3.5.Onderhoudsbijdrage
3.5.1.Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
3.5.2.Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
3.5.3.De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 212,- per maand per kind vast te stellen.
3.5.4.In haar brief van 13 november 2025 verzoekt de vrouw aanvullend een kinderbijdrage vast te stellen van € 193,- per kind per maand vanaf 1 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2026.
3.5.5.De man voert gemotiveerd verweer.
3.5.6.Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.5.7.De man verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 1 januari 2026, zal worden vastgesteld.
De behoefte
3.5.8.Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) € 952,- per maand bedraagt.
3.5.9.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.5.10.Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
3.5.11.De vrouw is de verzorgende ouder die een uitkering op grond van de Participatiewet naar de norm van een alleenstaande (al dan niet samen met een kindgebonden budget) ontvangt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij weliswaar in een traject voor begeleiding naar werk zit, maar dat op dit moment nog onduidelijk is wanneer dat zal starten en wat dat betekent voor haar inkomen. Ook zal zij eerst nog een taalexamen moeten halen. De rechtbank acht het niet reëel om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit.
3.5.12.Omdat de vrouw de verzorgende ouder is, wordt gelet op de aanbevelingen in het rapport geen draagkracht aangenomen.
3.5.13.De vrouw gaat in haar berekening (productie 16) uit van het inkomen van de man van € 50.725,- bruto per jaar, uitgaande van het ‘loon vorig jaar’ op de salarisstrook van de man van augustus 2025. Dit betreft het SV-loon van de man uit 2024. Zij gaat er vanuit dat het inkomen van de man in 2025 vergelijkbaar is als in 2024. De vrouw berekent het NBI van de man op € 3.259,- per maand.
3.5.14.De man gaat in zijn berekening (productie 13) uit van het maandsalaris zoals vermeld op de salarisstrook van oktober 2025. Hij betwist dat zijn salaris in 2025 vergelijkbaar is met 2024. Bij de voorlopige voorzieningen heeft de man een ruime zorgregeling gekregen, waarop hij zijn werkrooster heeft aangepast. Op de dagen dat hij de minderjarigen heeft, kan hij niet langer werken en is er dus sprake van minder inkomsten uit overwerk. De man berekent zijn NBI op € 3.099,- per maand.
3.5.15.De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van het salaris zoals door de man berekend op basis van zijn recente salarisstroken, omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie waarin de man zijn werkrooster heeft aangepast aan de zorg voor de minderjarigen. De man is in zijn berekening uitgegaan van de volgende gegevens:
- basisloon € 3.903,- per maand;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 260,- per maand;
- aanvullende pensioenpremie € 49,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Deze berekening is conform de inkomensgegevens uit de salarisstrook van oktober 2025 en komt de rechtbank juist voor. De rechtbank gaat uit van een NBI van € 3.099,- per maand in 2025.
3.5.16.De draagkracht van de man moet, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)].
Aanmerkelijk hogere woonlasten, niet vermijdbaar en niet verwijtbaar
3.5.17.De man stelt dat het berekende woonbudget ontoereikend is, omdat zijn werkelijke woonlasten hoger zijn dan 30% van het NBI, deze lasten niet vermijdbaar zijn en het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Naast zijn eigen woonlasten van € 920,- per maand voldoet de man de eigenaarslasten van de echtelijke woning: de waterschapsbelasting van € 222,81 per jaar en de afvalstoffenheffing van € 365,10 per jaar. De man berekent zijn werkelijke woonlast op € 969,- per maand en verzoekt met dit bedrag rekening te houden. De man heeft dat onderbouwd met bewijstukken en de vrouw heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.
3.5.18.De rechtbank zal daarom rekening houden met de werkelijke woonlasten door in de formule een last op te nemen van € 969,- in plaats de forfaitaire woonlast (30% van het NBI).
3.5.19.De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van schulden, te weten de schuld aan de Belastingdienst in verband met teveel ontvangen toeslagen, en de lening in verband met de advocaatkosten die hij moet voldoen. Er is sprake van een schuld aan de Belastingdienst in verband met teveel ontvangen toeslagen. De man lost maandelijks met een bedrag van € 70,- af op deze schuld. Deze schuld zal per 1 april 2026 zijn afgelost.
De man komt niet in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand. Er is geen spaargeld of ander vermogen waarmee hij de advocaatkosten kan voldoen. De man heeft een lening moeten afsluiten om de advocaatkosten te kunnen voldoen. Op deze lening lost de man
€ 200,- per maand af. De man verwacht deze schuld te hebben afgelost per 1 mei 2026. De man verzoekt bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met zijn aflossingsverplichtingen.
3.5.20.De vrouw heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat de man deze aflossingen voor zijn rekening neemt en dat het gaat om lasten die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn.
3.5.21.De rechtbank neemt bij de beoordeling in aanmerking dat de financiële verantwoordelijkheid van het gezin tijdens het huwelijk en ook nu grotendeels bij de man komen te liggen, door het aanzienlijke verschil in inkomen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat hij in een financieel lastige situatie terecht is gekomen sinds partijen uit elkaar zijn. Hij heeft een woning moeten huren met een in verhouding hoge huur, draagt een deel van de woonlasten van de vrouw en de schuld (van partijen) aan de Belastingdienst komt voor zijn rekening. Om zijn advocaatkosten te kunnen bekostigen heeft de man een lening moeten treffen. Feit is dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en de man met zijn inkomen niet volledig kan voorzien in de behoefte van de minderjarigen, waardoor er – na voldoening van de schulden - een tekort aan draagkracht is die groter is dan de zorgkorting die hij heeft. De rechtbank acht het in deze situatie, waarin de kosten voor het gezin verhoudingsgewijs meer bij de man is komen te liggen, redelijk en billijk om voor een kortere periode rekening te houden met een hogere aflossingsverplichting. De rechtbank zal rekening houden met een aflossingsverplichting van € 300,- per maand voor de periode 1 januari 2026 tot en met
31 maart 2026. Dit biedt de man naar het oordeel van de rechtbank de beste mogelijkheid om financieel op orde te komen, wat in het belang van de minderjarigen wordt geacht.
3.5.22.Vanaf 1 april 2026 zal de rechtbank geen rekening houden met deze schulden.
Periode 1: januari 2026 tot en met 31 maart 2026
3.5.23.De rechtbank zal daarom, volgens het verzoek van de man, rekening houden met deze betalingsverplichtingen in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de huwelijkse schulden van maandelijks € 300,-. In de periode van januari 2026 tot en met 31 maart 2026 houdt de rechtbank rekening met de werkelijke woonlast en de aflossing van schulden. De draagkracht van de man bedraagt in die periode 70% x [€ 3.099 – (€ 969 + € 1.310 + € 300)] = € 364,- per maand.
Periode 2: met ingang van 1 april 2026
3.5.24.Met ingang van 1 april 2026 houdt de rechtbank geen rekening meer met aflossing van schulden. Wel houdt de rechtbank rekening met de werkelijke woonlasten van de man.
De draagkracht van de man bedraagt in die periode 70% x [€ 3.099 – (€ 969 + € 1.310)] =
€ 574,- per maand.
3.5.25.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.
3.5.26.De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 30%. De vrouw voert verweer.
3.5.27.Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld twee dagen per week (2,15) de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.
3.5.28.Omdat de behoefte van de minderjarigen € 952,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 238,- per maand.
Periode 1: januari 2026 tot en met 31 maart 2026
3.5.29.Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. In de eerste periode is de draagkracht van de man € 364,- per maand en is het tekort aan draagkracht € 952-364 = € 588,- per maand. Omdat de helft van dit tekort (€ 294) hoger is dan de zorgkorting van € 238,- kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage. De aan de man op te leggen bijdrage wordt in deze periode dus beperkt tot zijn draagkracht van € 364,- per maand.
Periode 2: vanaf 1 april 2026
3.5.30.Vanaf 1 april 2026 heeft de man een draagkracht van € 574,- per maand. Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt [952-574=] € 378,-, zodat de helft daarvan is € 189,- per maand. Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 238,-, zodat resteert
€ 238 - € 189 = € 49. Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 574 - € 49 = € 525. De aan de man op te leggen bijdrage wordt in deze periode dus: € 525,- per maand.
3.5.31.Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van:
- van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 van € 121,- per maand per kind;
- met ingang van 1 april 2026 van € 175,- per maand per kind;
in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.5.32.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.