inkis te veroordelen tot het betalen van het achterstallige loon en overige emolumenten, waaronder de achterstallige jaarlijkse vakantiebijslag te betalen in juni 2025, bonus van € 1.200,- bruto per maand en uitbetaling resterende vakantiedagen, uitbetaling benzinekosten door blokkeren tankpas, uitbetaling van de 2% van de aandelen in Inkis Holding B.V, tot de dag dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
Inkis te veroordelen tot betaling en afstorting van alle achterstallige pensioenpremie aan het pensioenfonds c.q. pensioenverzekeraar tot de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
Inkis te veroordelen dat de door [verzoeker] onverschuldigd betaalde en door Inkis verrekende incassokosten ad PM en de leasekosten ad € 636,42 incl. btw per maand, alsmede de kosten boven de 35.000 km ad PM, niet mogen worden verrekend met het loon en niet mogen worden verhaald op [verzoeker];
Inkis te veroordelen tot directe toezending van de juiste en volledig gespecificeerde
loonstroken over het achterstallig loon en overige emolumenten, inclusief de bonus, tot de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
i. Inkis bij beschikking te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] over alle bovenstaande
bedragen de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro van 50%, althans een percentage door de kantonrechter vast te stellen en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
Inkis te veroordelen de beschikking te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking, te vermeerderen met de kosten van betekening als Inkis niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend door de deurwaarder;
Inkis te veroordelen tot een dwangsom van € 1.000,-- netto per dag dat Inkis op één van bovenstaande veroordelingen in gebreke blijft en welke zonder nadere ingebrekestelling per direct opeisbaar is;
Inkis te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de
gemachtigde daaronder begrepen.
3.2.
Inkis verzet zich niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar wel tegen toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Inkis is het ook niet eens met de nevenverzoeken van [verzoeker]. Inkis verzoekt zelf, na vermindering van eis:
voor zover nodig naast de al gevraagde afwijzing van de bonus, te verklaren voor recht dat [verzoeker] vanaf september 2024 geen aanspraak meer heeft op enige bonus;
[verzoeker] te veroordelen tot de terugbetaling van alle door hem veroorzaakte kosten en schade, waaronder de geconstateerde parkeerboete d.d. 28 augustus 2025 en de excessief gemaakte brandstofkosten;
het verzoek van de werknemer inzake de aandelen niet ontvankelijk te verklaren, nu dit een vennootschapsrechtelijke kwestie betreft die niet in deze procedure thuishoort;
het verzoek van [verzoeker] om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren af te wijzen, althans aan een eventuele uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden dat [verzoeker] voorafgaand aan de executie zekerheid stelt (bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie) voor het volledige bedrag van de veroordeling;
[verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief eventuele nakosten;
en voorwaardelijk:
voor het geval het ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt afgewezen of door hem wordt ingetrokken, de arbeidsovereenkomst alsnog te ontbinden op de kortst mogelijke termijn met toepassing van artikel 7:669 lid 3 onder Pro e, dan wel onder g BW, zonder toekenning van een transitievergoeding op grond van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c BW) en zonder toekenning van een billijke vergoeding, nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever.
3.3.
Bij de beoordeling, zal voor zover van belang, worden ingegaan op de stellingen van partijen.

4.De beoordeling

Het verzoek van [verzoeker]
De ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.1.
Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden toegewezen. Bij dit oordeel weegt mee dat het hier om een werknemersverzoek gaat waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat gelet op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze een verzoek van een werknemer in beginsel gehonoreerd dient te worden. Daarbij komt dat Inkis zich niet tegen beëindiging van het dienstverband verzet, zij het zonder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
4.3.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 februari 2026, behoudens het geval dat [verzoeker] gebruik maakt van het hierna te noemen recht om het ontbindingsverzoek in te trekken (artikel 686a lid 6 en 7 BW). Zoals hierna zal worden toegelicht, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker], zodat er ook geen reden is om de arbeidsovereenkomst op een eerder tijdstip te ontbinden.
Toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding?
4.4.
Vervolgens moet worden beoordeeld of er in deze procedure aanleiding is voor toekenning van de verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding. Nu het verzoek is ingediend door [verzoeker] als werknemer, is de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 1 onder Pro b BW slechts verschuldigd als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. Voor toekenning van een billijke vergoeding geldt op grond van artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW dezelfde maatstaf.
Is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Inkis?
4.5.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever zich slechts zal kunnen voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de werkgever grovelijk de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst niet nakomt en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3 pag. 34). Bij de beoordeling of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:63).
4.6.
De kantonrechter komt op basis van de stukken en wat op de zitting naar voren is gebracht tot de conclusie dat Inkis ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Uit het gehele dossier rijst het beeld van een werkgever die voortdurend de bal bij de (zieke) werknemer legt en deze in de kou heeft laten staan. Ter toelichting wordt het volgende overwogen.
Advies bedrijfsarts om mediation te starten is dor Inkis pas na aandringen van [verzoeker] (te laat) opgepakt
4.6.1.
Nadat [verzoeker] zich op 18 september 2024 ziek had gemeld, heeft de bedrijfsarts op 1 oktober 2024 geconcludeerd dat de ervaren beperkingen niet het gevolg zijn van ziekte of gebrek maar dat factoren in de arbeidsrelatie hierin een rol lijken te spelen. Verder heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden waren, maar in de toekomst wel. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om - vanuit de werkgever geïnitieerd - contact te onderhouden en na een rustperiode met elkaar in gesprek te gaan om tot een oplossing te komen waarbij beide partijen zich laten bijstaan door een onafhankelijke derde. Na een volgend bezoek op 14 november 2024 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat sprake is van een pril herstel, maar dat de verstoorde arbeidsverhouding een knelpunt is voor de re-integratie. De bedrijfsarts heeft in zijn verslag geadviseerd de verstoorde arbeidsverhouding met mediation, vóór 2 december, op te pakken en hierbij samen het plan van aanpak re-integratie op te stellen.
4.6.2.
Namens Inkis wordt vóór 2 december 2024 niets gedaan om mediation op te starten. Wel stuurt Inkis [verzoeker] een e-mail op 2 december 2024 waarin [verzoeker] wordt uitgenodigd om een afspraak te maken zodat samen kan worden besproken hoe de re-integratie van [verzoeker] het beste kan worden vormgegeven. Ook in deze e-mail staat niets over mediation. Op 13 december 2024 heeft een gesprek bij [verzoeker] thuis plaatsgevonden. Volgens [verzoeker] heeft de heer Entken hem toen drie opties voorgelegd: re-integratie, ziek blijven of uit elkaar gaan. Zowel tijdens als na het gesprek heeft [verzoeker] aan Inkis kenbaar gemaakt behoefte te hebben aan mediation. Per e-mail van 6 januari 2025 geeft Inkis aan zelf geen conflict te ervaren, maar te erkennen dat [verzoeker] dat anders beleeft en Inkis daarom bereid is de mediation deels te bekostigen. Inkis stelt voor de kosten 50/50 te verdelen. Na protest van [verzoeker], laat Inkis weten de volledige kosten van de mediation op zich te nemen en een mediator te benaderen. Ter zitting heeft de heer Entken verklaard dat hij beoogde [verzoeker] “in zijn kracht te zetten” door vooralsnog niet in te zetten op mediation. Hoe hij dat tegen de hiervoor geschetste achtergrond voor zich zag, is niet duidelijk geworden. Uiteindelijk gaat de mediation op 22 januari 2025 van start, ruim anderhalve maand later dan door de bedrijfsarts geadviseerd.
Inkis biedt geen ruimte voor verder overleg
4.6.3.
Partijen hebben de kantonrechter tijdens de zitting laten weten dat het eindresultaat van de mediation was dat partijen beoogden uit elkaar te gaan. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij daarmee heeft gekozen voor één van drie opties die Inkis hem tijdens het gesprek op 13 december 2024 had voorgehouden. Inkis zou een vaststellingsovereenkomst opstellen. Dit is ook de reden dat de bedrijfsarts na het consult van 12 mei 2025 schrijft:
“(…). Het advies is de uitkomst van de mediation samen uit te werken. In de verwachting dat dit lukt is er geen vervolgafspraak gemaakt.
4.6.4.
Ondanks het verzoek van [verzoeker] op 22 mei 2025 om voor de concretisering van de vervolgstappen contact op te nemen met zijn gemachtigde, stuurt Inkis op 23 mei 2025 een vaststellingovereenkomst rechtstreeks aan [verzoeker]. Nadat de gemachtigde van [verzoeker] dit eerste voorstel had afgewezen (onder meer omdat geen transitievergoeding was aangeboden), wordt door Inkis ineens vol ingezet op re-integratie. Inkis heeft niet eens meer gereageerd op het tegenvoorstel van de gemachtigde van [verzoeker]. Onverklaarbaar is waarom Inkis, tegen de achtergrond van de uitkomst van de mediation, deze route heeft gekozen.
Loonopschorting en loonstop zijn onterecht opgelegd
4.6.5.
Inkis heeft het loon opgeschort met ingang van 20 juni 2025. Op grond van artikel 7:629 lid 6 BW Pro mag de werkgever het loon opschorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.
4.6.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter valt de reden die Inkis aan de opschorting ten grondslag heeft gelegd hier niet onder. De voorschriften als bedoeld in lid 6 kunnen niet tot méér strekken dan het verschaffen van inlichtingen die de werkgever nodig heeft om vast te stellen of de werknemer recht op loondoorbetaling heeft. Dit gaat bijvoorbeeld over het bezoeken van de bedrijfsarts, bereikbaar zijn voor controle en voldoende informatie verschaffen aan de bedrijfsarts. Volgens de e-mail van 20 juni 2025 heeft Inkis aan de opschorting van het loon het volgende ten grondslag gelegd:
“(…) Daarbij merken wij op dat Don tot op heden meerdere verzoeken tot overleg over werkhervatting op basis van de benutbare mogelijkheden van de bedrijfsarts heeft genegeerd. Er is geen enkele actieve inzet of initiatief van zijn kant getoond. Om die reden is het loon met onmiddellijke ingang opgeschort (…)”
4.6.7.
De reden van de opschorting is aldus gelegen in het feit dat [verzoeker] volgens Inkis niet zou hebben gereageerd op verzoeken tot overleg in verband met hervatting van het werk binnen zijn mogelijkheden en ook zelf geen initiatief daartoe heeft genomen. Omdat dit geen grond is op basis waarvan het loon mag worden opgeschort heeft Inkis de loonbetaling ten onrechte opgeschort.
4.6.8.
Inkis heeft het loon stopgezet met ingang van 14 juli 2025. Op grond van artikel 7:629 lid 3 BW Pro mag de werkgever in de daar genoemde gevallen de betaling van het loon stoppen. Bijvoorbeeld als de werknemer het herstel vertraagt, weigert om passend werk te doen of niet meewerkt aan het plan van aanpak. Naar het oordeel van de kantonrechter valt de door Inkis genoemde reden voor de loonstop niet onder een van de in het artikel beschreven situaties. Volgens de e-mail van 14 juli 2025 heeft Inkis aan de loonstop het volgende ten grondslag gelegd:
“(…) Zoals in mijn e-mail van 7 juli 2025 aangekondigd, zou een definitieve loonstop worden toegepast als jij niet uiterlijk op vrijdag 11 juli 2025 om 12:00 uur een concreet, inhoudelijk en onvoorwaardelijk voorstel zou indienen tot werkhervatting binnen jouw benutbare mogelijkheden en binnen onze organisatie. Deze termijn is verstreken zonder dat van jouw kant een dergelijk voorstel is ontvangen.
Wij constateren dat:
• Geen inhoudelijke of concrete invulling is gegeven aan jouw re-integratieverplichting;
• Jijzelf geen initiatief hebt genomen richting de werkgever tot werkhervatting;
• Ondanks de benutbare mogelijkheden zoals vastgesteld door de bedrijfsarts op 27 maart, 12 mei en 30 juni 2025, uitnodigingen tot werkhervatting zijn afgehouden of genegeerd.
Op grond van artikel 7:629 lid 3 BW Pro en gezien het structureel uitblijven van aantoonbare
herstelinspanningen, is per heden, maandag 14 juli 2025, een definitieve loonstop van kracht.
(…)”
4.6.9.
De reden van de loonstop is dus gelegen in de opvatting dat [verzoeker] geen concreet voorstel tot werkhervatting heeft ingediend binnen zijn benutbare mogelijkheden. Omdat dit geen grond is op basis waarvan de betaling van het loon mag worden gestopt heeft Inkis de loonbetaling ten onrechte gestaakt.
4.6.10.
Met het ten onrechte opschorten en vervolgens stoppen van de loonbetaling, heeft Inkis [verzoeker] volstrekt onnodig (verder) onder druk gezet. [verzoeker] heeft bovendien gemotiveerd en onderbouwd betwist dat hij niet bereid was om in gesprek te gaan over re-integratiemogelijkheden. Hij wenste dit, zoals gebruikelijk, in onderling overleg met zijn werkgever te bespreken en wilde samen met zijn werkgever een re-integratieplan opstellen. Inkis heeft ten onrechte het initiatief volledig bij [verzoeker] gelegd. Van Inkis had juist verwacht mogen worden dat zij [verzoeker] zou uitnodigen voor een gesprek om samen een plan van aanpak op te stellen. Daarbij komt dat Inkis er ten onrechte vanuit is gegaan dat [verzoeker] al daadwerkelijk met de re-integratie kon starten. In het advies van 27 maart 2025 staat: “
Inmiddels is er een pril herstel die verder aan stevigheid moet winnen voordat een start van de re-integratie mogelijk wordt”. Eind maart 2025 was dus nog geen sprake van benutbare mogelijkheden. In het advies van 12 mei 2025 staat “
Er is sprake van marginale mogelijkheden”, maar zoals hiervoor onder punt 4.6.3 is overwogen heeft de bedrijfsarts toen geadviseerd om de uitkomst van de mediation samen uit te werken, dus het opstellen van een vaststellingsovereenkomst. Dit wordt in het advies van 30 juni 2025 herhaald. Bovendien wordt in het advies van 30 juni vermeld dat de beperkingen in de afgelopen periode zijn toegenomen. Een advies om te starten met de re-integratie is dus door de bedrijfsarts niet gegeven.
Niet opvolgen advies starten 2e spoor
4.6.11.
De kantonrechter rekent het Inkis verder aan dat zij geen gevolg heeft gegeven aan het advies van de bedrijfsarts van 21 juli 2025 om [verzoeker] te faciliteren werkzaamheden bij een andere werkgever te verrichten. Dit kan niet anders worden opgevat dan om in te zetten op re-integratie in het 2e spoor. In het advies staat namelijk onder het kopje ‘re-integratieadvies en urenopbouw’:
“(…) Er is sprake van situationele arbeidsongeschiktheid.
Vanwege de aanhoudende verstoorde arbeidsverhouding die ondanks de mediation verder escaleert is reïntegratie bij de huidige werkgever niet passend. De reïntegratie leidt tot toename van de klachten en de beperkingen. De heer [verzoeker] is niet duurzaam belastbaar in de huidige of een andere functie bij de huidige werkgever.
Echter vanaf 22 juli acht ik hem volledig arbeidsgeschikt voor ander werk bij een andere werkgever. Het advies is dit vanaf 22 juli voor betrokkene te faciliteren.
(…)”
4.6.12.
Dat in het advies niet letterlijk staat dat (vervroegd) moet worden ingezet op het 2e spoor en dat daarom moet blijven worden ingezet op re-integratie bij Inkis zelf, zoals door Inkis betoogd en waar zij ook naar heeft gehandeld, is gelet op de tekst van dit advies onbegrijpelijk.
4.6.13.
Naast het bovenstaande heeft Inkis [verzoeker] talloze e-mails gestuurd. Een deel van die e-mails kunnen worden aangemerkt als “speldenprikken” in die zin dat [verzoeker] met regelmaat werd geconfronteerd met (meer of minder uitgesproken) verwijten of negatieve opmerkingen aan zijn adres. In diverse e-mails van Inkis vanaf juni 2025 (die rechtstreeks aan [verzoeker] zijn gestuurd ondanks het (herhaalde) verzoek om de communicatie alleen via zijn gemachtigde te laten lopen) wordt aangedrongen op de re-integratieverplichtingen van [verzoeker] waar [verzoeker] volgens Inkis geen invulling aan zou geven. Inkis reageert echter zelf niet op de schriftelijke berichten van de gemachtigde van [verzoeker] waarin staat dat [verzoeker] wel degelijk bereid is om in gesprek te gaan over zijn re-integratie. Inkis belt de gemachtigde ondanks diverse verzoeken ook niet terug. Door zo te handelen wordt de druk op [verzoeker] door Inkis verder opgevoerd.
4.6.14.
Een en ander leidt tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Inkis ten opzichte van [verzoeker], zowel door hem op verschillende manieren langdurig onnodig (ernstig) onder druk te zetten als door niet het gesprek aan te gaan/te vervolgen (met zijn gemachtigde) toen dat wel van haar verwacht mocht worden. Van verwijtbaar handelen van [verzoeker] ten opzichte van Inkis is niet gebleken.
Transitievergoeding
4.7.
Het voorgaande brengt gelet op artikel 7:673 lid 1 sub b onder Pro 2 BW mee dat de door [verzoeker] verzochte transitievergoeding toewijsbaar is. Volgens [verzoeker] bedraagt deze bij een ontbinding per 1 januari 2026 € 23.793,65 bruto. De transitievergoeding zal echter worden vastgesteld op € 23.970,65, bruto omdat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 wordt ontbonden.
4.8.
De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf 1 maart 2026 (artikel 7:686a BW).
Billijke vergoeding
4.9.
Met de vaststelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Inkis is de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671c lid 2 sub b BW gegeven. De hoogte daarvan moet aan de hand van de in het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187 New Hairstyle) geformuleerde gezichtspunten worden begroot. De vergoeding moet aansluiten bij de omstandigheden van het geval. Daarbij speelt onder meer de mate van verwijtbaarheid van de werkgever mee, evenals de lengte van het dienstverband en de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst als de werkgever niet de verstoring daarvan en daarmee de ontbinding had veroorzaakt en de hiermee samenhangende ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Verder dient ook rekening te worden gehouden met de gevolgen van het ontslag en de vraag of de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, maar de billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.
4.9.1.
[verzoeker] verzoekt om Inkis te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 76.464,- bruto, bestaande uit één jaarsalaris, inclusief bonus en vakantietoeslag.
4.9.2.
De kantonrechter stelt de billijke vergoeding vast op € 10.000,- bruto. Bij het vaststellen van de hoogte is in aanmerking genomen dat Inkis ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dat [verzoeker] sinds 2014 bij Inkis werkzaam was en naar verwachting nog zeker één jaar bij Inkis werkzaam zou zijn. Daarnaast is de arbeidsmarktpositie van [verzoeker] in aanmerking genomen. Anders dan [verzoeker] verwacht de kantonrechter gelet op de huidige arbeidsmarkt, de leeftijd van [verzoeker] (35 jaar) en de omstandigheid dat hij arbeidsgeschikt is voor werk bij een andere werkgever dan Inkis, dat de werkloosheidsduur van [verzoeker] niet langer dan één jaar zal zijn. Voorts is bij het vaststellen van de hoogte rekening gehouden met het feit dat [verzoeker] naar verwachting in aanmerking komt voor een WW-uitkering en aanspraak heeft op een transitievergoeding.
4.9.3.
De wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden (1 februari 2026).
Achterstallig loon
4.10.
Omdat Inkis de betaling van het loon ten onrechte vanaf 20 juni 2025 heeft opgeschort en vanaf 14 juli 2025 ten onrechte heeft stopgezet, wordt zij veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon vanaf 20 juni 2025 en overige emolumenten tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
Vakantiebijslag 2025
4.11.
Inkis wordt tevens veroordeeld om de vakantiebijslag die in juni 2025 aan [verzoeker] betaald had moeten worden, alsnog te betalen. Ook dit onderdeel van het loon had Inkis niet mogen opschorten.
Bonus van € 1.200,- per maand
4.12.
Naast het loon ontving [verzoeker] een structurele bonus van € 1.200,- bruto per maand. Inkis heeft per e-mail van 17 september 2024 aan [verzoeker] laten weten dat besloten is om de maandelijkse bonus vanaf september 2024 vooralsnog niet uit te keren. Aanleiding hiervoor was dat [verzoeker] volgens Inkis door meerdere, vermijdbare persoonlijke slordigheden en onverschilligheid schade aan de organisatie van Inkis had toegebracht en [verzoeker] tijdens gesprekken hierover de verantwoordelijkheid volledig buiten zichzelf had gelegd. [verzoeker] heeft de door Inkis beschreven incidenten genuanceerd en bezwaar gemaakt tegen de maatregel.
4.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het volledig stopzetten van de bonus een te zwaar middel. Het gaat om een fors bedrag per maand. Inkis had [verzoeker] eerst moeten waarschuwen en hem de kans moeten bieden om zijn functioneren te verbeteren. Het feit dat de bonus van [verzoeker] in 2021 gedurende twee maanden niet is betaald en vervolgens weer is opgebouwd omdat [verzoeker] destijds niet voldeed aan de verwachtingen, zoals tijdens de zitting is toegelicht, doet daar niet aan af. [verzoeker] ontving de bonus al geruime tijd weer volledig en niet gebleken is dat het functioneren van [verzoeker] al die tijd nog ter discussie stond dan wel dat Inkis hem had aangesproken op zijn houding en/of andersoortig disfunctioneren.
4.14.
Inkis wordt daarom veroordeeld om vanaf september 2024 de bonus van € 1.200,- bruto per maand aan [verzoeker] te betalen tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
Resterende vakantie
4.15.
Bij het eindigen van iedere arbeidsovereenkomst moet de werkgever bij de eindafrekening de resterende vakantiedagen uitbetalen. Dit geldt dus ook voor Inkis.
Benzinekosten
4.16.
[verzoeker] heeft ook verzocht om Inkis te veroordelen tot uitbetaling van de benzinekosten door het blokkeren van de tankpas. Dit verzoek wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om de kosten waarvan hij betaling vraagt nader te specificeren door het overleggen van de bonnen waaruit de benzine kosten blijken. De enkele stelling ter zitting dat het zou gaan om € 50,- per week vanaf 24 juli 2025 is daarvoor een onvoldoende onderbouwing.
Aandelen
4.17.
De verzochte uitbetaling van de 2% van de aandelen in Inkis Holding B.V. zal ook worden afgewezen. De overdracht van de aandelen en de waardebepaling daarvan zal conform de afspraken die zijn gemaakt in de certificeringsovereenkomst moeten plaatsvinden. In deze beschikking kan de kantonrechter daar niet op vooruit lopen.
Pensioenpremie
4.18.
Het verzoek tot betaling en afstorting van alle achterstallige pensioenpremie aan het pensioenfonds dan wel de pensioenverzekeraar tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, wordt als onvoldoende onderbouwd althans bij gebrek aan belang afgewezen. Niet gesteld of gebleken is immers dat sprake is van een achterstand in de betaling en afstorting van de pensioenpremie. Het spreekt overigens voor zich dat Inkis gehouden is zich aan haar verplichtingen uit hoofde van de pensioenovereenkomst te houden.
Verrekende incassokosten
4.19.
Het verzoek om Inkis te veroordelen tot betaling van de verrekende incassokosten “ad PM” wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. [verzoeker] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat Inkis daadwerkelijk incassokosten heeft verrekend (en hoeveel).
Kosten van de lease auto
4.20.
[verzoeker] heeft van Inkis een leaseauto ter beschikking gekregen. [verzoeker] gebruikt de auto ook privé en betaalt daarvoor een bijtelling. Tussen partijen zijn geen afspraken gemaakt over het gebruik van de leaseauto tijdens ziekte.
4.21.
Per e-mail van 6 januari 2025 heeft Inkis aan [verzoeker] voorgesteld om gedurende de periode dat [verzoeker] ziek is om 30% van de leasekosten en 30% van de benzinekosten voor rekening van [verzoeker] te brengen en dit te verrekenen met het salaris. [verzoeker] heeft op 10 januari 2025 met dit voorstel ingestemd. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] door Inkis onder druk is gezet of op andere wijze gedwongen is om met het voorstel in te stemmen. Dat brengt mee dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om Inkis te verbieden vanaf oktober 2024 tot de dag waarop [verzoeker] de leaseauto heeft ingeleverd 30% van de leasekosten en 30% van de benzinekosten te verrekenen met het loon.
Loonstroken verstrekken
4.22.
Op Inkis als werkgever rust de verplichting om aan de werknemer loonstroken te verstrekken. Inkis wordt daarom veroordeeld om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] de juiste en volledig gespecificeerde loonstroken over het achterstallige loon en overige emolumenten, inclusief de bonus, toe te sturen. De nog toekomstige loonstroken moet Inkis verstrekken bij iedere voldoening van het nog te betalen loon.
Wettelijke rente
4.23.
Als een geldsom niet tijdig wordt betaald is daarover wettelijke rente verschuldigd. Inkis zal worden veroordeeld om over het achterstallig loon, de achterstallige maandelijkse bonus en de vakantiebijslag wettelijke rente te betalen tot, zoals verzocht, de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd of zoveel eerder als eerder volledig is betaald.
Wettelijke verhoging
4.24.
Als het loon niet op tijd wordt betaald is de werkgever daarover een verhoging verschuldigd (artikel 7:625 BW Pro). Waar Inkis dacht correct te handelen is gebleken dat zij de plank heeft mis geslagen. In die omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Inkis zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van maximaal 50% over het achterstallige loon, de maandelijkse bonus en de vakantiebijslag.
Termijn om te voldoen aan beschikking en dwangsom
4.25.
De kantonrechter begrijpt de verzoeken onder XII en XIII (j en k) aldus dat [verzoeker] wil dat Inkis wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na de datum van de beschikking aan de veroordelingen te voldoen en daaraan een dwangsom te verbinden. Deze verzoeken worden afgewezen omdat [verzoeker], zoals hierna zal blijken, een termijn voor intrekking krijgt en ook niet voor alle veroordelingen een termijn van 14 dagen mogelijk is. Daarbij komt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. Voorts heeft Inkis te kennen gegeven indien de kantonrechter besluit tot toewijzing van enige verzoek Inkis daaraan vrijwillig en tijdig zal voldoen.
Gelegenheid intrekken verzoek
4.26.
[verzoeker] krijgt de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken, binnen de hierna in 4.39 genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden die lager is dan door hem verzocht (artikel 7:686a lid 6 en 7 BW).
Het tegenverzoek van Inkis (voorwaardelijk indien [verzoeker] zijn ontbindingsverzoek intrekt)
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
4.27.
Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is. In artikel 7:669 lid 3 is Pro nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.
4.28.
Volgens Inkis moet de arbeidsovereenkomst worden ontbonden op de e-grond (verwijtbaar handelen werknemer) dan wel op de g-grond (duurzaam verstoorde arbeidsrelatie) zonder toekenning van enige vergoeding.
4.29.
Hiervoor is in 4.5 tot en met 4.6.14 in het kader van het verzoek van [verzoeker] overwogen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Inkis en dat niet gebleken is van verwijtbaar handelen van [verzoeker] ten opzichte van Inkis. Daarom zal de
arbeidsovereenkomst niet op de e-grond worden ontbonden.
4.30.
De arbeidsovereenkomst zal echter wel worden ontbonden op de g-grond. Partijen zijn het er over eens dat sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat een voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk is en dat herplaatsing niet in de rede ligt.
4.31.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 maart 2026, tenzij Inkis gebruik maakt van het hierna in 4.39 te noemen recht om het ontbindingsverzoek in te trekken (artikel 686a lid 6 BW). Zoals hiervoor is toegelicht, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker], zodat er ook geen reden is om de arbeidsovereenkomst op een eerder tijdstip te ontbinden.
Transitievergoeding
4.32.
Inkis moet aan [verzoeker] een transitievergoeding betalen, omdat zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [verzoeker] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de verstoring van de arbeidsrelatie. Bij een ontbinding per 1 maart 2026 bedraagt de transitievergoeding € 24.147,65.
4.33.
De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 april 2024 (artikel 7:686a BW).
Billijke vergoeding
4.34.
De kantonrechter kent aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe. Een billijke vergoeding kan namelijk worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat is hier het geval, zoals reeds hiervoor onder 4.5 tot en met 4.6.14 is overwogen.
4.35.
De kantonrechter stelt de billijke vergoeding vast op € 10.000,- bruto en verwijst daartoe naar de overwegingen onder 4.9 tot en met 4.9.3.
Overige tegenverzoeken
4.36.
In wat is overwogen in 4.12 tot en met 4.14 ligt besloten dat het verzoek van Inkis om voor recht te verklaren dat [verzoeker] vanaf september 2024 geen aanspraak meer heeft op enige bonus wordt afgewezen.
4.37.
Het verzoek om [verzoeker] te veroordelen de parkeerboete van 28 augustus 2025 te betalen wordt ook afgewezen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [verzoeker] dat hij deze boete heeft veroorzaakt heeft Inkis dit verzoek onvoldoende (concreet) onderbouwd. Daarbij weegt mee dat Inkis de bekeuring zelf niet heeft overgelegd en dat zij pas in deze procedure om betaling vraagt van deze bekeuring. Het verzoek om [verzoeker] te veroordelen tot “de terugbetaling van alle door hem veroorzaakte kosten en schade, waaronder (…) de excessief gemaakte brandstofkosten” wordt afgewezen omdat dit verzoek onvoldoende bepaald is.
4.38.
Omdat het verzoek van [verzoeker] om de 2% van de aandelen in Inkis Holding B.V. die hij bezit uit te betalen wordt afgewezen (zie 4.17) heeft Inkis geen belang meer bij haar verzoek om [verzoeker] in dat verzoek niet ontvankelijk te verklaren. Dit verzoek wordt daarom ook afgewezen.
Termijn intrekken verzoek beide partijen
4.39.
Ook Inkis krijgt de gelegenheid om haar ontbindingsverzoek in te trekken omdat een billijke vergoeding wordt toegekend (artikel 7:686a lid 6 BW). Uit praktische overwegingen kiest de kantonrechter er voor om beide partijen tegelijkertijd in de gelegenheid te stellen om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te trekken.
Proceskosten in het (voorwaardelijk) (tegen)verzoek
4.40.
De proceskosten komen voor rekening van Inkis omdat zij overwegend in het ongelijk wordt gesteld, ook als [verzoeker] het ontbindingsverzoek intrekt. De kantonrechter begroot de kosten die Inkis aan [verzoeker] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.039,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
In het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
4.41.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. Inkis heeft weliswaar verzocht de beschikking niet uitvoerbaar bij vooraard te verklaren of om aan de uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld, maar daarin wordt zij niet gevolgd. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, ook als daartegen een rechtsmiddel wordt ingesteld, zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. De kantonrechter ziet in dit geval geen reden om hiervan af te wijken. [verzoeker] ontvangt al geen loon meer sinds 20 juni 2025. Zijn belang bij het alsnog ontvangen van zijn loon, dat er zoals algemeen bekend toe dient om in het levensonderhoud te voorzien, gaat vóór het beschermen van het financiële belang van Inkis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
stelt
beide partijentot 16 januari 2025 in de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken door een schriftelijke mededeling aan de griffie, onder gelijktijdige toezending van die mededeling aan (de gemachtigde van) de andere partij;
En voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen de termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2026;
5.3.
veroordeelt Inkis om aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 23.970,65 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 1 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
5.4.
veroordeelt Inkis om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 1 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
5.5.
veroordeelt Inkis om aan [verzoeker] bij het einde van de arbeidsovereenkomst zijn resterende vakantiedagen uit te betalen;
En voor het geval [verzoeker] het verzoek binnen de termijn intrekt en Inkis het verzoek niet binnen de termijn intrekt:
5.6.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2026;
5.7.
veroordeelt Inkis om aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 24.147,65 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 1 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
5.8.
veroordeelt Inkis om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 10.000,- bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 1 maart 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
in alle gevallen:
5.9.
veroordeelt Inkis tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallige loon van € 4.700,- bruto per maand en overige emolumenten vanaf 20 juni 2025 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro;
5.10.
veroordeelt Inkis tot betaling aan [verzoeker] van de bonus van € 1.200,- bruto per maand vanaf september 2024 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro;
5.11.
veroordeelt Inkis tot betaling aan [verzoeker] van de vakantiebijslag die in juni 2025 betaald had moeten worden, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro;
5.12.
veroordeelt Inkis tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de in 5.9, 5.10 en 5.11 bedoelde bedragen vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling maar uiterlijk tot de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;
5.13.
veroordeelt Inkis om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] de juiste en volledig gespecificeerde loonstroken over het achterstallige loon en overige emolumenten, inclusief de bonus, toe te sturen;
5.14.
veroordeelt Inkis om de loonstroken over het toekomstige loon aan [verzoeker] te verstrekken bij iedere voldoening van het nog te betalen loon;
5.15.
veroordeelt Inkis in de proceskosten, die aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.039,-;
5.16.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.17.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
754