ECLI:NL:RBROT:2025:15362

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2005 – FT RK 25/2006
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet in het kader van een huurkwestie met betrekking tot een kindgedupeerde van de toeslagenaffaire

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoeker, een kindgedupeerde van de toeslagenaffaire, heeft op 3 november 2025 een verzoekschrift ingediend om een moratorium van zes maanden te verkrijgen, zodat hij niet ontruimd zou worden uit zijn huurwoning. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen en dat hij ondersteuning ontvangt van de gemeente bij het opstarten van budgetbeheer. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat er een bedreigende situatie is, aangezien er een vonnis tot ontruiming was uitgesproken. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker zwaarder laten wegen dan die van de verweerster, Woonplus Schiedam, en heeft de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis opgeschort voor de duur van zes maanden. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen. De rechtbank heeft voorwaarden gesteld aan de voorlopige voorziening, waaronder het tijdig voldoen van de huurtermijnen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 1 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres 1]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 3 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 7 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 november 2025.
Ter zitting van 21 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw D. Mol en mevrouw T. van ’t Hof, beiden werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening);
  • [naam 1], werkzaam bij deurwaarderskantoor AGIN Timmermans, gemachtigde van Woonplus Schiedam, gevestigd te Schiedam (hierna: verweerster);
  • [naam 2], werkzaam bij Woonplus Schiedam.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij een moeilijke periode heeft doorgemaakt. Inmiddels gaat het beter met verzoeker. Verzoeker heeft op dit moment inkomsten uit PW-uitkering en toeslagen. Hij is bezig met het solliciteren naar een betaalde dienstbetrekking en verwacht binnen enkele maanden een hoger inkomen te genereren. De huidige inkomsten van verzoeker zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maanden september, oktober en november 2025 zijn tijdig voldaan. Verzoeker is erkend kindgedupeerde van de toeslagaffaire. Hij krijgt hulp van een speciaal team binnen de gemeente. Dit team is verzoeker ook behulpzaam bij het opstarten van budgetbeheer. Tot het moment waarop budgetbeheer is opgestart, controleert Stroomopwaarts maandelijks of verzoeker zijn vaste lasten, waaronder de huur, tijdig betaalt. Daarnaar gevraagd heeft schuldhulpverlening meegedeeld dat er geen nieuw schuldhulpverleningstraject is opgestart, maar dat het oude traject uit juli 2024 is voortgezet. Door overname van het dossier heeft schuldhulpverlening op 22 juli 2025 een nieuwe saldo-opgave aan de schuldeisers gestuurd om een juist beeld van de schuldenlast te krijgen per dat moment. Schuldhulpverlening heeft ter zitting meegedeeld dat de schulden grotendeels zijn geïnventariseerd. Er moet nog één saldo-opgave te worden ontvangen, waarna de voorstellen aan de schuldeisers worden verzonden. Verzoeker is gemotiveerd en wenst een oplossing voor zijn schulden.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Reeds in juli 2025 heeft schuldhulpverlening verzocht om een saldo-opgave van de vordering. Deze saldo-opgave bedroeg op dat moment € 1.136,57. In augustus 2025 was de huurachterstand verder opgelopen, omdat er al gedurende een periode van vijftien maanden geen huur was betaald. Het bevreemdt verweerster dat er blijkbaar sprake is van twee naast elkaar lopende schuldhulpverleningstrajecten, namelijk het traject opgestart in juli 2024 en een traject dat is aangevangen in 2025. Verweerster heeft er geen enkel vertrouwen in dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan en het schuldhulpverleningstraject zal slagen, mede omdat verzoeker ten overstaan van de kantonrechter onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn inkomen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 10 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een inkomen uit PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maanden september, oktober en november 2025 is voldaan. Verzoeker krijgt als kindgedupeerde van de toeslagenaffaire hulp van een team binnen de gemeente. Zij helpen verzoeker ook met het opstarten van budgetbeheer. Tot op het moment dat budgetbeheer is opgestart, controleert schuldhulpverlening of de maandelijkse huurtermijnen tijdig worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft de schuldenlast inmiddels grotendeels geïnventariseerd. Zij is nog in afwachting van één saldo-opgave van een vordering waarna de voorstellen aan de schuldeisers zullen worden verzonden. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [adres 2], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
7 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.