De Raad voor de kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds december 2025 verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter hield op 16 december 2025 een zitting met gesloten deuren, waarbij de moeder, een vertegenwoordiger van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De vader was opgeroepen maar niet verschenen.
De minderjarige maakt een positieve, maar nog prille ontwikkeling door in de huidige verblijfplaats, waar hij de juiste begeleiding ontvangt. Ondanks deze vooruitgang vertoont hij nog regelmatig oud gedrag en zoekt hij grenzen op. De betrokken partijen, waaronder de moeder en de gecertificeerde instelling, onderschrijven het belang van continuering van de huidige begeleiding en het voorkomen van een wisseling van verblijfplaats.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging, opvoeding en veiligheid van de minderjarige. De machtiging wordt verlengd tot 14 april 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.