ECLI:NL:RBROT:2025:15222

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9641
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens gebrek aan spoedeisend belang

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 23 december 2025, is het verzoek van de verzoeker om een voorlopige voorziening afgewezen. De verzoeker had een WIA-uitkering aangevraagd, welke door het UWV was afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de verzoeker geen spoedeisend belang had bij zijn verzoek, omdat de financiële gevolgen van de afwijzing niet voldoende waren om een spoedeisend belang aan te nemen. De verzoeker verkeerde in een problematische financiële situatie, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat hij een bijstandsuitkering kon aanvragen, wat een meer geschikte oplossing zou zijn voor zijn situatie. De verzoeker had aangevoerd dat hij in een noodsituatie verkeerde door de afwijzing van zijn WIA-aanvraag, maar de voorzieningenrechter vond dat hij niet had aangetoond dat zijn psychische klachten op de datum in geding ernstiger waren dan door de verzekeringsarts was vastgesteld. De voorzieningenrechter raadde de verzoeker aan om zich tot de gemeente Rotterdam te wenden voor een bijstandsuitkering, aangezien dit de aangewezen voorziening was. De uitspraak benadrukt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een spoedeisend belang is, wat in dit geval niet aanwezig werd geacht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9641

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat zij vindt dat verzoeker geen (spoedeisend) belang heeft bij zijn verzoek.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 24 december 2022 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 28 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 heeft het UWV het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep (ROT 25/1795) ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningen-rechter dient daarom eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4. Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij als gevolg van de afwijzing van zijn WIA-aanvraag in een (financiële) noodsituatie zal geraken. Verzoeker is slachtoffer van de toeslagen-affaire en heeft de afgelopen maanden geleefd van het geld van de zogenoemde Catshuisregeling. Het geldbedrag van € 30.000,- dat hem was toegekend is nu op, waardoor hij steeds meer schulden en betalingsachterstanden is gaan opbouwen. De huur- en zorgtoeslag zijn ontoereikend om van rond te komen. Het lukt verzoeker niet om te starten met schuldsanering of schuldhulpverlening omdat hij onvoldoende inkomsten heeft. De kantonrechter heeft inmiddels bij vonnis van 14 november 2025 geoordeeld dat verzoeker binnen 14 dagen zijn woning dient te ontruimen en te verlaten. Op dit moment is de situatie zo dat verzoeker de woning uiterlijk 20 februari 2026 moet hebben verlaten en ontruimd. Zonder vaste woon- of verblijfplaats zal ook de omgangsregeling met zijn kinderen in gevaar komen. Verzoeker heeft een bijstandsuitkering aangevraagd, maar deze aanvraag is afgewezen omdat hij niet alle gevraagde informatie kon aanleveren. Hij was hiertoe door zijn psychische situatie eenvoudigweg niet in staat. Omdat het om privé-informatie gaat wil verzoeker zijn naasten niet om hulp vragen. Hulp van het wijkteam is geen oplossing, omdat verzoeker dan alsnog alle stukken moet verzamelen en aanleveren, wat hij door zijn psychische klachten niet ziet zitten. Verzoeker hoopt daarom dat zijn beroep zo spoedig mogelijk gegrond zal worden verklaard, zodat hij weer over inkomen kan beschikken om de vaste lasten te voldoen en betalingsregelingen na te komen. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter daarom tevens uitspraak te doen op het beroep.
Is er sprake van evidente onrechtmatigheid?
5. Het UWV heeft verzoekers aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen omdat uit medisch en arbeidsdeskundig onderzoek is gebleken dat verzoeker minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Met het bestreden besluit is het UWV bij deze afwijzing gebleven. De voorzieningenrechter ziet geen reden om het bestreden besluit evident onrechtmatig te achten. Verzoeker heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit blijkt dat de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten op de datum in geding. Verzoeker heeft daarom niet onderbouwd dat zijn psychische klachten op de datum in geding ernstiger waren dan door de (bezwaar)-verzekeringsarts is aangenomen. Evenmin is onderbouwd waarom de geduide functies in verzoekers geval niet passend zouden zijn. Voor zover verzoeker stelt dat zijn medische situatie sinds de datum in geding alleen maar is verslechterd, geldt dat hij altijd een nieuwe WIA-aanvraag kan doen. In zoverre heeft verzoeker geen (spoedeisend) belang bij zijn verzoek.
Is er spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter ziet ook dat verzoeker in een moeilijke financiële positie verkeert. Er is sprake van aanzienlijke schulden en betalingsachterstanden en verzoeker dreigt binnen afzienbare tijd zijn woning te moeten verlaten en ontruimen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het spoedeisend belang niet is gelegen in de financiële gevolgen van het bestreden besluit. Omdat zijn WIA-aanvraag tot in bezwaar is afgewezen en omdat de voorzieningenrechter niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is, is een uitkering op grond van de Participatiewet hier op dit moment de aangewezen voorliggende voorziening. Het ligt dus op de weg van verzoeker om een bijstandsuitkering aan te vragen. De voorzieningenrechter raadt verzoeker daarom nadrukkelijk aan om zich zo spoedig mogelijk tot de gemeente (Rotterdam) te wenden. Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat het aanvragen van een bijstandsuitkering voor hem psychisch (te) belastend is. Echter, de financiële situatie en de dreigende uithuiszetting van verzoeker in aanmerking genomen, zou hij er toch goed aan doen deze stap te nemen en daarbij alle bewijsstukken waar de gemeente om vraagt over te leggen. Verzoeker kan hierbij de hulp inroepen van zijn sociale netwerk of het wijkteam. Indien hem een bijstandsuitkering wordt toegekend zou verzoeker mogelijk ook kunnen starten met een schuldsaneringstraject of schuldhulpverlening.
7. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker kan een bijstandsuitkering aanvragen. In zoverre heeft hij geen (spoedeisend) belang bij zijn verzoek.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen (voorschot op een) WIA-uitkering krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.