ECLI:NL:RBROT:2025:15374

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1996 – FT RK 25/1997
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening in het kader van de schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw). Verzoeker had op 3 november 2025 een verzoekschrift ingediend, waarin hij vroeg om een moratorium voor een periode van zes maanden, om te voorkomen dat verweerster, Stichting Woonbron, het vonnis van 10 april 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte ten uitvoer zou leggen. Tijdens de zitting op 21 november 2025 is verzoeker niet verschenen, terwijl schuldhulpverlening wel aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de gemaakte afspraken met schuldhulpverlening en dat hij geen bewijs heeft geleverd dat de huur voor november 2025 is betaald. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen dat de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd was.

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake was van een bedreigende situatie, zoals vereist in artikel 287b, tweede lid, Fw. Gezien de overgelegde documenten, waaronder het vonnis van 10 april 2025 en het exploot van 17 september 2025, concludeerde de rechtbank dat er inderdaad sprake was van een bedreigende situatie. Echter, de rechtbank oordeelde dat het belang van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wilde uitvoeren, zwaarder woog dan het belang van verzoeker om in de huurwoning te blijven. De rechtbank heeft daarom het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 1 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 3 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van 3 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 november 2025.
Ter zitting van 21 november 2025 is verschenen en gehoord:
- mevrouw S.H.H. Soekhai, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard het ondanks diverse pogingen niet is gelukt om nog in contact te komen met verzoeker. Verzoeker is de gemaakte afspraken voor het verzamelen van de documenten en het opstarten van schulddienstverlening en het ondertekenen van het verzoekschrift niet nagekomen. Hierdoor is schuldhulpverlening niet in staat om het schuldhulpverleningstraject op te starten. Verzoeker moest ook een betaalbewijs aanleveren waaruit blijkt dat de huur over november 2025 tijdig is voldaan. Hij heeft dit niet gedaan. Schuldhulpverlening gaat er van uit dat de huur over de maand november 2025 niet is voldaan.
3.
Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 17 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 april 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Hoewel de rechtbank uit het verzoekschrift opmaakt dat verzoeker inkomsten heeft uit een PW-uitkering en toeslagen, is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende opweegt tegen het feit dat niet kan worden vastgesteld dat de huur voor november 2025 is voldaan, omdat verzoeker, ondanks verzoek van schuldhulpverlening daartoe, geen betaalbewijs heeft aangeleverd. De rechtbank kan niet vast stellen dat de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende is gewaarborgd, temeer nu de huurachterstand ten opzichte van het vonnis van de kantonrechter van 10 april 2025 is verdubbeld. Bovendien is verzoeker de gemaakte afspraken met schuldhulpverlening niet nagekomen, zodat het schuldhulp-verleningstraject niet kan worden opgestart. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.