ECLI:NL:RBROT:2025:15204

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25-1077
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing WSNP-verzoek op basis van hardheidsclausule met afwijzing eerdere ingangsdatum

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) van een verzoeker die zich in een problematische schuldensituatie bevindt. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen, maar de ingangsdatum van de Wsnp is vastgesteld op de datum van het vonnis, 27 november 2025, en niet op de door de verzoeker gewenste eerdere datum van 21 januari 2025. De rechtbank overweegt dat de verzoeker niet heeft voldaan aan de inspanningsplicht die vereist is voor een eerdere ingangsdatum, aangezien hij in de periode van januari tot en met juli 2025 niet heeft gewerkt en geen ontheffing van de sollicitatieverplichting had. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker sinds 1 augustus 2025 voor 32 uur per week werkt, maar dit is niet voldoende om aan de voorwaarden voor een eerdere ingangsdatum te voldoen. De rechtbank heeft ook overwogen dat de verzoeker, ondanks een eerdere veroordeling voor een strafbaar feit, kan worden toegelaten tot de Wsnp op basis van de hardheidsclausule, omdat hij zijn omstandigheden onder controle heeft gekregen en een positieve ontwikkeling doormaakt. De rechtbank heeft een bewindvoerder benoemd en de verplichtingen van de verzoeker tijdens de Wsnp uiteengezet. De looptijd van de Wsnp is vastgesteld op 18 maanden, met een einddatum op 27 mei 2027.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
27 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 21 januari 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting op 5 augustus 2025, 4 september 2025 en 17 oktober 2025 van schuldhulpverlening aanvullende stukken ontvangen.
1.3.
De behandeling van het verzoekschrift stond gepland op 20 oktober 2025. [verzoeker] is toen niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft een nieuwe datum bepaald voor de behandeling van het verzoekschrift op 17 november 2025.
1.4.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 17 november 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- [naam 1], begeleider van Jan Arends,
- mevrouw N.J. Eckhart, beschermingsbewindvoerder.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
Gebleken is dat [verzoeker] op 5 januari 2020 een strafbaar feit heeft gepleegd te weten diefstal met geweld. Hiervoor is [verzoeker] op 23 juli 2020 veroordeeld. Het is echter nog niet duidelijk of [verzoeker] een schadevergoeding hiervoor dient te betalen en zo ja wat de hoogte hiervan zal zijn, omdat dit nog door de burgerlijke rechter moet worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat deze schuld aan het slachtoffer binnen de termijn van artikel 288, tweede lid, onder c Faillissementswet (Fw) dient te vallen. Dat betekent dat deze schuld in beginsel in de weg staat aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw en de aanwezigheid van een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid Fw (artikel 288, eerste lid onder b Fw en artikel 288, tweede lid onder c Fw) wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schuld, onder controle heeft gekregen waardoor een wending ten goede is ontstaan.
2.4.
In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schuld, onder controle heeft gekregen. [verzoeker] heeft zich onder beschermingsbewind laten stellen. Het bewind is uitgesproken op 3 februari 2023. Daarnaast ontvangt [verzoeker] al geruime tijd begeleiding vanuit de Wmo. De begeleider van [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat [verzoeker] een positieve ontwikkeling doormaakt. Hij heeft inmiddels een baan toegewezen gekregen via de gemeente waar hij 32 uur per week werkzaam is. [verzoeker] heeft blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Bij de rechtbank is dan ook het vertrouwen ontstaan dat [verzoeker] de verplichtingen uit de Wsnp naar behoren zal nakomen.
2.5.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
2.6.
De rechtbank heeft met [verzoeker] besproken dat de schuld ten aanzien van het strafbare feit niet onder de werking van de Wsnp en een eventuele schone lei valt.
Bevoegdheid
2.7.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.8.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.9.
De Fw bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.10.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.11.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] vanaf aanvang van het schuldhulpverleningstraject in januari 2025 tot en met juli 2025 niet heeft gewerkt en ook niet was ontheven van de sollicitatieverplichting door de gemeente. [verzoeker] heeft daarmee niet aan zijn inspanningsplicht voldaan. [verzoeker] werkt sinds 1 augustus 2025 voor 32 uur per week en dus niet de voor de Wsnp vereiste 36 uur per week. Voor de overige vier uur is [verzoeker] geen ontheffing van de inspanningsverplichting verleend. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om de te weinig gewerkte uren te salderen in het kader van een mogelijke eerdere ingangsdatum. [verzoeker] heeft namelijk ook over de periode dat hij wel werkte en volgens het VTLB afloscapaciteit had, niet afgedragen voor zijn schuldeisers.
2.12.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.6.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum]-1999 te Curaçao (Nederlandse Antillen),
wonende te [adres], [postcode] Rotterdam;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder [naam 2],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 27 november 2025 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
27 mei 2027;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025. [1]