Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[eiser 1],
[eiser 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie;
- de pleitnota van [eisers]
3.De feiten
4.Het geschil
€ 100.000,-, voor ieder uur dat [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling,
€ 250,- voor elke dag dat [eisers] niet aan deze veroordelingen voldoen, met een maximum van € 10.000,-;
5.De beoordeling
“Misschien willen jullie wel met [naam 2] in de draaimolen. Vergeet dan niet snel een kaartje te halen.”[gedaagde] heeft aannemelijk gemaakt dat hij naar aanleiding van dit filmpje zowel telefonisch als per e-mail contact heeft opgenomen met DippieDoe en dat medewerkers van DippieDoe hem hebben medegedeeld dat [eiser 1] een gedeelte van het park heeft afgehuurd voor vrienden en familie en dat overige gasten een kaartje voor het park moeten kopen. Hiermee heeft [gedaagde] voor de publicatie dus bij het attractiepark zelf geverifieerd of klopt wat [eiser 1] in zijn video vertelt. Gelet op enerzijds het taalgebruik in de video – hij spreekt over kaartje halen in plaats van kopen – en anderzijds de wijze waarop [gedaagde] informatie heeft ingewonnen, mocht [gedaagde] een en ander naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter best aan de kaak stellen. Uit het filmpje blijkt immers onvoldoende duidelijk dat mensen wel een kaartje moeten kopen. De uitleg ter zitting over het gebruik van de woordkeuze ‘halen’ in plaats van ‘kopen’, omdat het een jong publiek betreft, maakt dit niet anders. Uiting III is dus niet onrechtmatig.
'an overriding requirement in the public interest'voordoet. Van een dwingend publiekelijk belang is in dit geval geen sprake. [eiser 2] heeft aannemelijk gemaakt dat zij kortstondig enkele bedreigingen via Instagram heeft ontvangen, waarbij overigens onduidelijk is hoeveel berichten het betreft. Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat [eiser 2] als gevolg van de berichten over haar in juli 2025, nog steeds bedreigingen ontvangt. De omstandigheden zijn dus niet dusdanig ernstig dat dit een rechtvaardiging op de inbreuk van vrijheid van nieuwsgaring oplevert. De voorzieningenrechter weegt ook mee dat [eiser 2] zich heeft voorgedaan als advocaat terwijl zij dat niet is en zelf dus ook iets heeft gedaan wat niet juist is. De vordering tot openbaarmaking van de bronnen wordt daarom afgewezen.
als gevolg van de posts op [kanaal 1]en dat hij in de podcast suggereert dat [gedaagde] achter verkrachtingsdreigementen richting [eiser 2] zou zitten. Het laten verwijderen van (een deel van) de podcast of rectificeren van uitlatingen is daarom niet toewijsbaar.
naar aanleiding vande posts op [kanaal 1] betreffen ernstige beschuldigingen. Hiervoor is geen steun te vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Delen van de teksten in de posts, in onderlinge samenhang bezien, zijn daarom onrechtmatig. De voorzieningenrechter veroordeelt [eiser 1] om de posts, zoals geciteerd in 3.11 en 3.12 van dit vonnis, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van Instagram te verwijderen, verwijderd te houden en een rectificatie te plaatsen (vorderingen II. en V.). Niet aannemelijk is dat [eiser 1] berichten met voormelde beschuldigingen ook op andere social media dan Instagram heeft gepost.