ECLI:NL:RBROT:2025:15369

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
10/091616-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een minderjarige voor het voorhanden hebben van vuurwapens en MDMA

Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2008, die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van vuurwapens en een aanzienlijke hoeveelheid MDMA. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met een medeverdachte op 25 maart 2025 in Rotterdam een vuurwapen en munitie in zijn bezit had. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte werden ook andere vuurwapens en MDMA aangetroffen. De officier van justitie eiste een jeugddetentie van 129 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 60 uren. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, gezien zijn leeftijd en de ernst van de feiten, een deels voorwaardelijke jeugddetentie moest krijgen, met bijzondere voorwaarden waaronder toezicht van de jeugdreclassering. De rechtbank benadrukte de risico's van het ongecontroleerd bezit van vuurwapens en drugs, vooral gezien de aanwezigheid van een jonger broertje in de woning. De verdachte werd schuldig bevonden aan de ten laste gelegde feiten en kreeg een straf die zowel de ernst van de feiten als zijn persoonlijke omstandigheden in overweging nam.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/091616-25
Datum uitspraak: 27 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
raadsvrouw: mr. F. el Makhtari, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 27 november 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 129 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zich inspant voor een positieve dagbesteding, zich inspant voor een zinvolle vrijetijdsbesteding, meewerkt aan de inzet van een jongerencoach, meewerkt aan behandeling en zich houdt aan het contactverbod met de medeverdachte;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering – feit 2 en 3
Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewijswaardering – feit 1
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over het vuurwapen dat is ten laste gelegd. Het vuurwapen is aangetroffen in het tasje van de medeverdachte met wie de verdachte in de auto zat. De verdachte had dit vuurwapen niet eerder gezien. Het wapen dat de verdachte vasthoudt op de foto die is gemaakt op de avond van de aanhouding betreft een ander (nep) vuurwapen. Als dit het vuurwapen zou zijn dat is ten laste gelegd, zouden er DNA-sporen van de verdachte op het vuurwapen aanwezig moeten zijn, maar dat is niet het geval.
4.2.2.
Beoordeling
De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of de verdachte samen met de medeverdachte beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen dat is ten laste gelegd.
De rechtbank overweegt het volgende.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat op 25 maart 2025 om 1:31 uur bij de medeverdachte in zijn tasje een vuurwapen is aangetroffen, terwijl hij samen met de verdachte in de auto zat. In de telefoon van de verdachte is vervolgens een foto gevonden die is gemaakt op 25 maart 2025 om 0:30 uur, dus vlak voor de aanhouding, waarop is te zien dat de verdachte in een auto zit en een vuurwapen vasthoudt, dat grote gelijkenissen vertoont met het vuurwapen dat bij de medeverdachte is aangetroffen. Uit het DNA-onderzoek aan het vuurwapen komt naar voren dat er op diverse plekken op het vuurwapen een DNA mengprofiel afkomstig van minimaal drie dan wel twee donoren is aangetroffen. Hieruit kon alleen het DNA profiel van de medeverdachte worden afgeleid. De overige DNA kenmerken waren onvoldoende voor vergelijkend onderzoek. Anders dan de verdediging heeft betoogd, sluiten de resultaten van het DNA-onderzoek dus niet uit dat de verdachte het wapen (ook) in handen heeft gehad.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, gaat de rechtbank ervan uit dat het wapen dat de verdachte vast had op de foto ook het wapen is dat bij de medeverdachte is aangetroffen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte de beschikkingsmacht heeft gehad over het onder 1 ten laste gelegde vuurwapen.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat het vuurwapen op de foto een ander (nep) vuurwapen betreft dat hij eerder op de avond van iemand anders zou hebben gekregen die, kort voor de aanhouding, ook in de auto zou hebben gezeten, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdachte heeft dit scenario op geen enkele manier nader onderbouwd. Bovendien vindt dit scenario geen steun in het dossier. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1
hij, op
of omstreeks25 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd) pistool van het merk Unarex Sig Suaer P320, kaliber .380,
en
/of
(daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet, te weten
een ofmeer kogelpatronen van het kaliber .380,
voorhanden heeft gehad;
2
hij, op
of omstreeks25 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock 17 Gen 2,
en
/of
(daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet, te weten
een ofmeer kogelpatronen van het kaliber 9x19mm
en
/of
- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een (omgebouwd) pistool van het merk Zoraki 914-P,
en
/of
(daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet, te weten een
of meerkogelpatro
on
envan het kaliber 9mm P.A.K. gemodificeerd met kogellager
voorhanden heeft gehad;
3
hij op
of omstreeks25 maart 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer105,1 gram (0,8 gram, 100,8 gram en
/of4,3 gram)
, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA, zijnde
MDMA,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermaals gepleegd.
Feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Allereerst heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Vervolgens zijn op diezelfde dag, tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte, ook twee andere vuurwapens met munitie en ruim 105 gram MDMA aangetroffen.
Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De ervaring leert dat het bezit van vuurwapens, ook door en onder jongeren, gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan met ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Daarnaast is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat dit direct en indirect een oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de hieraan verwante maatschappelijke problemen. De bewezenverklaarde feiten leiden tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Daar komt bij dat er twee vuurwapens en een deel van de MDMA in de woning zijn gevonden in een doos met speelgoed, die open en bloot in de woonkamer stond. De verdachte heeft hierover verklaard dat de spullen daar kort hebben gelegen. Hij wilde de spullen verstoppen voor zijn moeder en diezelfde nacht zou er iemand langskomen om de spullen op te halen en te vernietigen. Wat daar ook van zij, dit neemt niet weg dat hiermee een groot gevaar voor de andere bewoners van de woning is veroorzaakt, in het bijzonder voor zijn negenjarige broertje. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 november 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte functioneert momenteel goed. Wel zijn er zorgen dat de verdachte afglijdt in een crimineel circuit. Om de kans op recidive te verkleinen en om de prille, positieve ontwikkelingen voort te zetten is het toezicht van de jeugdreclassering noodzakelijk. Verdachte is gebaat bij een strak en duidelijk kader als stok achter de deur. Geadviseerd wordt daarom om de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk dient te staan aan de periode van het voorarrest, onder de bijzondere voorwaarden dat hij meewerkt aan alle hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht, meewerkt aan een systeemgerichte behandeling, onderwijs volgt volgens het rooster, zich inspant voor een positieve vrijetijdsbesteding en zich houdt aan het contactverbod met zijn medeverdachten.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 november 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte lijkt gemotiveerd om zijn leven over een andere boeg te gooien. Hij wil graag terug naar school, is gemotiveerd om te starten met hulpverlening en komt de afspraken met de jeugdreclassering goed na. De verdachte heeft nu een bijbaan, maar wil graag starten met school. Hij is ingeschreven op een nieuwe school, waarvan binnenkort de startdatum duidelijk wordt, en heeft een werk/leerbedrijf gevonden. Ook geeft de verdachte aan dat hij minder blowt en regelmatig thuis is. Op 20 november 2025 is de casus van verdachte voorgelegd aan de forensische tafel. Daaruit is naar voren gekomen dat Fivoor hulpverlening in de vorm van FACT kan inzetten. Ook krijgt de verdachte hulp van een jongerencoach.
De GI adviseert om de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk dient te staan aan de periode van het voorarrest, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zich inspant voor een positieve dagbesteding, zich inspant voor een zinvolle vrijetijdsbesteding, medewerking verleent aan behandeling en zich houdt aan het reeds bestaande contactverbod met de medeverdachte. Daarnaast adviseert de GI ook om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.
[persoon A] ,als jeugdreclasseerder werkzaam bij de GI, heeft aanvullend op zitting naar voren gebracht dat de verdachte recent heeft kennis gemaakt met de jongerencoach en dat er sprake lijkt van een klik. De Raad adviseert weliswaar hulpverlening in de vorm van MST, maar FACT kan sneller starten en is daarom in dit geval passender.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte sinds 22 mei 2025 in een schorsing loopt en dat hij zich goed heeft gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. Er lijkt sprake te zijn van een prille positieve ontwikkeling. De verdachte stelt zich begeleidbaar op en lijkt gemotiveerd om zijn leven te verbeteren.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte is en daarmee ook niet in het belang van de samenleving. Om de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden en om de kans op recidive te verkleinen, is het belangrijk dat de verdachte strakke kaders en structuur worden geboden. Overeenkomstig de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank acht het gelet op de ernst van de feiten niet passend dat de verdachte nu geen consequentie meer ervaart van zijn handelen, behalve de verplichting zich te houden aan de algemene en bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarom, conform de eis van de officier van justitie, naast voornoemde jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur, opleggen aan de verdachte.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 129 (honderdnegenentwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot
70 (zeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zich zal inzetten voor een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk;
- zich zal inzetten voor een positieve invulling van zijn vrije tijd, bijvoorbeeld in de vorm van sport;
- zal meewerken aan de begeleiding van een jongerencoach, indien en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
- zal meewerken aan een behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instelling, in de vorm van FACT of soortgelijke hulpverlening, en zich zal houden aan de aanwijzingen van deze instelling;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] ;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. S. Riege en C.C. Peterse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2025.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij, op of omstreeks 25 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een (omgebouwd) pistool van het merk Unarex Sig Suaer P320, kaliber .380,
en/of
(daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet, te weten een of meer kogelpatronen van het kaliber .380,
voorhanden heeft gehad;
2
hij, op of omstreeks 25 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock 17 Gen 2,
en/of
(daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet, te weten een of meer kogelpatronen van het kaliber 9x19mm
en/of
- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een (omgebouwd) pistool van het merk Zoraki 914-P,
en/of
(daarbij) (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet, te weten een of meer kogelpatronen van het kaliber 9mm P.A.K. gemodificeerd met kogellager voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 105,1 gram (0,8 gram, 100,8 gram en/of 4,3 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA, zijnde MDMA,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;