ECLI:NL:RBROT:2025:15358

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
10-190227-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging doodslag, poging wederechtelijke vrijheidsberoving en vuurwapenbezit

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen betrokken was bij een poging tot ontvoering en doodslag. De verdachte, geboren in 2001 en gedetineerd in de penitentiaire inrichting Lelystad, werd beschuldigd van het proberen te ontvoeren van een slachtoffer door deze met een auto klem te rijden en vervolgens met hoge snelheid op de auto van het slachtoffer in te rijden. Tijdens deze confrontatie werd het slachtoffer beschoten, waarbij hij gewond raakte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte en zijn mededaders opzettelijk handelden en dat er sprake was van voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer. De verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord, maar werd wel veroordeeld voor twee pogingen tot doodslag, poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes jaar op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een gedeeltelijke vordering van de benadeelde partij toegewezen, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding voor zowel materiële als immateriële schade.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-190227-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
Datum zitting: 10 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in de penitentiaire inrichting Lelystad.
Advocaat van de verdachte: mr. A. Aïssal
Officier van justitie: mr. E. Blanken
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M. van Keulen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft met drie anderen geprobeerd [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) te ontvoeren. Zij hebben eerst met hun auto de taxi, waarin het slachtoffer reed, op de oprit naar een benzinestation klemgereden. Toen het slachtoffer daar nog aan zijn belagers wist te ontkomen hebben zij de taxi achtervolgd en is de verdachte met hoge snelheid op de A13 tegen de taxi aangereden. Zo hebben zij hem tot stilstand gedwongen.
Hierna is de verdachte samen met zijn mededaders uit de auto gestapt en zijn zij naar de auto van het slachtoffer gelopen om hem uit die auto te trekken en mee te nemen.
Toen het slachtoffer zich echter hevig verzette en het niet lukte om hem uit de auto te trekken, is hij door een van zijn aanvallers beschoten. Hij is daarbij geraakt in zijn elleboog en een van de kogels heeft zijn pet doorboord.
De verdachte en zijn mededaders zijn uiteindelijk onverrichterzake in hun auto weggevlucht en hebben de auto in Den Haag achter gelaten. Elf dagen later is de verdachte aangehouden. Bij hem is toen een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen.
Aan de verdachte en zijn mededaders is poging tot ontvoering ten laste gelegd; de aanrijding op de A13 door de verdachte wordt hem als een poging tot doodslag dan wel levensgevaarlijk verkeersgedrag verweten en het beschieten van het slachtoffer nadien wordt aan de verdachte en zijn mededaders als een poging tot moord c.q. doodslag ten laste gelegd. Tot slot wordt de verdachte van verboden vuurwapenbezit beschuldigd.
De verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot moord.
De overige ten laste gelegde feiten – tweemaal poging doodslag, een poging wederrechtelijke vrijheidsbeneming (de ontvoering) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de tenlastegelegde feiten. Wel dient de verdachte te worden vrijgesproken van de onder feit 1 (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en 2 (primair). De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 (subsidiair en meer subsidiair), 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op twee verschillende momenten op 10 juni 2025 heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven. Eerst door met de door hem bestuurde auto met hoge snelheid tegen de achterzijde van de taxi van het slachtoffer aan te rijden en daarna door het schieten op het slachtoffer waarvoor hij tezamen en in vereniging met zijn mededaders verantwoordelijk gehouden kan worden. Daarbij heeft hij ook samen met hen gepoogd het slachtoffer wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven. Tot slot heeft hij op 21 juni 2025 een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.5.
Feiten 1 en 2
De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] , die in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen, en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik zat op 10 juni 2025 met drie andere jongens in de auto, een Toyota RAV4. Ik was de bestuurder van die auto. [slachtoffer] reed in zijn taxi. We hebben hem met een trackerapp gevolgd om hem te kunnen pakken en ik heb hem eerst klemgereden bij tankstation Esso in Rotterdam. Een kwartier tot tien minuten daarvoor wist ik al dat [slachtoffer] niet vrijwillig met ons mee zou gaan. U vraagt mij hoe ik dit wist. Ik zag toen al in de auto bij de persoon, die naast mij op de bijrijdersplaats zat, de latere schutter, een vuurwapen tevoorschijn komen. Ook is [slachtoffer] met zijn taxi, nadat ik hem op de oprit van het tankstation klem gereden had en ik was uitgestapt, hard achteruit gevlucht en de snelweg A13 weer opgereden.
We zijn toen snel weer ingestapt en hebben de taxi op de snelweg A13 achtervolgd.
Ik heb toen in die achtervolging met de linkerzijde van mijn auto expres een tik tegen de rechterachterzijde van de taxi gegeven, als een soort politiemanoeuvre. Zijn auto is daardoor toen gaan spinnen en in de vangrail tot stilstand gekomen. Ik wist wat ik met die manoeuvre deed; ik heb gezien dat de politie dat ook wel eens doet. Ik heb toen onze auto op de snelweg ter hoogte van de taxi stilgezet en wij zijn allemaal uitgestapt.
Omdat bij het tankstation al was gebleken dat de deuren op het kinderslot zaten heb ik daar toen de deuren van de jongens achterin opengemaakt.
Toen ik was uitgestapt hoorde ik een knal en zag een flits. Ik dacht nu gaat het fout. Ik ben toen ook naar de taxi toegelopen en heb ook geprobeerd [slachtoffer] uit de auto te trekken. Ik hem mijn arm door het gebroken raam van de taxi naar binnen gestoken en heb zo de deur van de taxi opengemaakt en met de anderen geprobeerd hem eruit te trekken, maar hij zette zich klem en wij konden hem er zo niet uit krijgen.
2.
Proces-verbaal van de politie [3] Samenvatting tapgesprek tussen [verdachte] en zijn broer:
Ik moest chauffeur zijn voor een ontvoering. Ik zat met andere jongens in de auto. Eentje had een of ander lang wapen. Hij MOCHT niet schieten. Dat was worst case scenario. De jongen sloeg met de kolf van het wapen het raam van de taxi in, terwijl hij zijn vinger nog op de trigger had. Hij schoot naar boven. Hij is op hem gaan richten. Hij schoot de eerste door zijn pet en de tweede door zijn arm.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [4]
Op 10 juni 2025 was ik werkzaam bij het tankstation Esso in Rotterdam. Ik zag twee auto’s met volle vaart het terrein oprijden. De ene auto reed de andere auto klem.
4.
Proces-verbaal van de politie [5] Op 10 juni 2025 spraken wij met [slachtoffer]. Hij verklaarde: ik reed de oprit van het tankstation op. Opeens kwam er een andere auto vol gas voor mij. In paniek ben ik de snelweg opgereden. Ik zag de andere auto in mijn spiegel aan komen rijden. Hij heeft mij achter geramd. Mijn auto draaide drie rondjes en kwam tot stilstand bij de vangrail.
5.
Proces-verbaal van de politie [6]
Op 10 juni 2025 sprake wij met het [slachtoffer]. Hij verklaarde:
Toen heeft die mij linksachter gewoon geramd. Die auto van mij die draait 3 rondjes, ik kom tot stilstand. (…) opeens staat er iemand bij mijn raam aan de linkerkant. Hij had een wapen vast met 2 handen. Hij schreeuwt, open, open , open. Maar ik zat nog in paniek in mijn auto door de klap en toen sloeg hij mijn raam in. Door het kapotte
raam maakte hij zelf aan de binnenkant het portier open. (…) en riepen ze meekomen, meekomen, meekomen, uitstappen, meekomen, uitstappen. (…) Ja, ik ben op mijn hoofd geslagen met een wapen. Toen ze mij uit de auto probeerden te trekken op
snelweg ben ik met het wapen geslagen. (…) Ja, een groot vuurwapen . Hij had het met 2 handen vast. Hij heeft mij een paar klappen op mijn hoofd gegeven met het vuurwapen. Hij heeft mij wel een paar keer geslagen. (…) Nee, het ging echt om mij als persoon. Ik moest mee. (…)
6.
Proces-verbaal van de politie [7] Op 10 juni 2025 spraken wij met het [slachtoffer]. Hij verklaarde: ik ben geopereerd aan mijn arm. De kogel heeft een zenuw geraakt.
(..)
Ze riepen dingen als "uitstappen, je gaat mee, schiet hem".
7.
Proces-verbaal van de politie [8] Op 10 juni 2025 hebben wij onderzoek gedaan op de A13 in Rotterdam waar het incident heeft plaatsgevonden. Wij hebben de auto van het [slachtoffer] onderzocht. Wij zagen dat de ruit van het bestuurdersportier gebroken was. Wij zagen aan de bovenzijde van het bestuurdersportier een beschadiging. Deze beschadiging zou passend kunnen zijn bij een beeld dat men zou verwachten bij een ricochetschotbeschadiging. Het raam van de bijrijdersportier was volledig gebroken maar zat nog wel als een geheel in de sponning van het portier. In deze ruit zagen wij een gat dat gezien de uiterlijke kenmerken passend is bij een doorschot van een projectiel. Wij zagen dat het gebroken glas, ter hoogte van het gat, een lichte bolling had die naar buiten stond, hetgeen zou kunnen passen bij dat het projectiel zich vanaf de bestuurderszijde zich in de richting van de passagierszijde heeft bewogen.
(..)
Op het wegdek, enkele meters van de bestuurderszijde, troffen wij een patroonhuls aan.
8.
Proces-verbaal van de politie [9] Wij hebben forensisch onderzoek gedaan naar het incident op de A13 op 10 juni 2025. Wij hebben de auto van het [slachtoffer] onderzocht. Op de bijrijdersstoel zagen wij een pet liggen. Wij zagen twee beschadigingen in het gedeelte wat op het hoofd gaat, aan de voorzijde van de pet ter hoogte van het voorhoofd. Het waren rondvormige, gerafelde beschadigingen. Het gat bij het logo was minder rafelig. Wij zagen op bloed lijkende sporen rondom dit gat. Het andere gat was meer rafelig. Vermoedelijk betroffen dit schotbeschadigingen, waarbij het gat in het logo vermoedelijk het inschot was en het andere, meer rafelige gat, het uitschot. Beide gaten testten positief met de BTK. Een BTK test is positief wanneer er wordt gereageerd op metaalresten (lood en koper) van een projectiel.
(..)
Op de voetmat bij de bestuurderstoel is een huls aangetroffen. Daarnaast testte de beschadiging in de bestuurdersportier ook positief met de BTK.
9.
Verkeersongevallenanalyse van de politie [10] De analyse ziet op een aanrijding op de A13 in Rotterdam. De Toyota zou de Volkswagen hebben aangereden.
Onderzoek Toyota:
Wij hebben de airbagmodule uitgelezen die het snelheidsverloop heeft vastgelegd. In het overzicht is zichtbaar dat de snelheid om -4,85 sec voor TRG (0) 157 km/u bedroeg en vervolgens opliep naar 173 km/u om 0,35 sec voor TRG (0). De laatste vastgelegde snelheid op TRG (0) was 141 km/u. Opvallend in het overzicht was tevens dat het Accelerator Pedal gedurende de gehele registratie 100% aangaf. De bestuurder heeft dus vol gas gegeven. Hierdoor is het zeer waarschijnlijk dat de snelheid van 141 km/u werd veroorzaakt door de aanrijding. Het rempedaal is niet bediend. Hieruit blijkt dat de botsing zeer waarschijnlijk plaats vond toen de geregistreerde voertuigsnelheid 173 km/u bedroeg en in ieder geval hoger was dan 141 km/u.
Feit 3 en 4De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 3 en 4 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [11] .
10.
Verklaring van de verdachte [12]
11.
Proces-verbaal van de politie [13]
12.
Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [14]
13.
Proces-verbaal van de politie [15]
14.
Proces-verbaal van de politie [16]
15.
Proces-verbaal van de politie [17]
16.
Proces-verbaal van de politie [18]
2.3.2.
Bewijsmotivering feiten 1 en 2
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsmotivering.
De verdachte heeft een opdracht aangenomen om, samen met drie anderen, een persoon, het slachtoffer, te ontvoeren. De verdachte was de chauffeur van de auto, een grote en zware Toyota RAV4. Daarmee hebben hij en zijn mededaders op 10 juni 2025 de auto van het slachtoffer, die in een taxi reed en waaronder een tracker was aangebracht, met een GPS-tracker-app gevolgd.
De verdachte heeft hiertoe eerst het slachtoffer klemgereden op de oprit van een Esso-tankstation. Toen het slachtoffer door hard achteruit te rijden toch wist weg te komen heeft de verdachte het slachtoffer met een hoge snelheid op de snelweg achtervolgd en vervolgens met die hoge snelheid bewust van achteren aangereden. Daardoor raakte de auto van het slachtoffer in een spin en van de rijbaan en kwam uiteindelijk in de vangrail terecht.
Vervolgens is de ruit van de bestuurdersportier ingeslagen, het bestuurdersportier van de auto van het slachtoffer geopend en is geprobeerd om het slachtoffer uit zijn auto te trekken. Toen dat niet lukte omdat het slachtoffer zich schrap zette in de auto is hij tegen zijn hoofd geslagen en er is op hem geschoten. Het slachtoffer is daarbij geraakt in zijn arm en ook zijn pet vertoont een in- en uitschot beschadiging.
De rechtbank acht de (impliciet subsidiair) onder 1 en de onder 2 ten laste gelegde pogingen tot doodslag wettig en overtuigend bewezen en licht dit hierna toe.
De verdachte heeft de opdracht tot het ontvoeren van het slachtoffer aanvaard en wist, naar eigen zeggen, tenminste tien minuten voor de eerste confrontatie met het slachtoffer bij het Esso-tankstation, dat zijn bijrijder over een vuurwapen beschikte. Evenzeer wist hij, net als zijn mededaders, dat het slachtoffer niet vrijwillig met hen mee zou gaan.
Mocht hij daar nog enige twijfel over hebben gehad dan zal die twijfel verdwenen zijn geweest op het moment dat het slachtoffer in zijn taxi achteruit op de vlucht sloeg, nadat hij door de verdachte bij het tankstation was klemgereden.
Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden om het slachtoffer op de A13 verder te achtervolgen en hem tot stoppen te dwingen door hem met hoge snelheid aan te rijden.
De verdachte heeft zich ook niet van de situatie gedistantieerd toen hij zag dat één van zijn mededaders met de kolf van het vuurwapen de ruit van het bestuurdersportier van de auto van het slachtoffer insloeg en hij een knal hoorde en een flits zag, wat duidde op het feit dat er een schot gelost werd. Integendeel, de verdachte, die toen de achterportieren open aan het maken was voor de twee andere mededaders, is vervolgens zelf ook naar de auto van het slachtoffer gelopen, heeft de deur van de taxi geopend en heeft actief meegeholpen om te proberen het slachtoffer uit de auto te trekken.
Het verweer van de verdachte dat het niet zijn bedoeling is geweest dat er geschoten zou worden volgt de rechtbank niet. Hij wist immers dat het slachtoffer niet vrijwillig mee zou gaan en was er dus op voorbereid dat er sprake zou kunnen zijn van weerstand en dat hij en zijn mededaders moeite zouden moeten doen om het slachtoffer mee te krijgen.
Hij wist verder van de aanwezigheid van het vuurwapen bij zijn mededader en uit het gesprek met zijn broer volgt ook dat verdachte er op voorbereid was dat het wapen mogelijk gebruikt zou gaan worden en dat schieten als ‘worst case scenario’ een optie was.
Dat dit scenario ook realiteit werd heeft de verdachte kunnen weten toen dat vuurwapen bij de auto ook daadwerkelijk gebruikt werd om de verdachte uit de auto te krijgen en daarmee al een schot gelost was (de knal en de flits) voordat hij naar de auto toeliep.
Vervolgens blijkt uit het sporenbeeld dat de mededader, toen zij bij de auto stonden en het slachtoffer nog steeds niet mee wilde komen, van zeer korte afstand tweemaal op en/of in de richting van het slachtoffer heeft geschoten, dit terwijl het slachtoffer zich toen in een zeer kleine ruimte bevond en feitelijk in die auto geen kant op kon. Het slachtoffer is daarbij ook door zijn elleboog geschoten, terwijl ook zijn pet een in- en een uitschot beschadiging vertoonde.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, in de wetenschap van de aanwezigheid van het wapen en gegeven de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat niet alleen het vuurwapen gebruikt zou gaan worden om de verdachte te dwingen mee te komen, maar ook dat het slachtoffer door de op hem afgevuurde schoten, gezien het traject van die kogels, daarbij gedood had kunnen worden. Dat oorspronkelijk ‘slechts’ bedoeld was om het slachtoffer te ontvoeren, maakt deze gang van zaken niet anders.
De rechtbank oordeelt dat de verdachte ook ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde poging doodslag voorwaardelijke opzet heeft gehad.
De verdachte is met zijn zware Toyota RAV4 met een snelheid van circa 173 km/uur of tenminste met een snelheid hoger dan 141 km/uur tegen de rechterachterzijde van de auto van het slachtoffer aangereden om die auto daarmee te doen stoppen.
Die snelheid heeft kunnen worden afgeleid uit onderzoek van de airbagmodule van de Toyota RAV4. De rechtbank heeft daarbij geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uitgelezen waarden in het onderzoeksrapport. De stelling van de verdediging dat in die module enkele andere waarden in die module als ‘invalid’ zijn geregistreerd, betekent namelijk niet dat de wel geregistreerde waarden daarmee niet geldig zouden zijn.
Bij dergelijke hoge snelheden is ook een ‘tikje’ tegen de achterzijde van de auto, zoals de verdachte het noemt, letterlijk levensgevaarlijk. Dat het slachtoffer deze aanrijding, waardoor zijn auto om zijn as spinnend tegen de vangrail tot stilstand is gekomen, heeft overleefd is niet aan de verdachte te danken. Het was immers geenszins ondenkbaar dat de auto van het slachtoffer over de kop zou zijn geslagen of in brand zou zijn gevlogen.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt het daarbij voor de gevaarzetting geen wezenlijk verschil of het snelheidsverschil tussen beide twee auto’s klein of juist groter is geweest. Immers, zou het slachtoffer net als de verdachte ook met hoge snelheid hebben gereden, dan zou het gevaar van het uit balans brengen van die auto door de aanrijding op die snelheid navenant groter zijn geweest. Mocht het slachtoffer juist langzamer hebben gereden dan de verdachte dan zou de impact op de auto van het slachtoffer door die aanrijding met een groot snelheidsverschil weer zwaarder zijn geweest. Dat dus niet bekend is geworden hoe hard het slachtoffer exact heeft gereden, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, maakt daarom voor het oordeel van de rechtbank over het handelen van de verdachte niet wezenlijk uit. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn rijgedrag de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van de door de verdachte veroorzaakte aanrijding om het leven zou komen. Aan de vaststelling dat de verdachte daarbij tenminste voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer staat niet in de weg dat de verdachte daarmee ook zelf risico heeft gelopen. Immers de verdachte heeft deze manoeuvre naar zijn zeggen gepland en gecontroleerd uitgevoerd en heeft zich zo ook op het moment van de aanrijding en de impact van een dergelijke aanrijding voor kunnen bereiden. De verdachte heeft ook ter zitting meerdere keren benadrukt dat hij ervan overtuigd was dat hij die manoeuvre kon uitvoeren zonder zichzelf in gevaar te brengen. Anders had hij het niet gedaan, aldus verdachte.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 10 juni 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf
om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven van korte afstand met een vuurwapen meerdere, kogels op en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd, waardoor voornoemde [slachtoffer] in zijn arm, is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op 10 juni 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen,
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een hoge snelheid) is toegereden op een personenauto met daarin voornoemde [slachtoffer] en
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een hoge snelheid) tegen die personenauto met daarin voornoemde [slachtoffer] is aangereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
hij op 10 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders hun gezichten hadden bedektmet een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft gevolgd en achtervolgd (via GPS tracker) en
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft aangereden en tot stilstand gedwongen en (vervolgens) naar de personenauto van die [slachtoffer] is gelopen en
- de ruit van het bestuurdersportier heeft ingeslagen en het bestuurdersportier heeft geopend en
- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en - dreigend tegen die [slachtoffer] heeft geroepen: “open, open, open” en “uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend. Uitstappen, meekomen.” en "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon", en
- van korte afstand met een vuurwapen meerdere, kogels op en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd en - meerdere malen, (met kracht) (met een vuurwapen) tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen
en
- tie wraps heeft meegenomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4
hij op 21 juni 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de
vorm van een pistool van het merk/type Blow Tr34, kaliber 9mm br c. (9x17mm) en
(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 Wet wapens
en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de Categorie III, te weten 3 kogelpatronen, kaliber 9mm br c. (9x17mm), voorhanden heeft gehad;
2.3.4.
Vrijspraak poging moord (feit 1 impliciet primair)
Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat niet is gebleken dat bij de verdachte en zijn mededaders sprake was van voorbedachte rade om het slachtoffer te doden.
De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van een poging doodslag;
Feit 2 primair
poging doodslag;
Feit 3
medeplegen van een poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
Feit 4
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de geëiste gevangenisstraf sterk te matigen en een voorwaardelijk strafdeel op te leggen als stok achter de deur, gelet op betoogde vrijspraken van feit 1 en 2. Daarnaast is de verdachte de eerste geweest die in een vroeg stadium openheid van zaken heeft gegeven. Dit heeft negatieve gevolgen voor hem en zijn gezin gehad. De verdachte heeft daarom een GVM status in de penitentiaire inrichting. Tot slot staat de verdachte open voor hulp.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal ernstige feiten De pogingen doodslag en ontvoering hebben vooral voor het slachtoffer grote gevolgen gehad. Uit de vordering benadeelde partij en wat de raadsvrouw van het slachtoffer ter terechtzitting heeft aangevoerd volgt dat het slachtoffer niet alleen enorm is geschrokken van het incident en ook nu nog voor zijn leven vreest maar ook dat het slachtoffer letsel heeft overgehouden aan de schotwond in zijn arm en dat hij heeft te kampen met psychische problematiek.
Daarnaast zijn ook derden getuige geweest van het klemrijden van de auto van het slachtoffer bij het tankstation en van de situatie op de snelweg kort na de aanrijding en hebben zij ook wapens gezien.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij ook deze derden hiermee ongewild heeft geconfronteerd. Dit zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid, ook bij de samenleving in het algemeen.
Dat geldt ook voor het voorhanden hebben van het wapen en de munitie.
De rechtbank vindt het onbegrijpelijk dat verdachte, terwijl hij wist wat de gevaren waren van het voorhanden hebben en het gebruik van een vuurwapen, slechts zeer kort na het incident van 10 juni 2025 zelf een wapen met bijbehorende munitie voorhanden had.
De rechtbank vindt dit bovendien zorgelijk, omdat verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven waarom hij dat wapen meende bij zich te moeten dragen.
Ook na het gebeuren van 10 juni 2025 heeft verdachte zichzelf dus nog in een situatie gebracht, waarbij niet uitgesloten was dat het wapen op enig moment ook daadwerkelijk gebruikt zou moeten gaan worden. Mede gelet op de toename van het vuurwapenbezit in de maatschappij en het hoge gevaarzettende karakter daarvan dient daartegen streng te worden opgetreden.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 september 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf, maar ook niet tot een lagere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van
5 december 2025 staat, samengevat, het volgende. Na een moeilijke jeugd, waarin hij in gesloten instellingen heeft gezeten met een kinderbeschermingsmaatregel, is de verdachte al op jonge leeftijd in aanraking gekomen met politie en justitie, zij het voor relatief minder ernstige feiten. Momenteel neemt het recidiverisico en de ernst van het delictgedrag toe. Financiële problematiek speelt een directe rol in het huidige delict.
Er is sprake van een pro-criminele houding ten tijde van het feit en van een risicovol sociaal netwerk dat mogelijk onderdeel is van een groter conflict. Ook middelengebruik en een licht verstandelijke beperking lijken bij te dragen aan verhoogde risico’s. Wel ziet de reclassering ook beschermende factoren. Zo heeft de verdachte werkervaring en streeft hij ernaar om een goede vader te zijn voor zijn twee jonge kinderen. Gezien de onduidelijkheid omtrent de exacte rol van de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten, de ernst van de feiten, de veiligheidsrisico’s voor zowel hemzelf als derden én de beperkte mogelijkheid om een gefundeerde risico-inschatting te maken, kan de reclassering op dit moment geen advies geven over bijzondere voorwaarden, interventies of toezicht.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij sinds zijn detentie geen drugs meer heeft gebruikt en dat hij hiervoor ook een training volgt. De verdachte zegt bij onderhavige feiten betrokken te zijn geraakt omdat hij schulden had. Hij vertelt dat hij de opdracht tot de ontvoering heeft aangenomen om snel van zijn schulden af te komen. Hij geeft aan naïef te kunnen zijn en mensen snel het voordeel van de twijfel te geven. De verdachte denkt dat hij in een andere omgeving, buiten de stad, een beter leven kan opbouwen waarbij hij zich niet laat overhalen om strafbare feiten te plegen. Hij wil veel gaan werken en hoopt dat zijn gezin met hem wil meeverhuizen. De verdachte heeft nu veel spijt van de feiten en vindt de situatie van het slachtoffer verschrikkelijk.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de hiervoor aangegeven ernst van de strafbare feiten vindt de rechtbank het opleggen van een langdurige gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan heeft de rechtbank, voor wat betreft de pogingen doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving, rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij worden vrijwel altijd (langdurige) gevangenisstraffen opgelegd. Voor wat betreft het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Ook daarbij is het uitgangspunt een gevangenisstraf.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om voor een andere strafsoort te kiezen dan voor een gevangenisstraf. Gelet op het advies van de reclassering, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een (deels) voorwaardelijke straf opleggen. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 6 jaar passend en geboden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor de feiten 1, 2 en 3 € 21.418,= als vergoeding voor materiële schade en € 100.000,= als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. De vordering is goed onderbouwd en het staat vast dat de schade rechtstreeks is ontstaan door onderhavige feiten. Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het te vergoeden bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade kan namelijk alleen de schadepost van de eigen bijdrage van dit jaar worden toegewezen. De overige schadeposten zijn onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging het gevorderde bedrag te matigen naar billijkheid nu de psychische schade en het letsel aan de knie niet zijn onderbouwd.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 gepleegde strafbare feiten. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van het eigen risico van dit jaar niet betwist. De voor die post gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering van € 385,= wordt daarom toegewezen. Daarnaast zal de rechtbank een vergoeding van € 250,= toewijzen ten aanzien van de beschadigde kleding van het slachtoffer, nu het aannemelijk is dat zijn kleding onbruikbaar is geworden door de bewezen verklaarde feiten. De hoogte van de schade is echter niet onderbouwd en daarom heeft de rechtbank dit bedrag geschat. De vordering zal op dit punt (de beschadigde kleding) voor het overige worden afgewezen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het toekomstige eigen risico, de schade aan de auto, de behandelingen van het litteken en de gederfde inkomsten heeft de verdediging betwist. De rechtbank oordeelt dat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Om deze posten goed te kunnen beoordelen zou de strafzaak moeten worden aangehouden. Dat zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte € 635,= als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 1, 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast.
De rechtbank kan in deze strafprocedure slechts vaststellen dat het slachtoffer letsel aan zijn arm en hoofd heeft opgelopen en hierdoor pijn heeft ondervonden. Er is echter onvoldoende onderbouwd wat de ernst van het letsel is en wat de verwachting is van (de mate en termijn van) herstel is. Zo zijn er bijvoorbeeld geen foto’s van het letsel toegevoegd of een medische verklaring waaruit blijkt wat er tijdens de operatie is gedaan en wat de te verwachten herstelduur is. Ook kan de rechtbank niet het causaal verband tussen de bewezenverklaarde delicten en het gestelde knieletsel met voldoende zekerheid vaststellen. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat de bewezen verklaarde feiten en de benarde situatie waarin het slachtoffer heeft verkeerd voor veel angst hebben gezorgd. Uit de stukken blijkt echter alleen dat de verdachte een doorverwijzing naar de GGZ heeft gevraagd en dat hij nu is doorverwezen. Dit maakt dat de rechtbank niet het gehele gevorderde bedrag zal toewijzen.
De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 15.000,- . Dat bedrag vindt de rechtbank bij de huidige stand van zaken billijk. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 15.000,= als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
5.4.3.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
5.4.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 juni 2025, te weten de datum waarop de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 113 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 282, 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde poging moord heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 6 (zes) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij
[benadeelde partij] (feit 1, 2 en 3), te betalen een bedrag van € 15.635,= , bestaande uit € 635,= als vergoeding van materiële schade en € 15.000,= als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
wijst de vordering van de benadeelde partij voor zover dat ziet op de beschadigde kleding voor het overige af;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat
€ 15.635,=te betalen, en de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
113 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. N. van Esch en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 december 2025.
Mrs. M. Hulshof en I. Bezemer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf
om [slachtoffer]
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade
van het leven te beroven
(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten, waardoor
voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, op/aan zijn hoofd en/of in
zijn arm, althans in/aan zijn lichaam, is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 primair
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met dat opzet meermalen, althans eenmaal,
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een hoge
snelheid) is ingereden en/of toegereden op een personenauto met daarin
voornoemde [slachtoffer]
en/of
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (rijdend met een hoge
snelheid) tegen die personenauto met daarin voornoemde [slachtoffer] is aangereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 subsidiair
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam,
als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto, zijnde een Toyota
RAV4 met (Belgisch) kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, te weten
de Rijksweg A13 en/of de Stadhoudersweg en/of knooppunt Kleinpolderplein, zich
opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden
geschonden door
- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid, althans met een
gelet op de omstandigheden te hoge snelheid, te rijden en/of
- ( met een hoge snelheid) op een personenauto, zijnde een Volkswagen Passat, met
daarin [slachtoffer], in en/of toe te rijden en/of
- ( met een hoge snelheid) tegen die personenauto, zijnde een Volkswagen Passat,
met daarin [slachtoffer], te rijden en/of te botsen,
- terwijl het donker was,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor
zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
2 meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam,
als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto, zijnde een Toyota
RAV4 met (Belgisch) kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, te weten
de Rijksweg A13 en/of de Stadhoudersweg en/of knooppunt Kleinpolderplein,
- met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid, althans met een
gelet op de omstandigheden te hoge snelheid, heeft gereden en/of
- ( met een hoge snelheid) op een personenauto, zijnde een Volkswagen Passat, met
daarin [slachtoffer], in en/of toe is gereden en/of
- ( met een hoge snelheid) tegen die personenauto, zijnde een Volkswagen Passat,
met daarin [slachtoffer], is gereden en/of is gebotst,
- terwijl het donker was,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
3
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf
om
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedekt
met een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft/hebben gevolgd en/of
achtervolgd (via GPS tracker) en/of
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft/hebben
aangereden en/of tot stilstand gedwongen en/of (vervolgens) naar de personenauto
van die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of
- de ruit van het bestuurdersportier heeft/hebben ingeslagen en/of het
bestuurdersportier heeft/hebben geopend en/of
- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of
- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en/of
“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.
Uitstappen, meekomen.” en/of "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon", althans
woorden van gelijke aard en strekking, en/of
- ( van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegen het
hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of gestompt
en/of
- tyraps heeft/hebben meegenomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de
vorm van een pistool van het merk/type Blow Tr34, kaliber 9mm br c. (9x17mm)
en/of
(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 Wet wapens
en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de
Categorie III, te weten 3 kogelpatronen, kaliber 9mm br c. (9x17mm),
voorhanden heeft gehad.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier PRAESEPE.
2.Verklaard tijdens de zitting van 10 december 2025.
3.pagina 448 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1].
4.pagina 34 t/m 36 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
5.pagina 18 t/m 26 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].
6.pagina 18, 19, 22
7.pagina 27 t/m 28 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].
8.pagina 7 t/m 24 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] van het Forensisch dossier.
9.pagina 102 t/m 114 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] van het Forensisch dossier.
10.pagina 26 t/m 63 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] van het Forensisch dossier.
11.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier PRAESEPE en Vuurwapen van [verdachte].
12.Verklaard tijdens de zitting van 10 december 2025.
13.pagina 18 t/m 26 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] bij zaaksdossier PRAESEPE.
14.pagina 76 t/m 87 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] zaaksdossier PRAESEPE.
15.pagina 448 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] zaaksdossier PRAESEPE.
16.pagina 1 t/m 2 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 9] zaaksdossier Vuurwapen van [verdachte].
17.pagina 12 t/m 13 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 10] zaaksdossier Vuurwapen van [verdachte].
18.pagina 4 t/m 5 met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 11] zaaksdossier Vuurwapen van [verdachte].