ECLI:NL:RBROT:2025:15397

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/10/658393 / HA ZA 23-479eindvonnis
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor herstelwerkzaamheden aan slijtringen in gemaal

In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Rotterdam, heeft eiseres Bosman Watermanagement B.V. een vordering ingesteld tegen gedaagden wegens tekortkomingen in de uitvoering van herstelwerkzaamheden aan slijtringen in twee pompen. De rechtbank heeft op 24 december 2025 uitspraak gedaan na een eerder tussenvonnis van 19 maart 2025, waarin een deskundige was benoemd om de kwaliteit van het herstel te beoordelen. De deskundige concludeerde dat gedaagden, ondanks dat de voorgestelde methode adequaat was, niet de juiste voorbehandeling hebben toegepast, wat leidde tot een onjuiste hechting van het materiaal. De rechtbank oordeelde dat gedaagden tekortgeschoten zijn in de nakoming van de overeenkomst en veroordeelde hen tot betaling van herstelkosten van € 83.893,82, rente, incassokosten en beslagkosten. De proceskosten werden eveneens aan gedaagden opgelegd, omdat zij grotendeels ongelijk kregen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/658393 / HA ZA 23-479
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
BOSMAN WATERMANAGMENT B.V.,
vestigingsplaats: Piershil,
eiseres,
advocaat mr. M.A.D. Bol (voorheen: mr. R.V. Ries),
tegen

1..[gedaagde 1] en haar vennoten,

2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
vestigingsplaats/woonplaats: [plaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. L.C.M. de Vos.
Partijen worden hierna Bosman en [gedaagden] (voor alle gedaagden) genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 19 maart 2025 en de daarin genoemde processtukken;
  • het deskundigenbericht van 27 augustus 2025, met bijlagen;
  • de conclusie na deskundigenbericht van Bosman, tevens inhoudende akte overleggen beslagstukken en vermeerdering van eis, met bijlagen;
  • de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] , met bijlage.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In geschil is of [gedaagden] de door Bosman gegeven opdracht om twee slijtringen (die zich bevinden in twee pompen in gemaal Leemans te Den Oever) te herstellen niet goed heeft uitgevoerd en dus is tekortgeschoten in de overeengekomen werkzaamheden en daarom veroordeeld moet worden om de herstelkosten van € 113.226,66 aan Bosman te betalen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 maart 2025 de heer J.L.M. van Montfort tot deskundige benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:
Is het voorstel om de reeds aangebrachte laag Resimac 101 te machineren een adequate oplossing voor de geconstateerde scheefstand? M.a.w. konden de slijtringen op deze wijze adequaat hersteld worden?
Kunt u op basis van de stukken, waaronder de foto’s en het kleine stukje Resimac 101 dat nog beschikbaar is verklaren waarom de laag Resimac 101 vrijwel geheel van de slijtringen is verdwenen? Welke invloed kunnen betongruis en betonresten (grotere stukken van hard materiaal) hebben gehad op dit resultaat?
Heeft [gedaagden] in uw visie de slijtringen goed hersteld?
Indien u van mening bent dat [gedaagden] de slijtringen niet goed heeft hersteld, wat vindt u van de kosten die Bosman in rekening brengt; waren de werkzaamheden noodzakelijk en zijn de kosten redelijk?
Welke opmerkingen acht u voor de beoordeling van deze zaak van belang?
[gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat Bosman met behulp van het deskundigenbericht erin is geslaagd om te bewijzen dat [gedaagden] de slijtringen niet goed heeft hersteld en daardoor is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Hierna wordt toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen.
2.3.
Uit de antwoorden van de deskundige op de vragen 1 ten en met 3 volgt dat de door [gedaagden] voorgestelde wijze van herstel door de reeds aangebrachte laag Resimac 101 te machineren een adequate oplossing is voor het herstellen van de slijtringen. In die zin heeft [gedaagden] dus niets fout gedaan. Maar volgens de deskundige moet de aanhechting aan de ondergrond wel worden gewaarborgd door een juiste voorbehandeling volgens vier aspecten (reinheid, ruwheid, dauwpunt en voldoende snel aanbrengen na voorbehandeling). Hier is het volgens de deskundige fout gegaan, omdat [gedaagden] twee van de vier aspecten niet heeft gerespecteerd (reinheid en ruwheid) door te kiezen voor slijpen in plaats van te kiezen voor stralen. Slijpen is volgens de deskundige geen geschikte voorbehandeling voor aluminiumbrons in deze toepassing. Daarnaast kunnen volgens de deskundige ook de aspecten van te veel tijd tussen de voorbehandeling en het aanbrengen van de laag Resimac een negatieve rol hebben gespeeld bij de hechting, en ook vocht en condensatie tijdens of kort na de applicatie. De deskundige komt daarom tot de conclusie dat de slijtringen niet goed zijn hersteld door [gedaagden] , omdat onvoldoende rekening is gehouden met de eigenschappen van het te herstellen materiaal en minimaal twee van de vier essentiële voorwaarden voor het verkrijgen van voldoende hechting van Resimac aan aluminiumbrons niet zijn gerespecteerd.
2.4.
De rechtbank ziet in wat [gedaagden] tegen het deskundigenbericht heeft aangevoerd, geen reden om het deskundigenbericht niet te volgen. Dat de deskundige geen technisch onderzoek ter plaatse en geen laboratorium onderzoek heeft uitgevoerd, maakt niet dat niet van het deskundigenbericht kan worden uitgegaan. Volgens de deskundige heeft [gedaagden] geen geschikte voorbehandeling gebruikt door te kiezen voor slijpen in plaats van voor stralen. Nu [gedaagden] niet betwist dat zij inderdaad voor slijpen heeft gekozen en de deskundige uitgebreid (met verwijzing naar de ISO-normen voor de reinheidsgraad en het ankerprofiel) heeft toegelicht waarom slijpen volgens hem niet voldoende is, valt niet in te zien waarom een technisch onderzoek ter plaatse of een laboratorium onderzoek nog noodzakelijk is.
2.5.
[gedaagden] heeft voorts haar stelling niet onderbouwd waarom slijpen wel voor voldoende hechting zorgt, terwijl de deskundige in zijn rapport uitgebreid toelicht waarom dat volgens hem niet het geval is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de deskundige hierin niet te volgen.
2.6.
[gedaagden] kan gelet op het voorgaande ook niet worden gevolgd in haar stelling dat zij wel de vier aspecten (reinheid, ruwheid, dauwpunt en voldoende snel aanbrengen na voorbehandeling) voldoende in acht heeft genomen, omdat uit de toelichting van de deskundige voldoende volgt dat zij dat in ieder geval niet heeft gedaan door te kiezen voor slijpen in plaats van stralen. Hierdoor hoeft niet meer te worden ingegaan op wat [gedaagden] verder nog heeft aangevoerd over het wel voldoen aan de andere voorwaarden en over de reden waarom zij niet (meer) kan aantonen dat zij aan alle voorwaarden heeft voldaan.
2.7.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagden] de slijtringen niet goed heeft hersteld. Daarbij weegt ook mee dat de conclusies van de deskundige worden ondersteund in de door Bosman overgelegde stukken. Zo volgt uit een bericht van Mechempro van 8 februari 2022 (productie 7 van Bosman) dat de ondergrond gestraald moet worden om voldoende hechting te krijgen. De producent van Resimac heeft voorts ook aangegeven dat het onthechten van de Resimac is veroorzaakt door een niet correcte voorbehandeling (productie 10 van Bosman).
Er is een causaal verband
2.8.
[gedaagden] kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de oorzaak van de schade nog steeds niet vast staat. Volgens [gedaagden] volgt uit het onderzoek van de deskundige dat de schade ook kan zijn ontstaan door hard materiaal tussen de waaier en de wand (zoals betonstukken en betongruis). De rechtbank kan [gedaagden] hierin echter niet volgen. De deskundige overweegt namelijk dat de aanwezigheid van betongruis een plausibele verklaring vormt voor lokale krassporen, maar dat het technisch is uitgesloten dat dit de oorzaak is geweest van de vrijwel volledige onthechting van de Resimac-laag. Hiervoor is een systematisch hechtingsprobleem noodzakelijk. De deskundige is van mening dat een dergelijke belasting niet heeft geleid tot het volledig loskomen van de Resimac laag over vrijwel de gehele oppervlak. Volgens de deskundige kunnen betongruis en betonresten dus geen invloed hebben gehad op het volledig loskomen van de Resimaclaag, maar kan het slechts een secundaire factor zijn geweest. Dat de oorzaak van de schade ook kan zijn ontstaan doordat de waaier niet goed is teruggeplaatst door Bosman, is door Bosman betwist en vervolgens door [gedaagden] onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan ook voorbij wordt gegaan. [gedaagden] kan daarom niet worden gevolgd in haar stelling dat de oorzaak van de schade nog steeds niet vast staat en het causaal verband dus ontbreekt.
De tekortkoming kan [gedaagden] worden toegerekend
2.9.
[gedaagden] kan evenmin gevolgd worden in haar stelling dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend, omdat Bosman zelf vanwege tijdsdruk niet voor de werkwijze van ‘inkameren’ heeft gekozen welke minder risico’s met zich meebracht. De deskundige heeft namelijk in reactie op vraag 1 geconcludeerd dat het voorstel om de reeds aangebrachte laag Resimac 101 te machineren een adequate oplossing is voor het herstellen van de slijtringen en [gedaagden] dus in zoverre niets fout heeft gedaan. [gedaagden] heeft deze werkwijze echter niet op de juiste manier uitgevoerd, waardoor de tekortkoming haar dus wel kan worden toegerekend.
Bosman maakt terecht aanspraak op vervangende schadevergoeding
2.10.
[gedaagden] is gelet op het voorgaande tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Bosman maakt terecht aanspraak op vervangende schadevergoeding [1] . [gedaagden] is immers in verzuim, omdat het standpunt van [gedaagden] dat geen sprake kan zijn van verzuim omdat zij niet is tekort geschoten, gelet op het voorgaande niet op gaat. [gedaagden] heeft voorts niet betwist dat zij niet over wilde gaan tot herstel, ook niet na de brief van Bosman van 15 maart 2022. In deze laatstgenoemde brief heeft Bosman aanspraak gemaakt op schadevergoeding in plaats van nakoming, zodat voldaan is aan de voorwaarden voor vervangende schadevergoeding.
[gedaagden] moet € 83.893,82 aan Bosman betalen
2.11.
Bosman vordert een bedrag aan herstelkosten van € 113.226,66. De rechtbank heeft de deskundige gevraagd om zich uit te laten over de hoogte hierna, omdat het bedrag door [gedaagden] is betwist. De deskundige vindt de kosten die Bosman voor de projectleiding specificeert aanzienlijk hoger dan gebruikelijk, waardoor hij deze kosten begroot op maximaal € 4.493,72 in plaats van € 33.826,56. De kosten gemaakt door [persoon A] van in totaal € 33.062,68 zijn volgens de deskundige na een nadere toelichting door Bosman voldoende gespecificeerd en in redelijkheid verklaarbaar. De overige kosten zijn naar het oordeel van de deskundige redelijk. De rechtbank ziet in wat partijen hebben aangevoerd geen redenen om de deskundige niet te volgen in zijn standpunt over de door Bosman gevorderde herstelkosten. De rechtbank zal daarom de herstelkosten begroten op € 83.893,82 en [gedaagden] veroordelen om dit bedrag aan Bosman te betalen.
[gedaagden] moet rente betalen
2.12.
De rente wordt toegewezen, omdat Bosman voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagden] dat niet heeft betwist.
[gedaagden] moet incassokosten van € 1.613,94 betalen
2.13.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 1.613,94 toegewezen. Dit is het bedrag waarop Bosman op basis van het toegewezen bedrag aan hoofdsom recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagden] moet de beslagkosten betalen
2.14.
Bosman heeft bij conclusie na deskundigenbericht, tevens akte overleggen beslagstukken en vermeerdering van eis, haar eis vermeerderd met de beslagkosten. Zij heeft namelijk op 30 december 2024 beslag gelegd op de woning van [gedaagden] . Dit beslag is inmiddels opgeheven en er staat een bedrag in depot bij de notaris. [gedaagden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering.
2.15.
[gedaagden] wordt veroordeeld om de beslagkosten te betalen, omdat gelet op wat hiervoor is overwogen het beslag niet nietig, onnodig of onrechtmatig is. De beslagkosten worden toegewezen tot een bedrag van € 1.623,52 (€ 688,- aan griffierecht, € 554,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 554,-) en € 381,52 aan deurwaarderskosten).
[gedaagden] moet de proceskosten betalen
2.16.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De rechtbank begroot de kosten die [gedaagden] aan Bosman moet betalen op € 110,62 aan dagvaardingskosten, € 2.837,- aan griffierecht, € 3.097,60 aan kosten deskundigenbericht, € 3.642,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 1.214,-) en € 178,- aan nakosten. Dat is in totaal € 9.865,22. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De hoogte van het toegewezen bedrag aan griffierecht past bij het deel van de eis dat is toegewezen. Het bedrag dat Bosman meer aan griffierecht heeft betaald hoeft [gedaagden] niet te betalen, omdat dat is gebaseerd op het deel van de eis dat is afgewezen. Die kosten waren dus onnodig.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.17.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Bosman dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Bosman te betalen € 83.893,82 aan hoofdsom met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 14 november 2022 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Bosman te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.613,94;
3.3.
veroordeelt [gedaagden] om aan Bosman te betalen € 1.623,52 aan beslagkosten;
3.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Bosman worden begroot op € 9.865,22;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
3120

Voetnoten

1.Artikel 6:87 lid 1 BW.