ECLI:NL:RBROT:2025:15315

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
709181 HA RK 25-1056
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak wegens vermeende vooringenomenheid

In deze zaak heeft verzoekster, die betrokken is bij een strafzaak, een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters van de strafkamer van de Rechtbank Rotterdam. Het verzoek is ingediend naar aanleiding van een tussenbeslissing die op 3 oktober 2025 is genomen, waarin de rechtbank beslissingen heeft genomen over onderzoekswensen van de verdediging. Verzoekster stelt dat de rechters partijdig zijn en dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat. De wrakingskamer heeft de procedure en de gronden van het verzoek besproken, waarbij onder andere is gekeken naar de communicatie tussen de rechtbank en de verdediging. De wrakingskamer concludeert dat de rechtbank niet onpartijdig heeft gehandeld en dat er geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Het wrakingsverzoek is afgewezen, omdat de aangevoerde gronden niet voldoende zijn om aan te nemen dat de rechters niet onpartijdig zijn. De beslissing is openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: 709181 HA RK 25-1056
Beslissing van 19 december 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
voor deze zaak woonplaats kiezende te Amsterdam op het kantoor van Knoops Advocaten,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaten mrs. G.G.J.A. Knoops, C.J. Knoops-Hamburger, E. Dekker en S. Boersma,
strekkende tot de wraking van
mrs. C.G. van de Grampel, A.J.P. van Essen en P. Putters,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters en de rechtbank.

1.De procedure

1.1.
Tegen verzoekster loopt een strafzaak (parketnummer 71-315090-22).
1.2.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak tegen verzoekster. Het dossier van de strafzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.3.
Het verloop van de procedure tot wraking blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 27 oktober 2025 en het aangepaste wrakingsverzoek van 29 oktober 2025,
  • de schriftelijke reactie van de rechters van 21 november 2025,
  • de schriftelijke reactie van de officieren van justitie van 25 november 2025.
1.4.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verschenen:
  • verzoekster, bijgestaan door mrs. Knoops, Knoops-Hamburger en Boersma,
  • de rechters,
  • mr. J. Patist, officier van justitie.

2.De beoordeling

De aanloop naar het wrakingsverzoek
2.1.
In de strafzaak tegen verzoekster zijn op de regiezitting van 10 april 2025 de door de verdediging ingediende onderzoekswensen besproken. Op 22 mei 2025 heeft de rechtbank beslist dat zij nog nader geïnformeerd wilde worden over de feitelijke detentieomstandigheden van verzoekster en heeft de rechtbank gelast dat de directeur van de detentielocatie (hierna: de directeur) op de regiezitting van 2 september 2025 zal worden gehoord. Alle overige onderzoekswensen zijn door de rechtbank afgewezen.
2.2.
Op 2 september 2025 heeft de opvolgende regiezitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is de directeur als getuige gehoord en heeft de verdediging een toelichting gegeven op ingediende nadere onderzoekswensen. Na het sluiten van de behandeling ter terechtzitting heeft de rechtbank bepaald dat op 3 oktober 2025 bij tussenbeslissing op de onderzoekswensen zal worden beslist.
2.3.
Op 10 september 2025 heeft de verdediging per e-mail de rechtbank een groot aantal Woo-documenten toegezonden met het verzoek om deze documenten aan het strafdossier toe te voegen en het verzoek om de terechtzitting van 2 september 2025 te heropenen voor het opnieuw horen van getuigen, aangezien volgens de verdediging - kort gezegd - hetgeen de directeur tijdens de regiezitting van 2 september 2025 heeft verklaard op gespannen voet staat met de Woo-documenten. Subsidiair is verzocht om op korte termijn een nieuwe regiezitting in te plannen.
2.4.
Bij e-mail van 2 oktober 2025 heeft de voorzitter van de rechtbank aan de verdediging (en de officieren van justitie) het volgende meegedeeld:
(…)
Morgen (…) zal de tussenbeslissing naar aanleiding van de (…) op 2 september jl. ter zitting naar voren gebrachte onderzoekswensen in het openbaar worden uitgesproken. (…)
Ná de zitting van 2 september hebt u mij bij mail van 10 september jl. in mijn hoedanigheid van voorzitter een flink aantal verzoeken gedaan, verzoeken die echter verder strekken dan enkel voorzittersbeslissingen. Het betreft ook verzoeken die de blik van de volledige samenstelling van de rechtbank vergen. (…)
Morgen is er echter
geenruimte om (die) nadere onderzoekswensen ter zitting te presenteren. De bijzitters noch de zaaksofficieren van justitie zullen dan aanwezig zijn. Het ligt dan ook meer in de rede om eerst de tussenbeslissing op de onderzoekswensen in ogenschouw te nemen, voordat verdere regiebeslissingen aan de orde komen.
(…)
2.5.
Op 3 oktober 2025 heeft de rechtbank een tussenbeslissing genomen. Zij heeft daarin het volgende overwogen en beslist:
(…)
Algemeen
Deze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
2 september 2025. Op deze regiezitting heeft de verdediging onderzoekswensen ingediend
en toegelicht.
De overwegingen die hierna volgen en alle beslissingen die daaruit voortvloeien zijn
voorlopig van aard, gelet op de functie die ze hebben binnen deze strafzaak en het moment
waarop ze zijn genomen.
(…)
Beslissingen ten aanzien van de onderzoekswensen
(…)
Deel B (detentie)
De rechtbank heeft in haar beslissing van 22 mei 2025 bepaald dat zij nader geïnformeerd
wilde worden over de feitelijke detentieomstandigheden van de verdachte.
(…)
Gelet op hetgeen door partijen en de getuige naar voren is gebracht acht de rechtbank zich in
dat kader thans voldoende voorgelicht omtrent de feitelijke detentieomstandigheden. Daarom worden alle verzoeken afgewezen.
In het verlengde daarvan ziet de rechtbank thans dan ook geen aanleiding om de zitting van 2 september 2025 te heropenen noch om nader onderzoek te doen naar - kort gezegd - de
besluitvorming rondom die detentie dan wel het Inspectie onderzoek ten aanzien van de
gevangenhouding van de verdachte en de totstandkoming daarvan zoals de verdediging na
die zitting bij brief van 10 september 2025 aanvullend aan de rechtbank heeft verzocht.
Evenmin zal de rechtbank hiertoe een nieuwe regiezitting plannen.
Beslissing
De verzoeken worden afgewezen;
het onderzoek op de terechtzitting wordt geschorst tot de terechtzitting op 2 april 2026 (…);
(…)
2.6.
Bij e-mail van 6 oktober 2025 heeft de verdediging de rechtbank - kort gezegd - verzocht om de Woo-documenten alsnog aan het strafdossier toe te voegen. De voorzitter van de rechtbank heeft bij e-mail van 17 oktober 2025 de officieren van justitie verzocht om een standpunt in te nemen over dit verzoek. Vervolgens hebben de officieren van justitie in hun e-mail van 20 oktober 2025 een afwijzend standpunt ingenomen.
2.7.
Bij e-mail van 21 oktober 2025 heeft de verdediging de rechtbank verzocht om zo snel mogelijk te beslissen op haar verzoek.
Het wrakingsverzoek
2.8.
Verzoekster legt de volgende gronden aan haar wrakingsverzoek ten grondslag:
A. De leden van de meervoudige strafkamer hebben een afwijzende beslissing genomen op een expliciet en onderbouwd verzoek van de verdediging, terwijl
(i) de rechtbank bij die beslissing mede stukken heeft betrokken die door de verdediging waren toegezonden maar formeel geen deel uitmaken van het procesdossier,
(ii) de verdediging niet door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld de verzoeken ter openbare terechtzitting te adstrueren en te worden gehoord, en
(iii) de rechtbank heeft beslist dat geen nadere regiezitting over de verzoeken zal plaatsvinden.
Verzoekster kan aan deze feiten en omstandigheden, die zonder meer als zwaarwegend zijn te kwalificeren, geen andere conclusie verbinden dan dat de rechtbank op dit punt de subjectieve en objectiveerbare schijn van partijdigheid heeft gewekt.
Schending van hoor en wederhoor, opgewekt vertrouwen en openbaarheid bij de bejegening van de verdediging bij het inbrengen van relevante stukken door de verdediging (artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR).
Schending van artikel 329 Sv, nu de rechtbank een beslissing heeft genomen - op het verzoek tot nader onderzoek en tot voeging zijdens de verdediging - zonder dat de rechtbank de verdachte en de officier van justitie op die verzoeken ter openbare terechtzitting heeft gehoord.
Niet voldoen aan artikel 330 Sv, nu de rechtbank weigert een beslissing te geven, of zelfs weigert te reageren dan wel niet eenduidig reageert op verzoeken van de verdediging om op een openbare zitting haar onderzoekswensen te mogen toelichten inclusief de wensen met betrekking tot het voegen van de Woo-stukken.
2.9.
Mede gelet op de toelichting die verzoekster tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft gegeven, begrijpt de wrakingskamer dat het wrakingsverzoek het volgende inhoudt. De rechtbank heeft in haar beslissing van 3 oktober 2025 niet alleen beslist op de op de zitting van 2 september 2025 behandelde onderzoekswensen, maar ook op de in de brief van 10 september 2025 opgenomen verzoeken (nadere onderzoekswensen, alsmede toevoeging van de Woo-documenten aan het strafdossier). Dit ondanks de door de voorzitter van de rechtbank in haar e-mail van 2 oktober 2025 gewekte indruk dat nog een separate zitting zou worden bepaald waar de verdediging nog de gelegenheid zou krijgen om de in de brief van 10 september 2025 vermelde verzoeken nader toe te lichten. Dit alles betekent dat er een beslissing is genomen zonder dat de standpunten van de verdediging en de officier van justitie zijn gehoord (geen hoor en wederhoor), wat potentieel zeer nadelig is voor de procespositie van verzoekster en dus ook voor de eerlijkheid van het strafproces. Daarnaast heeft de rechtbank niet gereageerd op rappels van de verdediging (zowel per e-mail als telefonisch) om duidelijkheid te verschaffen over de situatie en, indien zij toch nog niet zou hebben beslist op de brief van 10 september 2025, daarop alsnog te beslissen.
Gelet op dit alles bestaat er bij verzoekster een objectief gerechtvaardigde vrees dat de rechtbank jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert.
2.10.
De rechters hebben niet in de wraking berust en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
2.11.
De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Ontvankelijkheid
2.12.
Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden aan verzoekster bekend zijn geworden.
2.13.
Verzoekster stelt dat zij de rechtbank de mogelijkheid heeft willen geven om eerst duidelijkheid te verschaffen over het ontbreken van een regiezitting met betrekking tot de betreffende onderzoekswensen en de voeging van de Woo-documenten. Om die reden is de rechtbank verzocht om uiterlijk 24 oktober 2025 op eenduidige wijze te reageren op de brief van 10 september 2025. Toen verzoekster duidelijk werd dat er geen (nadere) beslissing zou worden genomen, heeft zij de rechtbank gewraakt.
2.14.
De tussenbeslissing van 3 oktober 2025 is tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek uitvoerig besproken om ook voor de wrakingskamer duidelijk te krijgen wat nu inhoudelijk wel of niet was bedoeld te beslissen. De wrakingskamer concludeert dat de tussenbeslissing van de rechtbank van 3 oktober 2025 niet uitblinkt in duidelijkheid. In die zin heeft de wrakingskamer er begrip voor dat dit bij de verdediging tot onduidelijkheid heeft geleid over de status van de behandeling van de in de brief van 10 september 2025 vermelde verzoeken. Verzoekster heeft ruim drie weken na de beslissing van 3 oktober 2025, namelijk op 27 oktober 2025, het wrakingsverzoek ingediend. In beginsel is dat te laat, maar onder de door verzoekster gestelde omstandigheden heeft de wrakingskamer er begrip voor dat de verdediging zich heeft moeten beraden over de inhoud van de door de rechtbank gegeven beslissing. De late indiening van het wrakingsverzoek acht de wrakingskamer daarom verschoonbaar.
2.15.
Gelet hierop is verzoekster ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.
Inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek
2.16.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren.
2.17.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn.
2.18.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechtbank jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar deze is niet doorslaggevend.
2.19.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit niet het geval. De wrakingskamer licht dit hieronder toe.
De bedoeling van de tussenbeslissing van 3 oktober 2025
2.20.
Zoals hiervoor is overwogen, is de tussenbeslissing van de rechtbank van 3 oktober 2025 niet duidelijk. Enerzijds zou uit de tussenbeslissing kunnen worden afgeleid dat de rechtbank niet alleen op de onderzoekswensen zoals behandeld op de regiezitting van 2 september 2025 heeft beslist, maar ook op de onderzoekswensen zoals verzocht in de brief van 10 september 2025. Dat zou dan inderdaad betekenen dat de rechtbank heeft beslist zonder dat de verdediging (en overigens ook de officier van justitie) op een zitting nader is gehoord over de verzoeken. Anderzijds worden de verzoeken die zijn vermeld in de brief van 10 september 2025 niet (verder) concreet benoemd en besproken, zoals wel is gebeurd met betrekking tot de op de regiezitting van 2 september 2025 behandelde onderzoekswensen en waarbij telkens per verzoek of samenhangende verzoeken specifiek wordt aangegeven wat er wordt beslist. Dit wijst er niet op dat met de tussenbeslissing ook op de verzoeken van 10 september 2025 wordt beslist.
2.21.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is uitgebreid gesproken over de vraag wat de rechtbank nu precies heeft bedoeld met haar tussenbeslissing.
Daarover heeft de voorzitter van de wrakingskamer het volgende verklaard. De rechtbank heeft in de beslissing van 3 oktober 2025 overwogen dat zij zich voldoende voorgelicht acht omtrent de feitelijke detentieomstandigheden. Over de besluitvorming van de detentie en de Woo-stukken hoefde zij daarom in het kader van de op de zitting van 2 september 2025 besproken onderzoekswensen niet voorgelicht te worden en daarom was er dus geen nader onderzoek nodig. Daarop ziet de overweging dat de rechtbank
“hiertoe geen nieuwe regiezitting zal plannen”. Dit alles is beslist op basis van de stand van zaken op 2 september 2025. Dat blijkt uit het gebruik van het woord
“thans”in de beslissing. De Woo-documenten zijn niet bij die beslissing betrokken omdat deze geen deel uitmaken van het strafdossier. Wel is nog met een schuin oog gekeken naar de e-mail van 10 september 2025 om te kijken of daarmee
“een atoombom was gevallen”, zoals de voorzitter het uitdrukte, waardoor er mogelijk nog niet kon worden beslist op de op de zitting van 2 september 2025 besproken onderzoekswensen. Dit was echter niet het geval. De rechtbank heeft dus nog niet op de onderzoekswensen van 10 september 2025 beslist. Dat was ook de reden waarom de rechtbank vervolgens het Openbaar Ministerie heeft gevraagd een standpunt in te nemen over de verzoeken van 10 september 2025. Maar nog voordat de rechtbank heeft kunnen beslissen op die verzoeken, werd de rechtbank door de verdediging gewraakt, aldus de voorzitter van de rechtbank.
2.22.
Wanneer met deze uitleg van de voorzitter van de rechtbank de tussenbeslissing van 3 oktober 2025 wordt gelezen, komt de onderliggende bedoeling van de uitspraak naar boven. De uitleg die de voorzitter van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft gegeven is niet strijdig met de in de beslissing gebruikte bewoordingen en maakt de beslissing van 3 oktober 2025 concludent.
2.23.
Met de door de voorzitter gegeven uitleg begrijpt de wrakingskamer de tussenbeslissing van 3 oktober 2025 aldus dat de rechtbank de beslissing van 22 mei 2025 niet opnieuw ter discussie heeft willen stellen. Zij heeft op basis van de stand van zaken van 2 september 2025 overwogen dat zij zich voldoende voorgelicht achtte over de feitelijke detentieomstandigheden en dat zij geen aanleiding zag de zitting van 2 september 2025 te heropenen en een nader onderzoek te doen naar de besluitvorming en verantwoordelijkheden rondom de detentie van verzoekster.
2.24.
Dat de rechtbank alleen heeft beslist op hetgeen tijdens de zitting van 2 september 2025 is behandeld, is in lijn met de onder het kopje
“Algemeen”van de tussenbeslissing van 3 oktober 2025 opgenomen overweging, waar letterlijk staat dat de tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 september 2025. Een en ander strookt ook met de uitleg van de voorzitter dat de rechtbank de brief van 10 september 2025 en de Woo-documenten nog niet inhoudelijk heeft kunnen/willen beoordelen omdat de in die brief vermelde verzoeken nog niet op een zitting zijn besproken en die documenten geen deel uitmaken van het strafdossier.
2.25.
In de beslissing wordt het onderzoek op de terechtzitting geschorst tot de terechtzitting op 2 april 2026. De wrakingskamer begrijpt de beslissing aldus dat de rechtbank met de term
“thans”heeft bedoeld dat er naar de stand van zaken op 2 september 2025 weliswaar geen aanleiding is voor een eerdere zitting, maar dat dat op een later moment mogelijk anders kan zijn en dat de zaak dus niet definitief naar de zitting van 2 april 2026 is verwezen voor een inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De brief van 10 september 2025 zou mogelijk aanleiding kunnen zijn voor een eerdere zitting, maar de rechtbank heeft daar door de hoge werkdruk nog geen beslissing in kunnen nemen. Dit strookt ook met de e-mail van de voorzitter van 2 oktober 2025. Uit deze e-mail kan worden afgeleid dat de volgende dag nog niet op de verzoeken gedaan in de brief van 10 september 2025 zou worden beslist. De voorzitter geeft juist aan dat het meer in de rede ligt om eerst de beslissingen op de verzoeken die op 2 september 2025 zijn gedaan af te wachten voordat verdere regiebeslissingen aan de orde komen.
2.26.
Uit dit alles concludeert de wrakingskamer dat de rechtbank in haar beslissing van 3 oktober 2025 met de overweging
“Daarom worden alle verzoeken afgewezen”en het dictum
“De verzoeken worden afgewezen”heeft bedoeld alle verzoeken zoals behandeld op de zitting van 2 september 2025 en dus niet ook de in de brief van 10 september 2025 vermelde verzoeken.
Geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid
2.27.
In de tussenbeslissing van 3 oktober 2025 is dus niet beslist op de in de brief van 10 september 2025 vermelde verzoeken. Op deze verzoeken moet daarom nog beslist worden en dit betekent dat er dus geen sprake kan zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Van de daarop gestoelde wrakingsgronden A, B en C is daarom niet gebleken.
2.28.
Evenmin is sprake van het weigeren van een beslissing door de rechtbank, nu als gezegd de rechtbank nog moet beslissen op de in de brief van 10 september 2025 vermelde verzoeken. Ook van wrakingsgrond D is dus niet gebleken.
2.29.
Gelet op dit alles wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Fiege, voorzitter, mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Stehouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.