Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 5 december 2025;
- de pleitnota van [eiser];
- de pleitnota van [gedaagden]
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak, die op 19 december 2025 door de Rechtbank Rotterdam is behandeld, gaat het om een kort geding tussen twee aandeelhouders van een vennootschap, [eiser] en [gedaagden], over de beëindiging van hun samenwerking en de overdracht van aandelen. [eiser] heeft een aandeel in [gedaagde 1], een houtbewerkingsbedrijf, en vordert onder andere een voorschot op dividend en medewerking van de gedaagden aan de waardering van de aandelen. De procedure is gestart na een reeks van conflicten over de nakoming van afspraken en de opzegging van de managementovereenkomst door [gedaagde 1]. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 december 2025 is geprobeerd om tot een mediationtraject te komen, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen, onder andere omdat de gevraagde dividenduitkering en de medewerking aan de waardering van de aandelen niet toewijsbaar zijn. De rechter oordeelt dat de besluiten omtrent dividenduitkeringen voorbehouden zijn aan de algemene vergadering van aandeelhouders en dat er geen grond is om [gedaagden] te verplichten tot medewerking aan de onderhandelingen over de aandelen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [gedaagden] tot een bedrag van € 3.866,00.