2.4.Op 29 oktober 2025 heeft verzoekster zich opnieuw bij CO gemeld voor maatschappelijke opvang. Daarbij heeft zij aangegeven sinds twee maanden bij een kennis te verblijven maar daar binnen enkele dagen te moeten vertrekken. De kennis kan het gezin niet langer opvangen vanwege het gedrag van de oudste zoon, die spullen kapot maakt en veel aandacht vraagt.
Waar gaat deze zaak over?
3. Het college heeft dit laatstgenoemde verzoek afgewezen omdat verzoekster volgens het college in staat kan worden geacht zich op eigen kracht, met de gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. De hulpvraag die verzoekster heeft beperkt zich tot een huisvestingsprobleem. De Wmo is hiervoor niet bedoeld. Verzoekster dient daarom zelf in onderdak voor haarzelf en haar kinderen te voorzien.
4. Verzoekster is het hier niet mee eens. Met haar verzoek wil verzoekster bereiken dat haar een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke (nood)opvang wordt toegekend tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Zij voert daartoe aan dat het stappenplan van de Centrale Raad niet zorgvuldig is doorlopen en dat het college te snel de conclusie heeft getrokken dat slechts sprake is van een huisvestingsprobleem. Het gaat hier om een kwetsbaar gezin dat dakloos dreigt te raken. De problemen van verzoekster zelf hangen samen met psychosociale factoren, waaronder stress, financiële problemen en beperkte kennis van het Nederlandse systeem. Daarnaast zijn de belangen van haar twee minderjarige kinderen onvoldoende meegewogen. Haar oudste zoontje van vier is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, heeft ernstige ontwikkelings-achterstanden en gaat op dit moment niet naar school.
5. Niet in geschil is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Zelfredzaamheid verzoekster
7. De voorzieningenrechter ziet in het dossier aanknopingspunten voor het oordeel dat verzoekster in staat kan worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien en zich te handhaven in de samenleving. Uit de journaalregels en het Toegangsformulier Maatschappelijke Opvang (toegangsformulier) van 29 oktober 2025 blijkt dat verzoekster zich heeft gemeld met een huisvestingsvraag en dat er geen sprake is van beperkingen en belemmeringen die het dagelijks functioneren beïnvloeden. Verzoekster is in staat om haar dagelijkse taken te doen en haar kinderen te verzorgen. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bij de beoordeling van de zelfredzaamheid niet gaat om de vraag of verzoekster hulp nodig heeft, maar of ze de weg weet te vinden naar hulp.
8. De voorzieningenrechter ziet toch aanleiding om een voorziening te treffen omdat het college slechts summier onderzoek heeft gedaan naar de belangen van de betrokken kinderen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt onvoldoende concreet in hoeverre de belangen van de kinderen in het kader van verzoeksters aanvraag zijn onderzocht en meegewogen. Het belang van het kind behelst meer dan enkel huisvesting. Er dient ook gekeken te worden naar andere aspecten zoals veiligheid, bescherming, ontwikkeling, gezondheid en zorg. Uit de verklaring van de huisarts op Aruba van 12 mei 2025 leidt de voorzieningenrechter af dat de oudste zoon van verzoekster op vrijwel alle ontwikkelingsdomeinen een ernstige achterstand vertoont en adaptief functioneert op het niveau van een eenjarige. Uit de informatie van de loketspecialist jeugd leidt de voorzieningenrechter af dat bij de eerste melding van verzoekster in juli 2025 is geconstateerd dat met name de oudste zoon van verzoekster zorg en structuur nodig heeft en dat is geadviseerd dat verzoekster zich, zodra zij een vaste verblijfplaats heeft, kan melden bij het wijkteam, zodat zij kunnen meedenken over passende hulp voor de oudste zoon en voor passend onderwijs kan worden gezorgd. Daar lijkt uit te volgen dat de huisvesting niet los kan worden gezien van de overige aspecten van het belang van het kind. De voorzieningenrechter stelt vast dat de oudste zoon nog altijd niet naar school gaat of een andere vorm van zorg of structuur ontvangt. Dit acht de voorzieningenrechter zeer onwenselijk, mede gezien zijn specifieke behoeftes en het belang van zijn ontwikkeling. Daarnaast volgt uit de informatie van de loketspecialist van 25 november 2025 dat er op dat moment “enigszins zorgen zijn over de directe veiligheid” van de kinderen. Verzoekster heeft geen voorbereidingen getroffen voor een passende school voor haar oudste zoon en heeft bijvoorbeeld geen warme kleding voor de kinderen, terwijl de temperatuur op dat moment rond het vriespunt is. Dat is een ander standpunt dan het in het toegangsformulier opgenomen standpunt dat er geen zorgen zijn over de directe veiligheid van de minderjarige kinderen.
9. De voorzieningenrechter is het met het college eens dat verzoekster er zelf voor heeft gekozen om naar Nederland te gaan, terwijl zij geen huisvesting op de lange termijn of passend onderwijs heeft geregeld. Het college heeft ter zitting aangegeven dit punt nader uit te willen vragen in bezwaar en het verwijtbaar handelen van verzoekster wellicht tegen te zullen werpen in de beslissing op bezwaar. De primaire verantwoordelijkheid van de ouders met betrekking tot het welzijn van hun kinderen neemt echter niet weg dat de Staat, indien de ouders die verantwoordelijkheid niet of onvoldoende nemen, de verplichting heeft om erop toe te zien dat de rechten en belangen van de kinderen desondanks worden beschermd en geborgd, en dat het college daartoe zo nodig maatregelen moet nemen.
10. Gelet op het voorgaande is door het college geen deugdelijk onderzoek gedaan als voorgeschreven in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 2.3.2. en 2.3.5. van de Wmo 2015 en heeft het college zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van het kind. Daarmee is het bestreden besluit ook gebrekkig gemotiveerd.
11. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het college wordt opgedragen verzoekster en haar kinderen met ingang van de dag na deze uitspraak tot uiterlijk zes weken na de beslissing op bezwaar toe te laten tot de maatschappelijke opvang.