De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds enige tijd bij haar tante verblijft. De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd en een zitting gehouden waarbij de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig waren. De moeder en tante waren niet aanwezig.
De minderjarige is onder toezicht gesteld tot 20 maart 2026 en verblijft in een netwerkpleeggezin bij haar tante. De GI verzoekt verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, zonder expliciete vermelding van de tante, vanwege zorgen over de haalbaarheid van de plaatsing. De vader stemt in met verlenging mits de plaatsing bij de tante blijft en het perspectiefonderzoek bij hem wordt voortgezet. Hij verzoekt tevens een zorgregeling voor omgang met de minderjarige, maar dit verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege late indiening.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die een zorgelijke en onveilige opvoedsituatie heeft gekend. Het verblijf bij de tante biedt rust en stabiliteit. Het contactherstel tussen de vader en de minderjarige vindt onder begeleiding plaats en zal zorgvuldig worden voortgezet. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.