ECLI:NL:RBROT:2025:15395

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/10/696954 / FA RK 25-2455
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag en omgangsregeling wegens onbekende verblijfplaats van de man

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 11 december 2025 een beschikking gegeven over het gezamenlijk ouderlijk gezag en de omgangsregeling van twee minderjarigen. De vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. M. de Bluts, verzocht om beëindiging van het gezamenlijk gezag, omdat de man zich bijna twee jaar geleden heeft laten uitschrijven uit het bevolkingsregister en niet reageert op communicatie. De man is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, ondanks dat hij daartoe was opgeroepen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk van partijen op 22 januari 2024 is ontbonden en dat de minderjarigen onder het gezamenlijk gezag van beide ouders stonden. De rechtbank oordeelde dat de man zijn verplichtingen niet nakomt en dat er geen communicatie tussen de ouders plaatsvindt. Dit leidt tot de conclusie dat het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen beëindigd moet worden. De rechtbank heeft daarom besloten dat het gezag voortaan alleen aan de vrouw toekomt.

Daarnaast heeft de vrouw verzocht om ontzegging van de omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man de eerder vastgestelde zorgregeling niet nakomt en dat zijn gedrag in strijd is met de belangen van de kinderen. De rechtbank heeft daarom besloten om de omgang met de man voor onbepaalde tijd te ontzeggen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696954 / FA RK 25-2455
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak op 11 december 2025 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling)
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat mr. M. de Bluts te Zoetermeer,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2025;
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De man is door de rechtbank zowel openbaar opgeroepen als ook via zijn emailadres: mailto: [e-mailadres]

2.De vaststaande feiten

2.1.
Het huwelijk van partijen is op 22 januari 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 juli 2023 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is – voor zover thans van belang – bepaald:
  • dat de minderjarigen in het kader van de zorgregeling bij de man zijn als volgt.
  • dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 150,-- per maand per kind.
2.3.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] .
2.4.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.5.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Gezag
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt.
3.1.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.1.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als een van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.1.4.
Zoals in artikel 1:247 BW, eerste lid, staat omschreven, omvat ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. In de overige leden van dit artikel wordt nader omschreven welke bevoegdheden en taken een ouder met gezag heeft. Om daadwerkelijk invulling te kunnen geven aan deze bevoegdheden en taken, dient naar het oordeel van de rechtbank een ouder met gezag in beginsel in enige mate betrokken te zijn in het leven van het kind, bekend te zijn met zijn ontwikkeling en te weten wat er in hem omgaat en in zijn leven speelt. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het onderhavige geval de minimaal noodzakelijke basis voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De man heeft zich zonder mededeling aan de vrouw en verdere opgaaf van redenen in maart 2024 laten uitschrijven bij de gemeente. Waar de man verblijft is de vrouw niet bekend. Het enige contactmiddel dat de vrouw heeft is een e-mailadres van de man waarop de man niet of nauwelijks reageert. Er is tussen partijen geen noemenswaardige communicatie. De man heeft sinds maart 2024 geen feitelijke invulling gegeven aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat hierin binnen afzienbare termijn verandering zal komen. Op basis van het vorengaande is de rechtbank, met de raad, van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De rechtbank zal dan ook het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigen en bepalen dat voortaan alleen aan de vrouw het gezag over de minderjarigen toekomt.
3.2.
Zorgregeling dan wel omgangsregeling
3.2.1.
Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de vrouw alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen, wordt hierna gesproken over de omgangsregeling.
3.2.2.
De vrouw verzoekt te bepalen dat er geen omgangregeling meer van kracht is tussen de man en de minderjarigen.
3.2.3.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.2.4.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.2.5.
Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is door de vrouw naar voren gebracht dat de man al geruime tijd uit beeld is en hij de eerder door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet nakomt. Op de momenten dat de man – op een door hem eenzijdig bepaald moment – de minderjarigen wenst zien, dwingt hij de omgang bij de vrouw af onder verwijzing naar de beschikking van 28 juli 2023. De man gebruikt de eerder vastgestelde zorgregeling alleen om de vrouw onder druk te zetten. Dit handelen van de man acht de rechtbank in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen.
Met de raad ziet de rechtbank in deze situatie geen ruimte voor omgang tussen de man en de minderjarigen.
3.2.6.
De omgang zal ontzegd worden voor onbepaalde tijd. Daarbij merkt de rechtbank op dat elke afwijzing van een verzoek tot omgang tijdelijk van aard is, in die zin dat de man in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar een verzoek kan indienen bij de rechter om een omgangsregeling te doen vaststellen.
3.2.7.
De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat dit verzoek niet is weersproken en niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen de verzochte regeling verzet.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan de vrouw toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
ontzegt de man het recht op omgang met de minderjarigen voor onbepaalde tijd, een en ander onder gelijktijdige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2023 op dit punt;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, in aanwezigheid van P. Mansveld-Spierings, griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2025 .
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.