Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 februari 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 7 maart 2024;
- het bericht van de vrouw van 20 maart 2024;
- het bericht van de man van 4 april 2024;
- het bericht van de vrouw van 26 april 2024;
- het bericht van de vrouw van 21 juni 2024;
- het bericht van de vrouw van 30 augustus 2024;
- het bericht van de man van 25 oktober 2024;
- het bericht van de vrouw van 25 oktober 2024;
- het bericht van de man van 30 januari 2025;
- het bericht van de vrouw van 31 januari 2025;
- het bericht met bijlagen van de man van 12 november 2025;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 13 november 2025, tevens houdende aanvullende verzoeken.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.De vaststaande feiten
- bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarigen aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mochten zijn;
- het bedrag dat de man met ingang van 1 augustus 2024 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaald op € 148,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen;
- opgenomen de onderlinge regeling die partijen over de regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen, te weten dat de minderjarigen bij de man zijn:
1 september 2024 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten omtrent de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke wijze volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.
3.De beoordeling
- herfstvakantie: even jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man; oneven jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw;
- kerstvakantie: even jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw; oneven jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man;
- Kerstdagen en Oud & Nieuw: even jaren: Eerste Kerstdag bij de man, Tweede
- Vaderdag altijd bij de man, Moederdag altijd bij de vrouw;
- Koningsdag, Sinterklaas en alle verjaardagen: volgens reguliere regeling tenzij in
€ 200,- per maand af. De man verwacht deze schuld te hebben afgelost per 1 mei 2026. De man verzoekt bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met zijn aflossingsverplichtingen.
31 maart 2026. Dit biedt de man naar het oordeel van de rechtbank de beste mogelijkheid om financieel op orde te komen, wat in het belang van de minderjarigen wordt geacht.
€ 574,- per maand.
€ 238 - € 189 = € 49. Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 574 - € 49 = € 525. De aan de man op te leggen bijdrage wordt in deze periode dus: € 525,- per maand.
- van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 van € 121,- per maand per kind;
- met ingang van 1 april 2026 van € 175,- per maand per kind;
4.De beslissing
- de man heeft de minderjarigen volgens de voorlopige voorzieningen om de week op donderdag van 14.00 uur tot maandag 8.30 uur, waartoe de man de minderjarigen op vrijdag van school ophaalt en op maandag naar school brengt;
- de verdeling van de vakantie- en feestdagen, zoals omschreven onder 3.3.6;
- met ingang van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 € 121,- per maand per kind;
- met ingang van 1 april 2026 van € 175,- per maand per kind;