ECLI:NL:RBROT:2025:15282
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstandsuitkering op grond van studiefinanciering
Verzoeker heeft op 5 juni 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 22 oktober 2025 is afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het feit dat verzoeker studiefinanciering ontvangt die gelijk is aan of hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd, stellende dat hij niet over inkomsten beschikt en een aanzienlijke schuld heeft, waardoor hij niet in zijn noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Daarnaast is niet gebleken dat het besluit van het college evident onrechtmatig is. Studiefinanciering wordt volgens vaste rechtspraak als een voorliggende voorziening beschouwd die passend en toereikend is. Verzoeker heeft ook geen zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet onderbouwd.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid.