ECLI:NL:RBROT:2025:15393

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/10/673047 / FA RK 24-825
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake kinderalimentatie en zorgregeling met betrekking tot minderjarige kinderen

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 18 december 2025, wordt een beslissing genomen over de kinderalimentatie en de zorgregeling voor de minderjarige [voornaam minderjarige 1]. De vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. G.M.H. Vriesde, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De man, vertegenwoordigd door mr. N. Schuerman, heeft de hoogte van de kinderalimentatie betwist. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door haar gestelde mondelinge afspraak over de hoogte van de kinderalimentatie. De rechtbank heeft de alimentatieplicht van de man vastgesteld op € 194,- per maand, ingaande op 31 januari 2024, en deze zal jaarlijks worden geïndexeerd. Daarnaast is er een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige wekelijks op zondag bij de man verblijft van 10.00 uur tot 18.00 uur. De rechtbank heeft partijen de mogelijkheid geboden om deel te nemen aan een hulpverleningstraject om de onderlinge communicatie te verbeteren. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is een pro forma aanhouding van de zaak tot 1 juli 2026.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/673047 / FA RK 24-825
Beschikking van 18 december 2025 over de onderhoudsbijdrage en de zorgregeling
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende (briefadres) te [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
mr. M.F.A. van Pelt, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 januari 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 9 april 2025;
  • de beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2024, waarbij mr. Van Pelt is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;
  • het bericht van de bijzonder curator van 30 augustus 2024;
- het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 28 oktober 2024;
  • het gewijzigd verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 november 2025;
  • de berichten van de man van 14 november 2024, 3 november 2025, 13 november 2025 (met bijlagen) en 19 november 2025 (met bijlage);
  • de berichten van de vrouw van 15 februari 2024 (met bijlage), 12 november 2024 en 18 november 2025 (met bijlage).
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
De vrouw is de moeder van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] , hierna ook: [voornaam minderjarige 1] .
2.2.
De man is de verwekker van de minderjarige.
2.3.
De vrouw is belast met het gezag over de minderjarige.
2.4.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.5.
De man is de vader van nog een minderjarig kind geboren uit een andere relatie: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023, hierna ook: [voornaam minderjarige 2] .

3.De beoordeling

3.1.
Ingetrokken verzoeken
3.1.1.
De man heeft de verzoeken ten aanzien van de vervangende toestemming erkenning en het ouderlijk gezag bij bericht van 3 november 2025 ingetrokken. De rechtbank zal de verzoeken afwijzen.
3.1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. De rechtbank zal op die manier beslissen.
3.2.
Omgangsregeling
3.2.1.
De man verzoekt navolgende omgangsregeling vast te stellen;
De minderjarige verblijft om de week vanaf vrijdag 16 uur tot zondag 16 uur bij de man en wekelijks op woensdag van 16 uur tot 19 uur waarbij de minderjarige bij de man eet en klaargemaakt wordt om naar bed te gaan.
De minderjarige verblijft bij de man ingevolge de navolgende vakantieregeling:
Even jaar: herfstvakantie; krokusvakantie; eerste week kerstvakantie; eerste week meivakantie; eerste helft zomervakantie; paasweekend; verjaardag minderjarige.
Oneven jaar; tweede week kerstvakantie; tweede week meivakantie; tweede helft zomer- vakantie, Hemelvaart en Pinksteren.
Jaarlijks: Vaderdag.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Partijen zijn in november 2024 via Veilig Thuis een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige overeengekomen van wekelijks op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur. Gebleken is dat de onderlinge spanningen de continuïteit in de uitvoering van deze regeling in de weg staan. De afgelopen weken heeft er geen omgang plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens de omgang weer te hervatten maar ook dat hulp nodig is om de onderlinge verstandhouding te verbeteren. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschaps-bemiddeling. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
3.2.4.
Partijen hebben afgesproken in aanloop van de hulpverlening de omgang alvast te hervatten met een voorlopige regeling waarbij de minderjarige wekelijks op zondag bij de man verblijft van 10.00 uur tot 18.00 uur na het avondeten. De man haalt de minderjarige op en brengt de minderjarige terug. Zodra de man over eigen woonruimte beschikt kunnen partijen de regeling in onderling overleg uitbreiden. Zij zullen respectvol met elkaar communiceren en via e-mail contact over aangelegenheden betreffende de minderjarige onderhouden. De rechtbank heeft partijen erop gewezen dat het voor het welzijn van de minderjarige van het grootste belang is dat zij zal ervaren dat haar ouders in staat zijn geen ruzie te maken over dingen die de minderjarige aangaan. Afgesproken is dat partijen de nog aanwezige problematiek voortkomend uit het verleden voor nu laten rusten en deze kwesties zullen uitspreken in gesprekken onder begeleiding met de hulpverlening.
3.2.5.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.
3.2.6.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
3.2.7.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.2.8.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.2.9.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.2.10.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
3.2.11.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
Vrijblijvende suggesties voor onderzoeksvragen aan de raad:
Verzoek tot vaststellen/wijzigen van de zorgregeling/omgangsregeling
  • Welke omgangsregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?
  • Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
3.2.12.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.3.
Onderhoudsbijdrage
3.3.1.
De vrouw verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) conform tussen partijen gemaakte mondelinge afspraak als volgt:
- primair, met ingang van 12 december 2023 een bijdrage van € 500,- per maand zal voldoen aan de vrouw ten behoeve van [voornaam minderjarige 1] ;
- subsidiair, met ingang van de datum van het verzoekschrift (31 januari 2024) een bijdrage van € 500,- per maand zal voldoen aan de vrouw ten behoeve van [voornaam minderjarige 1] .
Bij brief van 11 november 2025 heeft de vrouw een aanvullend verzoek gedaan als volgt:
Meer subsidiair verzoekt de vrouw voor zover de rechtbank van oordeel is dat de bijdrage alsnog moet worden vastgesteld, te bepalen dat man ten behoeve van de opvoeding en verzorging van de minderjarige een bijdrage van € 389,- per maand aan de vrouw voldoet, althans een bijdrage te bepalen welke de rechtbank juist acht.
3.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.3.4.
In geschil is de vraag of sprake is van een tussen partijen gesloten overeenkomst tussen partijen over de kinderbijdrage. Volgens de vrouw hebben partijen na de beëindiging van hun relatie mondeling overeenstemming bereikt over een door de man te betalen kinderbijdrage van € 500,- per maand en heeft de man deze voor het laatst in oktober 2022 voldaan, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist.
3.3.5.
Op grond van artikel 6:217 Burgerlijk Wetboek (BW) komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en een aanvaarding daarvan. Artikel 3:33 BW bepaalt dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Vervolgens staat in artikel 3:35 BW dat tegen hem die een anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Of een overeenkomst tot stand is gekomen en wat de inhoud daarvan is, moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De uitlegmaatstaf zoals in het Haviltex-arrest aanvaard, is welbeschouwd de vanzelfsprekende consequentie van de wilsvertrouwensleer van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen.
3.3.6.
De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de inhoud van een e-mail van haar van 2 november 2022 aan de man waarin staat “Ten tweede wil ik graag onze afspraken duidelijk maken via de mail aangezien wij deze mondeling hebben afgesproken. Ik verwacht van jou dat je iedere 15e van de maand 500 euro overmaakt naar mijn bankrekening voor de eerste levensbehoeftes van [voornaam minderjarige 1] .”. Alsmede verwijst de vrouw naar een brief van haar advocaat aan de man van 12 december 2023 waarin staat: “De samenwoning tussen u en cliënte is in maart 2022 beëindigd. Het is jullie nog niet gelukt afspraken te maken over de te betalen kinderalimentatie. Op grond van de wet bent u als ouder verplicht een bijdrage te leveren aan de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige 1] . Om de juiste bijdrage te kunnen bepalen dien ik te beschikken over uw financiële gegevens. Graag ontvang ik binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief de volgende financiële stukken van u, voor zover op u van toepassing:”…….. “Mocht ik binnen de gestelde termijn geen stukken van u ontvangen, dan zal ik een schatting moeten maken van de te betalen bijdrage voor jullie dochter.”
Ten slotte legt de vrouw een bankafschrift over waaruit blijkt van bijschrijvingen van diverse bedragen afkomstig van de man in 2021 en op 19 januari 2022.
3.3.7.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw tegenover de betwisting door de man haar stelling dat er een afspraak over de kinderbijdrage tot stand is gekomen onvoldoende heeft onderbouwd. Uit het verhandelde ter zitting en de stukken waar de vrouw zich op beroept, is dit niet komen vast te staan. De vrouw constateert juist in december 2023 via haar advocaat dat het partijen nog niet is gelukt om afspraken te maken over de te betalen kinderbijdrage en vraagt daarbij om financiële stukken van de man ter bepaling van een kinderbijdrage. De bankovermakingen betreffen de tijd van de samenleving. Stukken die zien op de periode sinds het uiteengaan van partijen in 2022 ontbreken.
3.3.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Daarom gaat de rechtbank hierna over tot beoordeling van het meer subsidiaire verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinderbijdrage van € 389,- per maand.
3.3.9.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.3.10.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
Het verzoekschrift is op 31 januari 2024 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
3.3.11.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot maart 2022 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2021.
3.3.12.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man aan de hand van een winst van
€ 25.384,- zoals blijkt uit de jaarstukken en belastingaangifte 2021 op € 2.040,- per maand.
De rechtbank volgt de stelling van de vrouw niet dat de winst over meerdere jaren voorafgaand en/of na het uiteengaan moet worden meegenomen. Uitgangspunt voor de behoefte is het inkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan. De onderneming van de man is in 2019 gestart zodat eerder cijfers niet representatief zijn en de behaalde winsten na het uiteengaan zijn geen maatstaf voor het gezinsinkomen waar partijen daadwerkelijk van hebben geleefd.
De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:
- zelfstandigenaftrek van € 6.310-
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 2.670,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
Tenslotte is rekening gehouden met de door de man dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 902,-.
3.3.13.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over aan de hand van het verzamelinkomen over het jaar 2021, waarop een jaarloon staat genoemd van € 21.671,- op
€ 1.806,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.3.14.
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 3.846,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen ad € 120,- per maand wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van
€ 3.948,- per maand.
3.3.15.
Hiervoor genoemd netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 522,- per maand. Geïndexeerd naar 2024 levert dat op een bedrag van
€ 573,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
Draagkrachtberekening
3.3.16.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.3.17.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2024-1.
3.3.18.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man aan de hand van een winst van € 60.000,- op € 3.782,- per maand. Partijen zijn het over deze winst eens als gemiddelde verdiencapaciteit van de man. Over 2023 was de winst van de man weliswaar veel lager dan in 2022 en 2024, maar dat was eenmalig wegens bijzondere omstandigheden.
De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:
- zelfstandigenaftrek van € 3.750,-
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 7.487,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.594,- per jaar.
3.3.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige netto besteedbaar inkomen van de vrouw op basis van de ingebrachte berekening van de vrouw € 3.441,- per maand bedraagt waarbij rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 5.111,- per jaar.
3.3.20.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 964,- per maand.
3.3.21.
Tussen partijen is niet in geschil dat rekening gehouden dient te worden met een onderhoudsbijdrage van € 200,- per maand ten behoeve van [voornaam minderjarige 2] , waarvoor hij ook onderhoudsplichtig is. Na aftrek van deze bijdrage resteert een beschikbare draagkracht van € 764,- per maand.
3.3.22.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 797,- per maand.
Schulden
3.3.23.
De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van schulden, te weten de schuld aan gerechtsdeurwaarder GGN van € 5.500,-, Duo van € 1.500,-, gemeente Rotterdam van € 585,-, belastingdienst van € 6.000,-, VGZ zorg van € 500,-, advocaat van
€ 160,- en Yellow brick van € 500,-. De vrouw heeft deze schuldenlast niet betwist.
In beginsel zijn alle schulden van invloed op de draagkracht. Er kunnen echter wel redenen zijn om aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden. Onduidelijk is gebleven of en met welke bedragen de man op deze schulden moet aflossen. Relevant is of de man de schulden kan aflossen uit zijn vrije ruimte. De rechtbank constateert dat de man vrije ruimte heeft, gezien zijn inkomen en de berekende beschikbare draagkracht die de behoefte van de minderjarige overstijgt. De schuldenlast wordt daarom niet betrokken bij de vaststelling van de draagkracht van de man.
.
Draagkrachtvergelijking
3.3.24.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 764 / € 1.561 x € 573 = € 280
het deel van de vrouw bedraagt: € 797 / € 1.561 x € 573 =
€ 293+
samen € 573
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 280,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 293,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.3.25.
Gezien de nu vast te stellen omgangsregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld minder een dag per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 15%.
3.3.26.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 573,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 86,- per maand.
3.3.27.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 194,- per maand.
Conclusie
3.3.28.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 194,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.3.29.
Op grond van artikel 1:402a lid 2 BW wordt een bij beschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage geïndexeerd per 1 januari volgend op de datum van de beschikking. Hoewel niet expliciet is verzocht om de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te indexeren, leest de rechtbank dit in het verzoek de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen.
3.3.30.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen onderhoudsbijdrage van
€ 194,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, uitgaande van de tarieven 2024-1. Omdat de onderhoudsbijdrage in 2025 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Omdat ten aanzien van de omgangsregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig als volgt zal zijn:
De minderjarige verblijft wekelijks op zondag bij de man van 10.00 uur tot 18.00 uur (na het avondeten). De man haalt en brengt de minderjarige.
4.2.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 18 december 2025 als beëindigd;
4.3.
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam vrouw] ,
wonende te [postcode 1] [woonplaats] , [adres 1] ,
en
[naam man] ,
wonende te [postcode 2] [woonplaats] , [adres 2] ;
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
4.4.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat zij op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van de minderjarige en dat zij nadere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen de minderjarige en beide partijen;
4.5.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een kennisgeving van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
Dynamostraat 16, 3083 AK Rotterdam
e-mailadres: zorgbemiddeling@jbrr.nl;
4.6.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
4.7.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
4.8.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
4.9.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
4.10.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan tot
1 juli 2026 PRO FORMA.
4.11.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 31 januari 2024, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 194,- per maand;
4.12.
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2025 ieder jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
4.13.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.14.
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderbijdrage.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 18 december 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (673047)
Berekening
behoefte
Tarieven
2022-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
25.384
70
Winst uit onderneming
25.384
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
6.31
- Zelfstandigenaftrek
6.31
MKB Winstvrijstelling
-
2.67
75
Belastbare winst uit onderneming
16.404
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
16.404
- Schijf 1a, 37,07% (19,17%) over € 0 t/m € 35.472 (€ 36.409)
6.08
95
Inkomensheffing box 1
6.08
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
25.384
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
6.08
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.855
Inkomen na aftrek inkomensheffing
25.384
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.888
jaar
Arbeidskorting
3.967
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
16.404
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
16.404
Maximum bijdrage loon
59.706
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
59.706
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
16.404
Percentage Zvw
%
5,5
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
902
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
902
Totale inkomsten
24.482
120
Besteedbaar inkomen
24.482
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
24.482
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.04
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (673047)
Berekening
behoefte
Tarieven
2022-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
21.671
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
21.671
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
21.671
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
21.671
- Schijf 1a, 37,07% (19,17%) over € 0 t/m € 35.472 (€ 36.409)
8.033
95
Inkomensheffing box 1
8.033
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
21.671
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
8.033
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.444
Inkomen na aftrek inkomensheffing
21.671
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.867
jaar
Arbeidskorting
3.693
jaar
Combinatiekorting
1.884
jaar
Totale inkomsten
21.671
120
Besteedbaar inkomen
21.671
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
21.671
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.806
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
draagkracht
Tarieven
2024-1
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
60
70
Winst uit onderneming
60
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
3.75
- Zelfstandigenaftrek
3.75
MKB Winstvrijstelling
-
7.487
75
Belastbare winst uit onderneming
48.763
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
48.763
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
3.943
95
Inkomensheffing box 1
18.027
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
60
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
18.027
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.003
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
12.024
Inkomen na aftrek inkomensheffing
47.976
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.775
jaar
Arbeidskorting
4.228
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
48.763
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
48.763
Maximum bijdrage loon
71.628
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
71.628
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
48.763
Percentage Zvw
%
5,32
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
2.594
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
2.594
120
Besteedbaar inkomen
45.382
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
45.382
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.782