ECLI:NL:RBROT:2025:15317

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710923 / KG ZA 25-1188
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vorderingen van influencer en levenspartner tegen juicekanaal voor verwijdering van berichten en rectificatie

In deze zaak vorderen een influencer en zijn levenspartner, beiden wonende te Vleuten, dat berichten op een juicekanaal worden verwijderd en verwijderd gehouden, en dat er rectificaties worden geplaatst. De posts betroffen beschuldigingen van achterstallige betalingen en andere misstanden bij de beautysalon van de influencer. De voorzieningenrechter oordeelt dat een deel van de posts verwijderd moet worden gehouden en dat er rectificaties in beperkte vorm moeten worden geplaatst, omdat de beschuldigingen niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt. De influencer moet ook een aantal posts verwijderen en rectificaties plaatsen. De zaak is behandeld in kort geding, waarbij de mondelinge behandeling plaatsvond op 15 december 2025. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de influencer en zijn partner een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, ondanks dat de posts inmiddels verwijderd zijn. De rechter heeft de vorderingen van de eisers gedeeltelijk toegewezen, waarbij de gedaagde partij is veroordeeld tot het verwijderen van bepaalde berichten en het plaatsen van rectificaties. Tevens is er een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van de veroordelingen. In reconventie heeft de gedaagde ook vorderingen ingesteld tegen de eisers, maar deze zijn grotendeels afgewezen. De rechter heeft geoordeeld dat de gedaagde partij ook onrechtmatig heeft gehandeld door bepaalde beschuldigingen te uiten zonder voldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710923 / KG ZA 25-1188
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],
beiden wonende te Vleuten,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. A. Kijl,
tegen
[gedaagde],
wonende te Ridderkerk,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
mr. A.C. van ’t Hek.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak vorderen een influencer en zijn levenspartner om berichten (posts) op een juicekanaal te verwijderen, verwijderd te houden en dat er een rectificatie op het juicekanaal wordt geplaatst. Alle posts die betrekking hebben op de influencer en zijn levenspartner zijn inmiddels verwijderd. De voorzieningenrechter oordeelt dat een deel van de posts verwijderd moet worden gehouden en dat er rectificaties, in beperkte en afgezwakte vorm, op het juicekanaal moeten worden geplaatst, omdat de beschuldigingen in de posts deels niet voldoende aannemelijk zijn. De influencer moet ook een aantal posts verwijderen, verwijderd houden en een rectificatie plaatsen.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 december 2025,
- producties 1 tot en met 27 van [eisers];
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie;
- de aanvullende eis in reconventie;
- producties 1 tot en met 18 van [gedaagde];
- de pleitnota van [eisers]
2.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 15 december 2025.

3.De feiten

3.1.
Eiser sub 1 (hierna: [eiser 1]) is een social influencer die op meerdere social media kanalen actief is onder de artiestennaam [artiestennaam]. Eiseres sub 2 (hierna: [eiser 2]) is zijn levenspartner.
3.2.
[eiser 1] drijft – al dan niet in een samenwerkingsverband – onder de naam [naam 1] een aantal beautysalons op het gebied van wenkbrauwen, waaronder een in Zeist.
3.3.
[gedaagde] is de persoon achter het juicekanaal [kanaal 1] op Instagram. Op dit kanaal plaatst hij berichten/roddels over bekende Nederlanders, die ook wel worden aangeduid als juice.
3.4.
[gedaagde] plaatst op 9 mei 2025 de volgende tekst als story op [kanaal 1]:
“[foto van een poster van [naam 1] waar [eiser 1] op staat]
Er gaan verhalen rond over achterstallige betalingen bij [naam 1] in Zeist. Meiden zouden in delen of contant zijn uitbetaald omdat het geld naar verluidt in een boekproject zou zijn gestoken.
Herken jij dit, werk(te) je er of heb je er iets over gehoord? Ook de eigenaar mag reageren. Alles blijft anoniem tenzij jij anders wil. DMs staan open.”
3.5.
Op 10 mei 2025 plaatst [gedaagde] twee story’s op [kanaal 1]. De teksten in de posts luiden als volgt:
“[foto van [eiser 1] voor één van de filialen van [naam 1]]
Sinds onze eerste oproep over mogelijke betalingsproblemen bij [naam 1] van [kanaal 2]_ ontvingen we een groeiende stroom aan meldingen. Meerdere (oud-)medewerkers uit verschillende (oud-)filialen delen onafhankelijk van elkaar vergelijkbare zorgen, zoals uitblijvende betalingen, het ontbreken van contacten en een terughoudendheid om hierover te spreken.
Zo schrijft iemand:
“Ik wil graag anoniem blijven, ik ben echt bang voor hem. Ik kreeg contant betaald, zonder contract, en wacht nog steeds op geld. Bij alle salons waar hij zit horen we hetzelfde.”
Anderen vertellen dat ze last-minute naar huis werden gestuurd zonder betaling, dat communicatie uitbleef en dat er druk werd ervaren als iemand zijn geld probeerde op te eisen. Er wordt ook gesproken over een gespannen sfeer, met meldingen van intimiderend gedrag en het achteraf goedpraten daarvan.
“Hij dreigt snel, zijn vrouw zegt dan dat hij het niet zo bedoelde.”
Meerdere melders geven aan dat ze hun verhaal niet eerder durfden te delen uit angst voor de gevolgen, zowel persoonlijk als online.
“Hij zei, ik heb honderdduizenden volgers, wie gaan ze geloven, jij of ik?”
en
“Naast ervaringen op de werkvloer komen ook berichten binnen van klanten, vooral rondom een boeklancering waar dingen anders liepen dan beloofd.
“Er zouden hapjes, drankjes en bekende influencers zijn. Na 3,5 uur wachten was ik nog steeds niet aan de beurt. Er kwam niks van wat beloofd was.”
Volgens meerdere anonieme bronnen zou er bovendien geld uit het bedrijf zijn gestoken in de promotie en uitgave van een persoonlijk boekproject. Dit kunnen we op dit moment niet bevestigen, maar de signalen hierover zijn herhaaldelijk en komen uit verschillende hoeken.
Op 9 mei hebben we via DM direct contact gezocht met [kanaal 2]_ om hem de kans te geven te reageren of zijn kant van het verhaal te delen. Tot op heden is daar nog geen reactie op gekomen, maar die uitnodiging blijft uiteraard openstaan.
Werk(te) jij bij [naam 1], of heb je iets gehoord of meegemaakt? Delen mag altijd, anoniem of met naam. Je verhaal telt.
Dankwoord aan de melders
Tot slot: dank aan iedereen die zich heeft uitgesproken en ons vertrouwt met hun verhaal. Zeker gezien de toon die volgens velen om hen heen hangt, is het bewonderenswaardig dat jullie naar voren durfden te stappen. Alles wat je deelt blijft vertrouwelijk, tenzij je anders aangeeft.”
3.6.
[gedaagde] plaatst op 24 juli 2025 twee story’s op [kanaal 1] over (uitlatingen van) [eiser 1] over/en attractiepark DippieDoe:
“[foto van [eiser 1] met een kind in zijn armen, het kind is geblurd]
Mensen stellen ons veel vragen: ‘Een park afhuren, maar toch je kaartjes moeten betalen. Klopt dat?’
We hebben het park @dippiedoebest voor jullie gebeld. Het park geeft aan dat het klopt dat [kanaal 2]_ daar een verjaardag komt vieren op 16 augustus. Toen we vroegen of hij het park had afgehuurd, was het antwoord simpel: NEE.
En dat is toch echt iets anders dan wat [kanaal 2]_ zegt in zijn video’s. Het verklaart ook meteen waarom mensen zelf hun kaartjes moeten betalen.
Dus ja, er is een verjaardag. En nee, het park is niet afgehuurd (volgens het park).”
en
“[screenshot:
Save the Date:
Op zaterdag 16 augustus komt [artiestennaam] naar DippieDoe toe
Hij viert de eerste verjaardag van zijn zoontje [naam 2]. Hij een deel van het park afgehuurd voor het feest. Om er een gezellige dag voor iedereen van te maken, houdt hij ook een Q&A die dag. Volgens van [artiestennaam] zijn meer dan welkom maar dienen wel een kaartje te kopen. Enkel genodigden – persoonlijk uitgenodigd door [artiestennaam] – mogen het park vrij betreden.]
[screenshot:
Wij zijn op de hoogte van het social media bericht van [artiestennaam].
Hij heeft op zaterdag 16 augustus een gedeelte van ons park afgehuurd om zijn verjaardag van zijn zoontje, samen met familie en vrienden, bij ons te komen vieren.
Daarnaast is het park gewoon geopend en is iedereen welkom die dag in DippieDoe mits ze een entreebewijs hebben of dit kopen bij ons aan de kassa.]
Het park heeft inmiddels de uitleg iets aangepast, maar is nog steeds niet transparant over z’n bedoelingen. Goed.
‘Genodigden’ zijn gewoon zijn familie en vrienden, waarvan hij in z’n video beweert die niet te hebben, ‘want die zouden niet komen’. Dit is eerder vandaag door het park aan ons gemaild. Verder hopen we dat iedereen een leuke dag heeft, maar hou op met die semi-emotionele onzin.”
3.7.
Op 24 juli 2025 post [gedaagde] in de story’s van [kanaal 1] het volgende over [eiser 2]:
“@advocatenorde
@openbaarministerie
[foto van [eiser 1]]
Overigens horen we dat [kanaal 2]_ graag dreigt met een advocaat en naar verluidt weten we dat zijn partner zich voordoet als een ‘afgestudeerde advocaat’, zoals het vastgepinde ‘ons liefdesverhaal’ zou suggereren. Daarin hoor je [eiser 2], zijn partner, praten over dat ze een afgestudeerde advocaat is. Niets wijst erop dat dat klopt.
In de video worden getuigschriften ‘ondertekend’ met nep-bewegingen. Dat zie je aan de pen. Daarmee schijnt de indruk gewekt te worden dat er is gestudeerd. Alleen @erasmusuniversity heeft een openbaar register waarin je kan controleren of iemand daar daadwerkelijk heeft gestudeerd. En nee [eiser 2], dat heb je naar verluidt niet. Je staat ook niet ingeschreven bij de Orde van Advocaten en je bent niet beëdigd. Dit alles is vereist om jezelf überhaupt advocaat te mogen noemen.
Advocaat zijn is een beschermd beroep. Jezelf voordoen, ook al zeg je alleen ‘afgestudeerde advocaat’, is strafbaar.”
3.8.
[eiser 1] heeft [gedaagde] op 24 juli 2025 verzocht de berichten over/(voor)naam van [eiser 2] te verwijderen. [gedaagde] heeft dit niet gedaan.
3.9.
Op 30 juli 2025 plaatst [gedaagde] de volgende story op [kanaal 1]:
[foto van [eiser 1]]
[screenshot met de tekst: DAT IK AFGESTUDEERD ADVOCAAT BEN]
[screenshot:
Geachte heer,
De raad van de orde Midden-Nederland stuurde uw melding over [eiser 2] (..) door aan de Nederlandse orde van advocaten (NOvA). Wij hebben de melding bestudeerd. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat [eiser 2] (..) daadwerkelijk advocatuurlijke werkzaamheden verricht of zou willen verrichten, noch dat zij zich ‘afgestudeerd advocaat’ noemt om personen te misleiden, is het onjuist dat zij de titel ‘advocaat’ gebruikt. Wij zullen haar daarover aanschrijven.
Voor het overige in uw e-mail zien wij geen taak voor de NOvA weggelegd.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet]
We hebben al vaker geroepen dat alles rond [artiestennaam] één grote farce is, en @advocatenorde lijkt het daar op dit punt mee eens te zijn.
Zijn partner doet zich al langer voor als iemand die ze niet is. Dat zit verwerkt in een soort vastgepinde huilie-huilie story over een zogenaamd moeizaam verleden, waarvan volgens velen weinig klopt en dat meer weg heeft van een luchtkasteel dan de waarheid.”
3.10.
Op 6 augustus 2025 sommeert [eiser 1] [gedaagde] alle berichten die eventueel nog online terug te vinden zijn, te verwijderen en verwijderd te houden, geen nieuwe onrechtmatige berichten over [eiser 1] te plaatsen en een rectificatie te plaatsen. [gedaagde] heeft niet voldaan aan deze sommatie.
3.11.
Op 8 september 2025 post [eiser 1] de volgende story op zijn Instagram pagina:
“Je hebt 24 uur
[logo [kanaal 1]]
Nadat ik en mijn gezin maanden lang worden bedreigd,
Onze ramen er uit worden geslagen bij onze woning,
mijn ondernemingen worden aangevallen
Er LEUGENS over mij en mijn vrouw verspreid worden
Mensen mijn baby van 1 bedreigen en zijn 1ste verjaardag probeerden te verzieken
Heb ik zelf een onderzoek gedaan (politie wou mij niet helpen zeiden ze) En ben ik overal achtergekomen wie geprobeerd heeft ons leven kapot te maken en wie achter het anonieme account zit
Morgen plaats ik een video er over
Afhankelijk van anderen hoeveel ik daar in vertel
Huilie huilie”
3.12.
[eiser 1] plaatst op 8 september 2025 het volgende bericht op zijn Instagram pagina:
“[foto van ingeslagen autoruit]
Mijn gezin en ik worden al maanden bedreigd!
Ik heb er al die tijd niks over gezegd maar nu is het klaar !
Mijn vrouw wordt bedreigd en zelfs mijn baby van 1 jaar oud!
En de politie doet niks want die hebben het te druk met andere dingen zeggen ze
Deze week begin ik met plaatsen van wat mensen ons aangedaan hebben. En wie er allemaal achter zit!”
3.13.
[eiser 1] plaatst op 12 september 2025 een verhaal op één van zijn social media accounts waarop een manspersoon is te zien met een emoticon van een varken over zijn hoofd geplaatst. Het logo van [kanaal 1] is tevens te zien met de tekst: “Wie is de man?! die mijn gezin wilt kapot maken!?”
3.14.
Op 7 november 2025 plaatst [gedaagde] 53 story’s op [kanaal 1] die gedeeltelijk gaan over (het gezin van) [eiser 1] en, deels, een herhaling zijn van de posts in mei en juli 2025.
3.15.
Naar aanleiding van de story’s op [kanaal 1] hebben vooral [eiser 1] en in mindere mate [eiser 2], direct en indirect, verschillende negatieve, beledigende en bedreigende berichten ontvangen.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eisers] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te voordelen tot verwijdering van de onrechtmatige uitingen, zoals weergegeven in randnummers 13 en 14 van de dagvaarding van al zijn sociale mediakanalen, waaronder op Instagram op [kanaal 1] en deze verwijderd te houden in alle media binnen 24 uur na datum van dit vonnis, en zich te onthouden van deze of soortgelijke uitingen over [eisers], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-, met een maximum van € 100.000,-, voor ieder uur dat [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling,
II. [gedaagde] te veroordelen tot het binnen 24 uur na datum van dit vonnis plaatsen van een rectificatie op al zijn sociale media, waaronder in elk geval op Instagram op [kanaal 1] met de volgende inhoud:
“DIT IS EEN RECTIFICATIE: Tussen 9 mei 2025 en 7 november 2025 heb ik een aantal posts geplaatst over [naam 1], [artiestennaam] en zijn levenspartner, waarin ik onder meer ten onrechte heb beweerd dat er betalingsproblemen zijn bij [naam 1], er sprake is van ontbrekende contracten, er een gespannen sfeer hangt, er dreigingen worden geuit en [artiestennaam] intimiderend gedrag vertoont, een pestkop is en gek is. Daarnaast heb ik ten onrechte beweerd dat er incidenten zijn geweest rondom zijn boeklancering, waarbij door hem geld zou worden gestoken vanuit een ander bedrijf in zijn persoonlijk boekproject en dat er bij de lancering influencers ontbraken, als ook hapjes en drankjes.
Ook heb ik een aantal onterechte bewering gedaan rondom het afhuren door [artiestennaam]
van een deel van het attractiepark Diepiedoebest. Tot slot heb ik ten onrechte
beweerd dat zijn levenspartner geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond. Al mijn
uitingen over [artiestennaam], zijn partner en ondernemingen waren onrechtmatig en
onjuist en met deze posts heb ik de eer en goede naam van [naam 1], [artiestennaam] en zijn partner geschaad.”
En wel deze rectificatietekst te plaatsten binnen 24 uur na datum van dit vonnis op al zijn sociale media, waaronder in elk geval zijn Instagrampagina [kanaal 1], zonder enig voorafgaand en/of achteraf geplaatst commentaar en/of weerwoord, in hetzelfde lettertype (vorm, opmaak en formaat) als zijn eerdere posts over [eisers], aldus met witte letters tegen een volledig blauwe achtergrond, waarbij de rectificatietekst:
a. als verhaal / story geplaatst wordt en geplaatst wordt gehouden gedurende 72 uur op zijn Instagrampagina [kanaal 1], waarna door [gedaagde] 72 uur lang geen opvolgende berichten mogen worden geplaatst op zijn verhaal, opdat deze rectificatie tenminste 72 uur zichtbaar is en blijft, waarbij het verhaal tevens als eerste Hoogtepunt / Highlight wordt vastgepind met als onderwerp “RECTIFICATIE [artiestennaam]” en dit Hoogtepunt / deze Highlight gedurende 30 dagen ononderbroken zichtbaar blijft op dezelfde plaats.
b. als eerste bericht geplaatst wordt en geplaatst wordt gehouden op zijn
Instagrampagina [kanaal 1], waarbij het commentaar voor de volgers wordt uitgeschakeld door [gedaagde], en het bericht gedurende 30 dagen ononderbroken zichtbaar blijft op dezelfde plaats.
op straffe van een dwangsom van € 1.000,-, met een maximum van € 100.000,-, voor ieder uur dat [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling,
III. [gedaagde] te bevelen binnen 10 dagen na datum van dit vonnis aan mevrouw [eiser 2] opgave te verstrekken van de naam/namen en adres/adressen van de bron(nen) van de door [gedaagde] gepubliceerde onrechtmatige uitingen die mevrouw [eiser 2] betreffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-, met een maximum van
€ 100.000,-, voor ieder uur dat [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling,
IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met rente en kosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
[gedaagde] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (ten aanzien van de vorderingen II., III. en IV.):
II. [eisers] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, voornoemde berichten, posts, reels, podcasts, filmpjes, althans voormelde content betreffende [gedaagde] genoemd in de conclusie van antwoord, meer onder punt 41 te verwijderen, althans te laten verwijderen, en deze verwijderd te houden en om verdere openbaarmaking van oude of nieuwe berichten die van gelijke strekking zijn, te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,- voor elke dag dat [eisers] niet aan deze veroordelingen voldoen, met een maximum van € 10.000,-;
III. [eisers] te verbieden om zich publiekelijk in welke vorm of hoedanigheid dan ook op onnodig grievende wijze uit te laten over [gedaagde] of zijn naam/adres of andere persoonlijke gegevens te noemen door middel van het plaatsen van berichten met een inhoud, aard en strekking vergelijkbaar als genoemd in de conclusie van antwoord, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 10.000,-;
IV. [eisers] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente en kosten;
V. [eisers] hoofdelijk, te bevelen om de in randnummer nummer 41 van
de conclusie van antwoord gedane onrechtmatige uitlatingen jegens [gedaagde] te rectificeren door middel van een (pers)bericht, althans via een blijvend bericht op alle social media van [eisers] met als inhoud:
“[naam partij] heeft [kanaal 1] in verband gebracht met verschillende kwalijke handelingen aan hun adres. [naam partij] heeft hiervoor geen begin van bewijs kunnen maken en had dergelijke uitingen nooit mogen doen. [naam partij] biedt hiervoor hun excuses aan [kanaal 1], althans woorden van gelijke strekking.
althans [eiser 1] te veroordelen om de gedane uitingen onder randnummer 41, in de breedste zin van het woord, te rectificeren op de door de voorzieningenrechter op grond van artikel 6:167 BW aan te geven wijze, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 250,- per dag dat [eiser 1] hier niet toe over gaat, met een maximum van € 5.000,-.
4.4.
[eisers] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

in conventie
[eiser 1] en [eiser 2] zijn ontvankelijk in hun vorderingen
5.1.
Allereerst geldt dat [gedaagde] geen gronden heeft gesteld op grond waarvan [eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Het niet-onderbouwde ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.
Vorderingen [naam 1]
5.2.
[eisers] stellen in de dagvaarding dat [eiser 1] vestigingen in Utrecht en Leidsche Rijn zelf exploiteert en [naam 1] vestiging Zeist in een vof verband. Ter zitting heeft [eiser 1] verduidelijkt dat een deel van de vorderingen wordt ingesteld namens [naam 1]. Hoewel [naam 1] strikt genomen niet als eiseres in deze procedure optreedt, heeft [gedaagde] niet betwist dat [eiser 1] Utrecht en Leidsche Rijn exploiteert en de locatie Zeist (mede) exploiteert. De voorzieningenrechter overweegt op grond van het voorgaande ambtshalve dat, voor zover toewijsbaar, [naam 1] kan worden meegenomen in de beoordeling van de vorderingen.
[eisers] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
5.3.
Het antwoord op de vraag of een eisende partij voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening hangt af van de aard van de ingestelde vordering en een afweging van de belangen van de partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. In een geval als dit, waar de vorderingen gegrond zijn op onrechtmatige uitlatingen, geldt als uitgangspunt dat het spoedeisend belang in beginsel wordt aangenomen zolang het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Volgens [gedaagde] ontbreekt een spoedeisend belang, omdat de gestelde gebeurtenissen dateren van maanden geleden en alle posts inmiddels zijn verwijderd. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Een deel van de berichten waar [eisers] op doelen zijn relatief recent, op 7 november 2025, geplaatst. Bovendien zijn de posts aangaande [eisers] pas verwijderd na het uitbrengen van de dagvaarding. Daarnaast staat vast dat [gedaagde] ze (eenvoudig) opnieuw kan plaatsen. Dit leidt tot het oordeel dat [eisers] een voldoende zwaarwegend spoedeisend belang hebben om op korte termijn een (voorlopig) oordeel te krijgen over de (on)rechtmatigheid van de posts.
Het toetsingskader
5.4.
Toewijzing van de vorderingen van [eisers] betekent dat het grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 lid 1 van het EVRM, wordt beperkt. Artikel 10 lid 2 EVRM bepaalt dat de vrijheid van meningsuiting bepaalde plichten en verantwoordelijkheden meebrengt. Deze vrijheid kan worden beperkt als dat bij wet is voorzien, bijvoorbeeld om de goede naam en de rechten van anderen te beschermen. Een dergelijke beperking doet zich voor als een publicatie onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW.
5.5.
Voor het antwoord op de vraag of de publicaties op [kanaal 1] onrechtmatig zijn, moeten de wederzijdse belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers] is dat zij niet worden aangetast in hun eer en goede naam en dat hun privacy, zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM, niet onnodig wordt geschonden. Het belang van [gedaagde] is dat hij zich (in het algemeen) in het openbaar kritisch, informerend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden. Bij deze belangenafweging komen alle omstandigheden van het geval aan bod.
Een deel van de berichten is onrechtmatig
5.6.
Voor serieuze aantijgingen aan het adres van [eisers] moet [gedaagde] goede gronden hebben. Van [gedaagde] wordt niet verwacht dat hij met sluitend bewijs komt voordat hij iets publiceert, maar wel dat hij voldoende aannemelijk maakt dat er serieuze aanwijzingen zijn voor ernstige beschuldigingen. [gedaagde] is daarin deels niet geslaagd. De voorzieningenrechter licht dit onderstaand per post van [gedaagde] toe.
De post over [naam 1] op 9 mei 2025 (uiting I)
5.7.
[eiser 1] stelt dat [gedaagde] in deze post ernstige beschuldigingen uit – het niet of contant uitbetalen van medewerkers en gelden die bestemd zouden zijn voor medewerkers, uitgeven voor een boekpresentatie – waarvoor geen enkele steun is te vinden in het beschikbare feitenmateriaal. [gedaagde] heeft bovendien geen hoor en wederhoor toegepast, omdat [gedaagde] [eiser 1] zeer kort de tijd gaf om een reactie te geven op het voornemen van de publicatie. Dit is onrechtmatig. [gedaagde] stelt wel hoor en wederhoor te hebben toegepast, maar dat [eiser 1] van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Hij heeft bovendien meerdere meldingen gehad van (oud-)medewerkers over misstanden bij [naam 1].
5.8.
[gedaagde] heeft ten eerste niet aannemelijk gemaakt hoor en wederhoor te hebben toegepast voorafgaand aan het plaatsen van deze post. [eiser 1] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] slechts 18 minuten voor plaatsing een bericht heeft gestuurd met vragen over de betalingsproblemen binnen [naam 1]. De misstand die [gedaagde] aan de kaak wilde stellen, is naar voorlopig oordeel niet zo dusdanig spoedeisend dat hij niet lang(er) op een reactie van [eiser 1] kon wachten voordat hij tot publicatie overging. Daar komt bij dat [gedaagde], ten aanzien van de gestelde signalen die hij zegt te hebben ontvangen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze signalen heeft ontvangen vóór 9 mei 2025 en dus voor het plaatsen van de post. Een deel van de meldingen lijkt eerder een reactie op de post van 9 mei 2025. [gedaagde] heeft dus niet voldaan op de op hem rustende en in 5.6 genoemde verplichting. Dit betekent dat uiting I onrechtmatig is. Bij dat oordeel is in aanmerking genomen dat, als al sprake was van informatie die voor 9 mei 2025 was verkregen, die blijkbaar alleen van anonieme bronnen afkomstig was waarbij niet duidelijk was hoe die bronnen aan hun wetenschap zijn gekomen.
De post over [naam 1] op 10 mei 2025 (uiting II)
5.9.
[eiser 1] stelt dat [gedaagde] in deze post ongefundeerde beschuldigingen uit en dat dit onrechtmatig is. Hij acht het onaannemelijk dat er bronnen zijn die zich bij [gedaagde] hebben gemeld over misstanden bij [naam 1], maar als dat wel het geval is, heeft [gedaagde] nagelaten onderzoek te doen naar deze bronnen en het waarheidsgehalte van de door die bronnen geuite beschuldigingen. [gedaagde] betwist dat het bericht onrechtmatig is. Hij stelt dat er diverse concrete meldingen zijn gedaan door (oud-)medewerkers van [naam 1]. [gedaagde] heeft bovendien bij een deel van de tekst voorbehouden geplaatst dat “iets niet bevestigd kon worden” of dat het “volgens bronnen” zo ging.
5.10.
[gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn bronnen bestaan en betrouwbaar zijn. Anders geformuleerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij de informatie (voldoende) heeft geverifieerd. Uit de door [gedaagde] overgelegde berichten die hij stelt te hebben ontvangen, volgt uit een aantal daarvan niet dat ze van (oud-)werknemers van [naam 1] afkomstig zijn. Daar komt bij dat nergens uit af te leiden valt dat [gedaagde] navraag heeft gedaan over de betrouwbaarheid van de berichten. Blijkbaar was sprake van, alleen, anonieme bronnen zonder dat duidelijk was hoe die bronnen aan hun wetenschap zijn gekomen. [gedaagde] heeft de signalen die hij heeft ontvangen ook niet eerst voorgelegd aan [eiser 1]. Dat hij voorbehouden heeft geplaatst bij een deel van de tekst maakt dit voor wat betreft de uitlatingen over [naam 1] niet anders. Dit alles leidt tot het oordeel dat uiting II in zoverre onrechtmatig is. Dat is niet het geval voor zover het bericht gaat over de boeklancering. Op dat punt lijkt [eiser 1] in ieder geval de lange wachttijden te bevestigen en heeft hij de betwisting van de overige uitingen op dat punt niet onderbouwd.
De posts over attractiepark DippieDoe op 24 juli 2025 (uiting III en V)
5.11.
[eiser 1] stelt dat [gedaagde] zonder voorafgaand onderzoek en/of hoor en wederhoor [eiser 1] neerzet als leugenaar, omdat [eiser 1] volgens hem onterecht zou hebben gezegd dat hij attractiepark DippieDoe heeft afgehuurd voor de eerste verjaardag van zijn zoon. [gedaagde] stelt dat beide posts gebaseerd waren op meerdere, onafhankelijke bronnen en dat de informatie op transparante wijze is gepresenteerd op Instagram. Van onrechtmatig handelen is dus geen sprake.
5.12.
Ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de zoon van [eiser 1] en [eiser 2] heeft [eiser 1] op 24 juli 2025 een filmpje van anderhalve minuut op TikTok geplaatst. Daarin kondigt hij aan de verjaardag in attractiepark DippieDoe te vieren, zegt hij drie keer dat hij het hele park heeft afgehuurd, dat iedereen kan komen en dat er een grote taart wordt gekocht die wordt gedeeld. Pas na ruim een minuut zegt [eiser 1]:
“Misschien willen jullie wel met [naam 2] in de draaimolen. Vergeet dan niet snel een kaartje te halen.”[gedaagde] heeft aannemelijk gemaakt dat hij naar aanleiding van dit filmpje zowel telefonisch als per e-mail contact heeft opgenomen met DippieDoe en dat medewerkers van DippieDoe hem hebben medegedeeld dat [eiser 1] een gedeelte van het park heeft afgehuurd voor vrienden en familie en dat overige gasten een kaartje voor het park moeten kopen. Hiermee heeft [gedaagde] voor de publicatie dus bij het attractiepark zelf geverifieerd of klopt wat [eiser 1] in zijn video vertelt. Gelet op enerzijds het taalgebruik in de video – hij spreekt over kaartje halen in plaats van kopen – en anderzijds de wijze waarop [gedaagde] informatie heeft ingewonnen, mocht [gedaagde] een en ander naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter best aan de kaak stellen. Uit het filmpje blijkt immers onvoldoende duidelijk dat mensen wel een kaartje moeten kopen. De uitleg ter zitting over het gebruik van de woordkeuze ‘halen’ in plaats van ‘kopen’, omdat het een jong publiek betreft, maakt dit niet anders. Uiting III is dus niet onrechtmatig.
5.13.
Uiting IV is evenmin onrechtmatig. [gedaagde] plaatst twee screenshots van DippieDoe waarin de berichtgeving over het afhuren van het hele park is aangepast naar het afhuren van een deel van het park voor het verjaardagsfeestje. De tekst van [gedaagde] in de post heeft de strekking dat hij het toch een vreemd verhaal van [eiser 1] vindt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat gelet op de verwarring over het wel of niet helemaal afhuren van het park en het wel of niet moeten kopen van een toegangskaartje niet onaannemelijk.
5.14.
Dat het gezin van [eiser 1], zoals hij stelt, direct na deze uitingen (weer) bedreigingen binnen kregen, dat hij duizenden volgers verloor, veel mensen niet zijn komen opdagen op de verjaardag van zijn zoontje en de kaartverkoop van DippieDoe aantoonbaar zakte na het plaatsen van de berichten is niet onderbouwd en daardoor niet aannemelijk, nog daargelaten dat dit (deels) voor rekening en risico van [eiser 1] zelf komt. Een en ander zou immers ook het gevolg kunnen zijn van teleurstelling over uitlatingen die niet (helemaal) blijken te kloppen.
De posts over (het beroep van) [eiser 2] op 24 en 30 juli 2025 (uiting IV en VI)
5.15.
[eiser 2] stelt dat de posts van [gedaagde] waarin haar voornaam wordt genoemd, waarin staat dat zij geen afgestudeerd advocaat is, dat zij geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond en zij zich al langer voordoet als iemand die zij niet is, onrechtmatig zijn. [eiser 2] is inderdaad geen advocaat, maar heeft zich niet bewust als zodanig gepresenteerd. Zij heeft geen mensen willen misleiden. [gedaagde] heeft voorafgaand aan het plaatsen van de post geen hoor en wederhoor toegepast. De post is onrechtmatig, zeker in het licht van het feit dat [eiser 2] geen bekend persoon is en haar privacy moet worden gewaarborgd. Als gevolg van het gebruik van haar voornaam in de post is zij als volger van [eiser 1] geïdentificeerd en wordt zij veelvuldig bedreigd.
Volgens [gedaagde] kan van onrechtmatigheid van de berichten geen sprake zijn, omdat [eiser 2] geen advocaat is en zij zich dus ook niet zo mag noemen, in welke context dan ook. Hij heeft voorafgaand aan het plaatsen van de post onderzoek verricht en o.a. het diplomaregister van de Erasmus Universiteit Rotterdam geraadpleegd. Daarin komt [eiser 2] niet voor.
5.16.
[eisers] hebben op 14 juni 2024 een video op TikTok geplaatst over hun leven. [eiser 2] spreekt deze video in, maar komt niet herkenbaar in beeld. Ook haar naam wordt niet bekend gemaakt in de video. [eiser 2] noemt zichzelf in deze video afgestudeerd advocaat. Zij stelt dat zij dat doet omdat de video is bedoeld voor kinderen en zij de kinderen op deze manier kan uitleggen wat haar werk inhoudt. Wat ook zij van deze, verder niet te controleren, uitleg, jezelf voordoen als advocaat of je zo noemen terwijl je daartoe niet bent beëdigd, behoor je niet te doen en is tevens strafbaar gesteld (artikel 196 Wetboek van Strafrecht). [gedaagde] mocht dit dus aan de kaak stellen.
5.17.
Dat [gedaagde] de voornaam van [eiser 2] in beide posts noemt, terwijl haar identiteit bij het publiek onbekend was en zij, in tegenstelling tot [eiser 1], geen publiek persoon is, is een schending van haar privacy en daarom onrechtmatig. [eiser 2] heeft aannemelijk gemaakt dat mensen haar na de posts van [gedaagde] aan de hand van haar voornaam hebben getraceerd op Instagram en dat zij via dat medium diverse bedreigingen heeft ontvangen.
5.18.
In de posts stelt [gedaagde] tevens dat [eiser 2] geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond. Uit het door [eiser 2] overgelegde uittreksel uit het examenregister van de Erasmus Universiteit in Rotterdam blijkt dat zij is afgestudeerd als jurist. Dit register is openbaar waardoor [gedaagde] op dit punt dus onvoldoende onderzoek heeft gedaan voordat hij de post plaatste. Ook heeft hij voorafgaand aan de post geen hoor en wederhoor toegepast. De beschuldiging dat [eiser 2] geen jurist is, is dus onjuist en onrechtmatig.
De recapitulerende posts op 7 november 2025 (uiting VII)
5.19.
Ten aanzien van de posts van [gedaagde] op 7 november 2025 over (het gezin van) [eiser 1] vorderen [eisers] verwijdering en het verwijderd houden van alle 53 slides. Niet in geschil is dat alle slides inmiddels verwijderd zijn. Het verwijderd houden van alle slides wordt afgewezen. [eisers] hebben namelijk onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat alle slides op hen betrekking hebben, dat deze onrechtmatig zijn en dat ze daarom verwijderd moeten worden gehouden. Globale lezing van deze uiting leert immers dat veel van de slides slechts beschrijven wat [eiser 1] zelf op social media post/deelt en wanneer. Dat daarvan iets onjuist of verkeerd geciteerd is, stelt [eiser 1] (c.s.) niet. Dat betekent dat alleen die slides/uitlatingen die én opnieuw zijn geplaatst én waarvan hiervoor is geoordeeld dat ze onrechtmatig zijn, verwijderd moeten worden blijven.
Conclusie: een deel van de berichten is onrechtmatig
5.20.
Concluderend is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat een deel van de berichten die als producties zijn overgelegd en hiervoor zijn geciteerd, onrechtmatig zijn. Met het plaatsen van de berichten in mei beschuldigt [gedaagde] [eiser 1] van misstanden, wanbetaling en het wegsluizen van gelden. Met de posts van [gedaagde] is de voornaam van [eiser 2] onthuld met als gevolg dat zij vindbaar was op social media en is zij beschuldigd van het zich voordoen als jurist terwijl zij dat niet is. Hoewel schokkend en onder omstandigheden zelfs beledigend taalgebruik in het kader van het aan de kaak stellen van een (maatschappelijke) misstand in beginsel toelaatbaar kan zijn, vereist dit dat daarvoor enige steun kan worden gevonden in beschikbaar en voldoende concreet feitenmateriaal. Daarvan is echter geen sprake. Bovendien heeft [gedaagde] voorafgaand aan het plaatsen van de posts geen hoor en wederhoor toegepast.
5.21.
De berichten die, met inachtneming van het voorgaande, concreet als onrechtmatig
worden bestempeld in deze procedure zijn de berichten die hiervoor in 3.4, 3.5, 3.7 en 3.9 zijn geciteerd. Aan deze berichten liggen geen feiten ten grondslag en ze zijn schadelijk voor de reputatie van [eiser 1] en [eiser 2].
Gevolgen van de berichten
5.22.
[eisers] stellen dat zij als gevolg van de berichten ernstig zijn bedreigd, dat zij daarvoor naar het buitenland hebben moeten vluchten, dat [eiser 1] beveiliging nodig heeft om naar events te gaan, dat eigendommen vernield zijn en dat de omzet van [eiser 1] is gedaald. [eisers] hebben screenshots overgelegd waaruit volgt dat zij online, via social media bedreigingen hebben ontvangen. Dat die bedreigingen dusdanig ernstig waren dat zij tijdelijk in het buitenland moesten verblijven en [eiser 1] beveiliging nodig had en heeft om naar events te gaan, is echter niet aannemelijk. Uit de overgelegde stukken volgt niet meer dan dat een beveiligingsbedrijf een aanbod heeft gedaan om [eiser 1] (c.s.) te beveiligen, maar niet dat daadwerkelijk een daartoe strekkende overeenkomst is gesloten. Bovendien is dit standpunt – evenals dat van de gedaalde of geminimaliseerde omzet – moeilijk te rijmen met het standpunt dat [eiser 1], blijkbaar nog steeds (en beveiligd) veelvuldig) acte de présence op events geeft.
5.23.
[eisers] suggereren voorts een causaal verband tussen het plaatsen van de berichten op [kanaal 1] en het vernielen van de auto van [eiser 1]. Dat verband is ook niet aannemelijk.
Ten aanzien van het verlies van omzet stelt [eiser 1] dat zijn agent dit verlies schat op minimaal € 150.000,-. Ten eerste overweegt de voorzieningenrechter dat omzet(verlies) niet hetzelfde als schade is. Ten tweede is de berekening gebaseerd op een heel jaar terwijl de eerste posts dateren van mei 2025, zeven maanden geleden. Dat [eiser 1] dus stelt reeds nu dit bedrag aan schade te hebben geleden, is niet aannemelijk. Bovendien is de verklaring van de agent van [eiser 1] niet onderbouwd. Zo staat in deze verklaring dat merken zijn afgehaakt, opdrachten on hold zijn gezet en campagnes gemist zijn. Dit alles is echter in het geheel niet onderbouwd. Die onderbouwing mocht van [eiser 1] wel worden verwacht, bijvoorbeeld door berichten over de annuleringen of on hold gezette opdrachten, al dan niet geanonimiseerd, over te leggen. Hiervoor is al overwogen dat een en ander ook moeilijk te rijmen valt met de gestelde beveiliging bij events waar [eiser 1] verschijnt.
5.24.
Dat [eiser 1] directe financiële schade heeft geleden, is op dit moment dus niet aannemelijk. Wel aannemelijk is dat [eisers] psychische schade hebben geleden als gevolg van de bedreigingen aan hun adres.
5.25.
In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat een
deel van de vorderingen van [eisers] toewijsbaar is.
[gedaagde] moet een deel van de berichten verwijderd houden
5.26.
De vordering onder I. wordt gedeeltelijk toegewezen. Niet in geschil is dat de berichten verwijderd zijn, dus dat deel van de vordering wordt afgewezen. [gedaagde] moet de hiervoor in 3.4, 3.5, 3.7 en 3.9 geciteerde berichten verwijderd houden van Instagram. Dat [gedaagde] ook berichten heeft geplaatst op andere social media dan Instagram, en welke dan, is niet aannemelijk, zodat het daarop betrekking hebbende deel van de vordering wordt afgewezen. Het onthouden van deze of soortgelijke uitingen over [eisers] wordt afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt dat [eisers] met het verwijderd houden van de posts op dit moment voldoende in hun belangen worden voorzien.
[gedaagde] moet een rectificatie plaatsen
5.27.
[gedaagde] wordt ook veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis twee rectificaties te plaatsen in de opmaak zoals gevorderd (vordering II). De rectificaties moeten als verhaal/story op Instagram worden geplaatst en 24 uur zichtbaar zijn en de rectificaties moeten zonder voorafgaand en/of achteraf geplaatst commentaar en/of weerwoord worden gepost (vordering II.a.). Vanwege de vluchtigheid van het medium acht de voorzieningenrechter deze duur voldoende. [gedaagde] hoeft de story’s niet vast te pinnen als hoogtepunten/highlights, omdat [eisers] de noodzaak hiervan, bovenop wat verder gevorderd is (voor zover dat wordt toegewezen), onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. [gedaagde] hoeft de rectificatie ook niet als bericht te plaatsen en geplaatst te houden. [eisers] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de berichten waarvan een rectificatie wordt gevorderd, ook als bericht op de pagina van [kanaal 1] zijn gepost. Een rectificatie in die vorm is daarom niet aan de orde.
5.28.
De gevorderde rectificatie is, in algemene zin maar ook gelet op het oordeel van de voorzieningenrechter op het punt van de onrechtmatigheid, te ruim geformuleerd. De voorzieningenrechter wijst het mindere van het gevorderde toe en veroordeelt [gedaagde], met inachtneming van het hiervoor in 5.27 overwogene om twee rectificaties te plaatsen. In de rectificatie aangaande [eiser 2] hoeft niet te worden opgenomen dat [gedaagde] zijn beweringen in de posts van 7 november 2025 heeft herhaald, omdat uit de overgelegde slides volgt dat [gedaagde] hierin alleen benoemt dat [eiser 2] geen advocaat is, wat hij zoals eerder is overwogen, aan de kaak mocht stellen. De tekst van de rectificaties luidt als volgt:
“Op 9 en 10 mei 2025 heb ik een aantal posts geplaatst over [naam 1] en [artiestennaam] waarin staat dat er geruchten rondgaan over achterstallige en/of contante en/of gedeeltelijke betalingen van werknemers bij [naam 1] in Zeist en het ontbreken van contracten. Deze beweringen heb ik ook in een lange(re) post op 7 november 2025 geplaatst. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis van 31 december 2025 geoordeeld dat ik die beweringen niet waar heb kunnen maken, waardoor deze onrechtmatig zijn tegenover [naam 1]/[artiestennaam].”
“Op 24 en 30 juli 2025 heb ik een aantal posts geplaatst over de levenspartner van [artiestennaam] waarin ik ten onrechte heb beweerd dat zij geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond. Ook heb ik de voornaam van de levenspartner van [artiestennaam] bekend gemaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis van 31 december 2025 geoordeeld dat ik haar voornaam niet bekend had mogen maken en dat ik mijn bewering over de rechtenstudie niet waar heb kunnen maken, waardoor deze onrechtmatig zijn tegenover de levenspartner van [artiestennaam].”
Er wordt een dwangsom opgelegd
5.29.
De voorzieningenrechter acht het aangewezen om een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming van de hierna uit te spreken veroordelingen tot het verwijderd houden van de posts en het plaatsen van de rectificaties. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- ineens en € 250,- per dag dat hij niet aan de veroordelingen voldoet, met een maximum van € 25.000,-.
[gedaagde] hoeft zijn bronnen niet openbaar te maken
5.30.
De vordering tot openbaarmaking van de bronnen van [gedaagde] is vergaand omdat dit een beperking is van de vrijheid van nieuwsgaring. Journalistieke bronnen zijn voor de persvrijheid van essentieel belang. Het recht op bronbescherming van journalisten en persorganen is in de rechtspraak erkend. Volgens het Europese Hof van Justitie gaat het om journalistieke activiteiten, als die bekendmaking van informatie, meningen of ideeën aan het publiek tot doel hebben. Dat recht is niet beperkt tot mediaondernemingen. De activiteiten van [gedaagde] vallen ook onder het begrip journalistiek. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het in strijd met de informatievrijheid als een journalist wordt gedwongen zijn bron te onthullen tenzij zich een
'an overriding requirement in the public interest'voordoet. Van een dwingend publiekelijk belang is in dit geval geen sprake. [eiser 2] heeft aannemelijk gemaakt dat zij kortstondig enkele bedreigingen via Instagram heeft ontvangen, waarbij overigens onduidelijk is hoeveel berichten het betreft. Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat [eiser 2] als gevolg van de berichten over haar in juli 2025, nog steeds bedreigingen ontvangt. De omstandigheden zijn dus niet dusdanig ernstig dat dit een rechtvaardiging op de inbreuk van vrijheid van nieuwsgaring oplevert. De voorzieningenrechter weegt ook mee dat [eiser 2] zich heeft voorgedaan als advocaat terwijl zij dat niet is en zelf dus ook iets heeft gedaan wat niet juist is. De vordering tot openbaarmaking van de bronnen wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] wordt in de proceskosten veroordeeld
5.31.
[gedaagde] krijgt grotendeels ongelijk in conventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.761,45
5.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
[gedaagde] is ontvankelijk in zijn vorderingen
5.33.
[eisers] hebben hun niet-ontvankelijkheidsverweer niet onderbouwd. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer dan ook.
[gedaagde] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen
5.34.
[gedaagde] stelt een spoedeisend belang bij zijn vorderingen te hebben, omdat [eiser 1] lasterlijke content op diverse social media heeft geplaatst. Hoewel [eisers] het spoedeisend belang betwisten, geldt, net als bij de beoordeling van het spoedeisend belang in conventie, dat wanneer vorderingen gegrond zijn op volgens de eisende partij onrechtmatige uitlatingen, als uitgangspunt geldt dat het spoedeisend belang in beginsel wordt aangenomen zolang het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. [eiser 1] heeft de content niet verwijderd waardoor het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Dat betekent dat een spoedeisend belang van [gedaagde] bij zijn vorderingen wordt aangenomen.
Alleen de posts van 8 september 2025, in onderlinge samenhang beziend, zijn naar voorlopig oordeel onrechtmatig
5.35.
Op de vorderingen van [gedaagde] is hetzelfde toetsingskader van toepassing als op de vorderingen van [eisers] Bij een afweging van het recht op vrijheid van meningsuiting tegenover het recht van bescherming van eer en goede naam, moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Het oordeel dat een van beide rechten (waartussen op zichzelf geen rangorde van belangrijkheid geldt), na weging van alle omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht brengt mee dat de inbreuk op het andere recht gerechtvaardigd is. Naar voorlopig oordeel zijn alleen de posts van 8 september 2025 onrechtmatig jegens [gedaagde]. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
Het lekken van informatie naar een journalist
5.36.
[gedaagde] stelt dat [eiser 1] persoonsgegevens en details uit de aan [gedaagde] gerichte sommatiebrief van 6 augustus 2025 heeft gelekt aan een journalist, omdat deze informatie alleen uit de communicatie tussen [eiser 1] en zijn advocaat kon komen. [eiser 1] betwist dit niet, maar stelt dat van onrechtmatig handelen geen sprake is. De voorzieningenrechter volgt [eiser 1] hierin. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn persoonsgegevens en/of details uit de sommatiebrief openbaar zijn gemaakt. [gedaagde] heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het lekken van deze informatie gevolgen voor hem heeft gehad en zo ja, welke gevolgen dit dan zijn. De vorderingen van [gedaagde] op dit punt zijn dus niet toewijsbaar.
(Gedeelten van) de radioshow en podcast hoeven niet te worden verwijderd
5.37.
[gedaagde] stelt dat [eiser 1] in een radioshow heeft gezegd dat [gedaagde] het gezin van [eiser 1] lastigvalt en dat hij – [eiser 1] – daardoor € 172.000,- schade heeft geleden. [eiser 1] betwist dit en stelt dat uit de overgelegde productie slechts op te maken is dat hij in de radioshow praat over de bedreigingen die aan zijn gezin zijn geuit.
5.38.
De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] ((een transcript van) het fragment uit) de radioshow niet heeft overgelegd. Gelet op de betwisting van [eiser 1] kan niet worden vastgesteld of [eiser 1] de gestelde uitingen in de radioshow heeft gedaan. Het (laten) verwijderen van (een deel van) de radioshow of rectificeren van uitlatingen is om die reden niet toewijsbaar.
5.39.
Ten aanzien van de podcast geldt eveneens dat een opname of transcript daarvan niet is overgelegd. [gedaagde] heeft gelet op de betwisting van [eiser 1] van de onrechtmatigheid van de uitlatingen, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onterecht geuite beschuldigingen die als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. [gedaagde] heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat [eiser 1] in de podcast vertelt dat hij omzetverlies en personeelsproblemen heeft
als gevolg van de posts op [kanaal 1]en dat hij in de podcast suggereert dat [gedaagde] achter verkrachtingsdreigementen richting [eiser 2] zou zitten. Het laten verwijderen van (een deel van) de podcast of rectificeren van uitlatingen is daarom niet toewijsbaar.
De post van [eiser 1] op 12 september 2025
5.40.
[gedaagde] stelt dat [eiser 1] een privéfoto van [gedaagde] heeft geplaatst met een emoticon van een varken over zijn hoofd geplakt en dat [eiser 1] [gedaagde] beschuldigt van manipulatie en financieel gewin. [eiser 1] zou ook impliceren dat de persoon achter [kanaal 1] strafbare feiten heeft gepleegd ten aanzien van vrouwen. [eiser 1] stelt dat de stellingen van [gedaagde] niet overeenkomen met de productie die [gedaagde] ter onderbouwing overlegt. [eiser 1] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld op dit punt.
5.41.
De voorzieningenrechter overweegt dat op de post van [eiser 1] een manspersoon is te zien met op zijn hoofd een varkensemoticon geplaatst. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij aan de hand van deze foto herkend is door derden en dat als gevolg daarvan zijn privacy is geschonden. Uit de overlegde productie blijkt evenmin dat [eiser 1] hem beschuldigt van strafbare feiten. De post is gelet op het voorgaande niet onrechtmatig. [eiser 1] hoeft deze dus niet te verwijderen.
De post van 8 september 2025
5.42.
Op 8 september 2025 plaatst [eiser 1] een verhaal en een bericht op zijn Instagram pagina. Daarin wekt hij de suggestie dat door de onthullingen op [kanaal 1], [eisers] worden bedreigd, dat de ruiten worden ingeslagen van hun woning en auto, de ondernemingen van [eiser 1] worden aangevallen, er leugens worden verspreid over [eisers], hun kind wordt bedreigd en mensen de eerste verjaardag van hun kind hebben willen verzieken. [eiser 1] dreigt in het verhaal om de identiteit van [gedaagde] te onthullen. Volgens [gedaagde] is dit onrechtmatig. [eiser 1] stelt dat het dreigen van het openbaar maken van iemands identiteit niet onrechtmatig is en is niet overgegaan tot het onthullen van de identiteit van [gedaagde]. Gelet op de omstandigheden van het geval zou het [eiser 1] echter wel vrij moeten staan dit te doen.
5.43.
In conventie is geoordeeld dat [gedaagde] ten onrechte op zijn kanaal heeft geplaatst dat [eiser 2] geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond en uit de overgelegde stukken volgt dat [eisers] bedreigingen hebben ontvangen over hun zoontje. Echter, [eisers] hebben het, gesuggereerde, causale verband tussen de posts van [gedaagde] en maandenlange bedreigingen, het inslaan van ruiten, het aanvallen van de ondernemingen van [eiser 1] en het verpesten van de eerste verjaardag van hun zoon niet aannemelijk gemaakt. Vooral het ontvangen van maandenlange bedreigingen en het inslaan van ruiten
naar aanleiding vande posts op [kanaal 1] betreffen ernstige beschuldigingen. Hiervoor is geen steun te vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Delen van de teksten in de posts, in onderlinge samenhang bezien, zijn daarom onrechtmatig. De voorzieningenrechter veroordeelt [eiser 1] om de posts, zoals geciteerd in 3.11 en 3.12 van dit vonnis, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van Instagram te verwijderen, verwijderd te houden en een rectificatie te plaatsen (vorderingen II. en V.). Niet aannemelijk is dat [eiser 1] berichten met voormelde beschuldigingen ook op andere social media dan Instagram heeft gepost.
5.44.
Het deel van vordering II. dat ziet op een verbod tot het plaatsen van nieuwe berichten die van gelijke strekking zijn, te staken en gestaakt te houden, wordt afgewezen. Niet gesteld of aannemelijk is dat [eiser 1] opnieuw dergelijke berichten zal posten. Toewijzing van dit deel van de vordering is gelet op deze omstandigheden, een te vergaande inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting. Dit geldt eveneens voor vordering III., nog afgezien van het feit dat deze vordering onbepaalbaar is. Op voorhand kan immers niet worden bepaald of iets onnodig grievend is of dat een uiting valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het deel van de vordering dat ziet op het verbod tot het openbaar maken van persoonsgegeven wordt eveneens afgewezen. Dit is al strafbaar gesteld in artikel 285d in het Wetboek van Strafrecht.
[eiser 1] moet een rectificatie plaatsen
5.45.
[eiser 1] wordt veroordeeld binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een rectificatie als story/verhaal op zijn Instagram [kanaal 2]_ te plaatsen. [eiser 2] wordt niet veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie, omdat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ook zij onrechtmatige posts over [gedaagde] heeft geplaatst.
De voorzieningenrechter houdt er in de tekst van de rectificatie rekening mee dat niet alle tekst in de posts van [eiser 1] van 8 september 2025 als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Voor toewijzing van de gevorderde excuses naast de rectificatie bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding, nog daargelaten de vraag of dit laatste in rechte kan worden afgedwongen. De veroordeling tot het plaatsen van een rectificatie wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 258 Rv).
5.46.
De tekst van de rectificatie luidt als volgt:
“Op 8 september 2025 heb ik een story en een bericht gepost over (de persoon achter) [kanaal 1] waarin de suggestie wordt gewekt dat als gevolg van berichten op [kanaal 1] mijn gezin en ik maandenlang worden bedreigd, de ruiten van onze woning en auto eruit worden geslagen, mijn ondernemingen worden aangevallen en de eerste verjaardag van onze zoon is verziekt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis van 31 december 2025 geoordeeld dat ik die beweringen niet waar heb kunnen maken, waardoor deze onrechtmatig zijn tegenover (de persoon achter) [kanaal 1].”
Er wordt een dwangsom opgelegd
5.47.
De voorzieningenrechter acht het aangewezen om een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming van de hierna uit te spreken veroordelingen tot het verwijderen, verwijderd houden van de posts en het plaatsen van een rectificatie. [eiser 1] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- ineens en € 250,- per dag dat hij niet aan deze veroordelingen voldoet, met een maximum van € 25.000,-.
[eisers] moeten de proceskosten betalen
5.48.
[eisers] krijgen in reconventie grotendeels ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] procedeert op basis van een toevoeging, worden [eisers] niet veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
553,50
(factor 0,5 × 1.107,00)
- nakosten
178,00
Totaal
731,50
5.49.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot het verwijderd houden van de volgende, hiervoor in 3.4, 3.5, 3.7 en 3.9 geciteerde, posts op Instagram op [kanaal 1]:
a. Van 9 mei 2025:
“[foto van een poster van [naam 1] waar [eiser 1] op staat]
Er gaan verhalen rond over achterstallige betalingen bij [naam 1] in Zeist. Meiden zouden in delen of contant zijn uitbetaald omdat het geld naar verluidt in een boekproject zou zijn gestoken.
Herken jij dit, werk(te) je er of heb je er iets over gehoord? Ook de eigenaar mag reageren. Alles blijft anoniem tenzij jij anders wil. DMs staan open.”
Van 10 mei 2025:
“[foto van [eiser 1] voor één van de filialen van [naam 1]]
Sinds onze eerste oproep over mogelijke betalingsproblemen bij [naam 1] van [kanaal 2]_ ontvingen we een groeiende stroom aan meldingen. Meerdere (oud-)medewerkers uit verschillende (oud-)filialen delen onafhankelijk van elkaar vergelijkbare zorgen, zoals uitblijvende betalingen, het ontbreken van contacten en een terughoudendheid om hierover te spreken.
Zo schrijft iemand:
“Ik wil graag anoniem blijven, ik ben echt bang voor hem. Ik kreeg contant betaald, zonder contract, en wacht nog steeds op geld. Bij alle salons waar hij zit horen we hetzelfde.”
Anderen vertellen dat ze last-minute naar huis werden gestuurd zonder betaling, dat communicatie uitbleef en dat er druk werd ervaren als iemand zijn geld probeerde op te eisen. Er wordt ook gesproken over een gespannen sfeer, met meldingen van intimiderend gedrag en het achteraf goedpraten daarvan.
“Hij dreigt snel, zijn vrouw zegt dan dat hij het niet zo bedoelde.”
Meerdere melders geven aan dat ze hun verhaal niet eerder durfden te delen uit angst voor de gevolgen, zowel persoonlijk als online.
“Hij zei, ik heb honderdduizenden volgers, wie gaan ze geloven, jij of ik?”
Van 10 mei 2025:
“Naast ervaringen op de werkvloer komen ook berichten binnen van klanten, vooral rondom een boeklancering waar dingen anders liepen dan beloofd.
“Er zouden hapjes, drankjes en bekende influencers zijn. Na 3,5 uur wachten was ik nog steeds niet aan de beurt. Er kwam niks van wat beloofd was.”
Volgens meerdere anonieme bronnen zou er bovendien geld uit het bedrijf zijn gestoken in de promotie en uitgave van een persoonlijk boekproject. Dit kunnen we op dit moment niet bevestigen, maar de signalen hierover zijn herhaaldelijk en komen uit verschillende hoeken.
Op 9 mei hebben we via DM direct contact gezocht met [kanaal 2]_ om hem de kans te geven te reageren of zijn kant van het verhaal te delen. Tot op heden is daar nog geen reactie op gekomen, maar die uitnodiging blijft uiteraard openstaan.
Werk(te) jij bij [naam 1], of heb je iets gehoord of meegemaakt? Delen mag altijd, anoniem of met naam. Je verhaal telt.
Dankwoord aan de melders
Tot slot: dank aan iedereen die zich heeft uitgesproken en ons vertrouwt met hun verhaal. Zeker gezien de toon die volgens velen om hen heen hangt, is het bewonderenswaardig dat jullie naar voren durfden te stappen. Alles wat je deelt blijft vertrouwelijk, tenzij je anders aangeeft.”
Van 24 juli 2025:
“@advocatenorde
@openbaar ministerie
[foto van [eiser 1]]
Overigens horen we dat [kanaal 2]_ graag dreigt met een advocaat en naar verluidt weten we dat zijn partner zich voordoet als een ‘afgestudeerde advocaat’, zoals het vastgepinde ‘ons liefdesverhaal’ zou suggereren. Daarin hoor je [eiser 2], zijn partner, praten over dat ze een afgestudeerde advocaat is. Niets wijst erop dat dat klopt.
In de video worden getuigschriften ‘ondertekend’ met nep-bewegingen. Dat zie je aan de pen. Daarmee schijnt de indruk gewekt te worden dat er is gestudeerd. Alleen @erasmusuniversity heeft een openbaar register waarin je kan controleren of iemand daar daadwerkelijk heeft gestudeerd. En nee [eiser 2], dat heb je naar verluidt niet. Je staat ook niet ingeschreven bij de Orde van Advocaten en je bent niet beëdigd. Dit alles is vereist om jezelf überhaupt advocaat te mogen noemen.
Advocaat zijn is een beschermd beroep. Jezelf voordoen, ook al zeg je alleen ‘afgestudeerde advocaat’, is strafbaar.”
Van 30 juli 2025:
[foto van [eiser 1]]
[screenshot met de tekst: DAT IK AFGESTUDEERD ADVOCAAT BEN]
[screenshot:
Geachte heer,
De raad van de orde Midden-Nederland stuurde uw melding over [eiser 2] (..) door aan de Nederlandse orde van advocaten (NOvA). Wij hebben de melding bestudeerd. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat [eiser 2] (..) daadwerkelijk advocatuurlijke werkzaamheden verricht of zou willen verrichten, noch dat zij zich ‘afgestudeerd advocaat’ noemt om personen te misleiden, is het onjuist dat zij de titel ‘advocaat’ gebruikt. Wij zullen haar daarover aanschrijven.
Voor het overige in uw e-mail zien wij geen taak voor de NOvA weggelegd.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet]
We hebben al vaker geroepen dat alles rond [artiestennaam] één grote farce is, en @advocatenorde lijkt het daar op dit punt mee eens te zijn.
Zijn partner doet zich al langer voor als iemand die ze niet is. Dat zit verwerkt in een soort vastgepinde huilie-huilie story over een zogenaamd moeizaam verleden, waarvan volgens velen weinig klopt en dat meer weg heeft van een luchtkasteel dan de waarheid.”
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de volgende rectificatie te plaatsen als story/verhaal op Instagram op [kanaal 1], zonder enig voorafgaand en/of achteraf geplaatst commentaar en/of weerwoord, in hetzelfde lettertype (vorm, opmaak en formaat) als de posts over [eiser 1], aldus met witte letters tegen een volledig blauwe achtergrond, waarbij de story 24 uur zichtbaar is en blijft:
“Op 9 en 10 mei 2025 heb ik een aantal posts geplaatst over [naam 1] Zeist en [artiestennaam] waarin staat dat er geruchten rondgaan over achterstallige en/of contante en/of gedeeltelijke betalingen van werknemers bij [naam 1] in Zeist en het ontbreken van contracten. Deze beweringen heb ik ook in een lange(re) post op 7 november 2025 geplaatst. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis van 31 december 2025 geoordeeld dat ik die beweringen niet waar heb kunnen maken, waardoor deze onrechtmatig zijn tegenover [naam 1] Zeist en [artiestennaam].”
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, een rectificatie te plaatsen als story/verhaal op Instagram op [kanaal 1], zonder enig voorafgaand en/of achteraf geplaatst commentaar en/of weerwoord, in hetzelfde lettertype (vorm, opmaak en formaat) als de posts over [eiser 2], aldus met witte letters tegen een volledig blauwe achtergrond, waarbij de story 24 uur zichtbaar is en blijft, welke rectificatie als volgt luidt:
“Op 24 en 30 juli 2025 heb ik een aantal posts geplaatst over de levenspartner van [artiestennaam] waarin ik ten onrechte heb beweerd dat zij geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond. Ook heb ik de voornaam van de levenspartner van [artiestennaam] bekend gemaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis van 31 december 2025 geoordeeld dat ik haar voornaam niet bekend had mogen maken en dat ik mijn bewering over de niet gevolgde en afgeronde rechtenstudie niet waar heb kunnen maken, waardoor deze onrechtmatig zijn tegenover de levenspartner van [artiestennaam].”
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom te betalen van € 1.000,- ineens en € 2.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.1 tot en met 6.3 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,- in totaal is bereikt,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.761,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (in 6.5.) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart de veroordelingen in 6.1 tot en met 6.6 vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.9.
veroordeelt [eiser 1] tot het verwijderen en verwijderd houden van de volgende, hiervoor in 3.11 en 3.12 geciteerde, posts op Instagram op [kanaal 2]_:
a. Het verhaal op 8 september 2025:
“Je hebt 24 uur
[logo [kanaal 1]]
Nadat ik en mijn gezin maanden lang worden bedreigd,
Onze ramen er uit worden geslagen bij onze woning,
mijn ondernemingen worden aangevallen
Er LEUGENS over mij en mijn vrouw verspreid worden
Mensen mijn baby van 1 bedreigen en zijn 1ste verjaardag probeerden te verzieken
Heb ik zelf een onderzoek gedaan (politie wou mij niet helpen zeiden ze) En ben ik overal achtergekomen wie geprobeerd heeft ons leven kapot te maken en wie achter het anonieme account zit
Morgen plaats ik een video er over
Afhankelijk van anderen hoeveel ik daar in vertel
Huilie huilie”
Het bericht van 8 september 2025:
“[foto van ingeslagen autoruit]
Mijn gezin en ik worden al maanden bedreigd!
Ik heb er al die tijd niks over gezegd maar nu is het klaar !
Mijn vrouw wordt bedreigd en zelfs mijn baby van 1 jaar oud!
En de politie doet niks want die hebben het te druk met andere dingen zeggen ze
Deze week begin ik met plaatsen van wat mensen ons aangedaan hebben. En wie er allemaal achter zit!”
6.10.
veroordeelt [eiser 1] om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de volgende rectificatie te plaatsen als story/verhaal op Instagram op [kanaal 2]_, waarbij de story 24 uur zichtbaar is en blijft:
“Op 8 september 2025 heb ik een story en een bericht gepost over (de persoon achter) [kanaal 1] waarin de suggestie wordt gewekt dat als gevolg van berichten op [kanaal 1] mijn gezin en ik maandenlang worden bedreigd, de ruiten van onze woning en auto eruit worden geslagen, mijn ondernemingen worden aangevallen en de eerste verjaardag van onze zoon is verziekt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis van 31 december 2025 geoordeeld dat ik die beweringen niet waar heb kunnen maken, waardoor deze onrechtmatig zijn tegenover (de persoon achter) [kanaal 1].”
6.11.
veroordeelt [eiser 1] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 1.000,- ineens en € 2.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.9 en 6.10 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,- in totaal is bereikt,
6.12.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 731,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.13.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten (in 6.12.) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.14.
verklaart de veroordelingen in 6.9 tot en met 6.13 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.3608/2009