ECLI:NL:RBROT:2025:15227

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/10/702043 / JE RK 25-1310 en C/10/706042 / JE RK 25-1820
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en gedeeltelijke gezagsuitoefening in jeugdzaken

Op 3 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaken van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met betrekking tot drie minderjarigen. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd tot 22 februari 2026. De moeder van de minderjarigen is niet verschenen op de zitting, ondanks dat zij correct was opgeroepen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder nog steeds aanwezig zijn, waardoor een terugplaatsing van de kinderen bij haar niet aan de orde is. De minderjarigen verblijven momenteel in verschillende instellingen, waarbij de kinderrechter heeft benadrukt dat het belangrijk is dat zij naar school kunnen gaan. De GI heeft verzocht om het gezag over twee van de minderjarigen uit te oefenen met betrekking tot hun aanmelding bij een onderwijsinstelling, wat door de kinderrechter is toegewezen tot 22 februari 2026. De beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat ze direct gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/702043 / JE RK 25-1310 en C/10/706042 / JE RK 25-1820
Datum uitspraak: 3 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en gedeeltelijke gezagsuitoefening
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, ingeschreven onder zaaknummer C/10/702043 / JE RK 25-1310;
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 6 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, ingeschreven onder zaaknummer C/10/706042 / JE RK 25-1820;
  • de brief van de moeder van 12 november 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • de briefrapportage van de GI van 19 november 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • het gezinsplan van de GI van 19 november 2025, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Daarbij was een vertegenwoordiger van de GI, [naam] , aanwezig.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. [minderjarige 2] heeft (via een digitale verbinding) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in een kamertrainingscentrum van Prokino. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij [naam groep] in [plaatsnaam] .
2.3.
Bij beschikking van 15 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 22 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 december 2025. Het overig verzochte is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de kinderrechter bepaald dat de GI het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitoefent met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 1 januari 2026. Het overig verzochte is aangehouden.

3.De aangehouden verzoeken

Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/702043 / JE RK 25-1310
3.1.
De GI heeft – voor zover nog van belang – verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij beschikking van 15 augustus 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 december 2025 verleend. Er resteert nog een beslissing op de machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 februari 2026.
Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/706042 / JE RK 25-1820
3.2.
De GI heeft verzocht te bepalen dat het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij beschikking van 6 oktober 2025 is al bepaald dat de GI het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitoefent met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 1 januari 2026. Er resteert nog een beslissing op het verzoek van de GI voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing.

4.De standpunten

De GI handhaaft de aangehouden verzoeken en licht deze als volgt toe. De zorgen om de opvoedsituatie bij de moeder zijn nog onverminderd aanwezig. Een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder is daarom nog niet aan de orde. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven op dit moment nog bij [naam groep] in [plaatsnaam] , maar zij kunnen binnenkort worden overgeplaatst naar een groep in Nesselande. Met deze overplaatsing is het voor [minderjarige 2] eventueel mogelijk om terug te keren naar haar oude school. Zij zal dan moeten leren hoe zij met het openbaar vervoer moet reizen. De GI is deze mogelijkheid aan het onderzoeken. [minderjarige 3] zal, gezien zijn jonge leeftijd, naar een nieuwe school bij de groep gaan. [minderjarige 1] verblijft nog steeds in een kamertrainingscentrum van Prokino. Doordat Prokino gericht is op zelfstandigheid, is het voor [minderjarige 1] mogelijk om – buiten schooltijden – veel bij de moeder langs te gaan. [minderjarige 1] lijkt zich echter veel zorgen te maken om de moeder en gaat daarom minder vaak naar school. Voor [minderjarige 1] is ook jeugdreclassering betrokken.

5.De beoordeling

Ten aanzien van het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/702043 / JE RK 25-1310
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de moeder de samenwerking met de GI nog steeds uit de weg gaat en de inzet van hulpverlening weigert, waardoor het nog niet is gelukt om de zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder weg te nemen. Een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder is daarom nog niet aan de orde. Het is positief dat voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een plek is gevonden op een groep in Nesselande. Dit is dichter bij de moeder, wat haar contact met de kinderen en de GI hopelijk zal verbeteren. [minderjarige 1] lijkt zich veel zorgen te maken om de moeder, waardoor hij veel bij haar langsgaat en zijn schoolgang stagneert. Het is van belang dat hier de komende periode aandacht voor is en dat waar mogelijk passende hulpverlening wordt ingezet.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarom verlengen voor de resterende verzochte duur, te weten tot 22 februari 2026.
Ten aanzien van het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/706042 / JE RK 25-1820
5.3.
Op grond van artikel 1:265e BW kan de kinderrechter – voor zover van belang – na de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing op verzoek van de GI bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit doen met betrekking tot, onder meer, de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling, voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing.
5.4.
Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de kinderrechter al bepaald dat de GI het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitoefent met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 1 januari 2026, omdat het belangrijk en noodzakelijk is dat de kinderen naar school kunnen gaan ondanks dat de moeder hiervoor geen toestemming geeft. Het overig verzochte heeft de kinderrechter destijds aangehouden om de moeder in de gelegenheid te stellen ter zitting haar mening te geven. De moeder is echter opnieuw niet op de zitting verschenen. Zij heeft geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan de kinderen niet school zouden moeten gaan. De kinderrechter acht het noodzakelijk – gezien ook de vereisten van de Leerplichtwet – dat de GI, langer dan al door de kinderrechter is bepaald, gedeeltelijk wordt belast met de uitoefening van het gezag met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, zodat de schoolgang van de kinderen wordt gewaarborgd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/702043 / JE RK 25-1310
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 februari 2026;
Ten aanzien van het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/706042 / JE RK 25-1820
6.2.
bepaalt dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitoefent met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 22 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 16 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.