ECLI:NL:RBROT:2025:15196

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710532 / KG ZA 25-1166
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming van woning vanwege huurachterstand en overlast

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Woningstichting Samenwerking Vlaardingen en een gedaagde huurder. De eiseres, Samenwerking Vlaardingen, vorderde ontruiming van de woning van de gedaagde wegens huurachterstand en overlast. De gedaagde huurde de woning sinds 1 september 2022, maar had vanaf juli 2024 een huurachterstand opgebouwd. Samenwerking Vlaardingen had eerder een bodemprocedure aangespannen tegen de gedaagde, waarin ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming werd gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling in die procedure had de gedaagde de behandelend kantonrechter gewraakt, wat leidde tot uitstel van de zaak.

In het kort geding vorderde Samenwerking Vlaardingen dat de gedaagde binnen drie dagen de woning zou ontruimen en de huurachterstand van € 9.374,44 zou betalen, evenals buitengerechtelijke kosten en toekomstige huurtermijnen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedaagde niet voldoende had onderbouwd dat hij recht had op opschorting van de huurbetalingen en dat de huurachterstand aanzienlijk was. Ook werd vastgesteld dat de gedaagde overlast veroorzaakte, wat de vordering tot ontruiming verder onderbouwde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van Samenwerking Vlaardingen om de woning te ontruimen groter was dan het belang van de gedaagde om in de woning te blijven, vooral gezien de huurachterstand en de overlast. De gedaagde werd veroordeeld om de woning binnen 14 dagen te ontruimen en de achterstallige huur te betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk uitgevoerd kon worden, ook als de gedaagde in hoger beroep ging.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710532 / KG ZA 25-1166
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
WONINGSTICHTING SAMENWERKING VLAARDINGEN,
gevestigd in Vlaardingen,
eiseres,
hierna te noemen: Samenwerking Vlaardingen,
advocaat: mr. I.J. Bos,
tegen
[gedaagde],
wonend in Vlaardingen,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 december 2025, met producties;
- de producties van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling op 16 december 2025.

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 1 september 2022 huurt [gedaagde] de woonruimte gelegen aan de Willem de Zwijgerlaan 172, 3136 AX, in Vlaardingen (hierna: de woning) van Samenwerking Vlaardingen.
2.2.
Vanaf juli 2024 heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan.
2.3.
Bij dagvaarding van 31 maart 2025 is Samenwerking Vlaardingen een bodemprocedure gestart tegen [gedaagde] bij deze rechtbank. In die procedure heeft Samenwerking Vlaardingen, samengevat, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en veroordeling tot betaling van de huurachterstand en van de huur tot aan de ontruiming gevorderd.
2.4.
Op 7 oktober 2025 vond in die bodemprocedure de mondelinge behandeling plaats. Tijdens die mondelinge behandeling heeft [gedaagde] de behandelend kantonrechter gewraakt. De behandeling van de zaak is aangehouden tot (in elk geval) 30 december 2025.

3.Het geschil

3.1.
Samenwerking Vlaardingen vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet eigendom zijn van Samenwerking Vlaardingen, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Samenwerking Vlaardingen te stellen;
2. [gedaagde] veroordeelt om aan Samenwerking Vlaardingen € 9.374,44 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de termijnen tot aan de dag van volledige betaling;
3. [gedaagde] veroordeelt om aan Samenwerking Vlaardingen € 439,24 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten;
4. [gedaagde] veroordeelt om vanaf 1 december 2025 iedere maand € 693,54 aan Samenwerking Vlaardingen te betalen tot en met de dag van de ontruiming en voor een gedeelte van een maand een naar evenredigheid te berekenen gedeelte van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot de dag van volledige betaling;
5. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.

4.De beoordeling

4.1.
Bij de beoordeling van een eis in kort geding is van belang of de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een bodemprocedure niet hoeft af te wachten en hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
huurachterstand
4.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Samenwerking Vlaardingen heeft voldaan aan haar plicht tot vroegsignalering zoals bedoeld in artikel 2 Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Uit de door Samenwerking Vlaardingen overgelegde terugkoppeling van het Team Vroegsignalering van Stroomopwaarts blijkt dat de melding op 10 december 2024 is afgerond met als resultaat: “Inwoner is nog niet bereikt of wil geen hulp”. Ter zitting heeft Samenwerking Vlaardingen onweersproken gesteld dat [gedaagde] geen schuldhulp accepteert.
4.3.
Volgens Samenwerking Vlaardingen is het gevorderde bedrag van € 9.374,44 de huurachterstand berekend tot en met november 2025. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat dit bedrag niet klopt en dat de huurachterstand zeven maanden is, maar hij heeft dit niet verder toegelicht, bijvoorbeeld door stukken over te leggen, waaruit blijkt dat het bedrag aan huurachterstand lager is dan € 9.374,44. De voorzieningenrechter gaat dan ook uit van dit bedrag aan huurachterstand. Dit betekent dat [gedaagde] een huurachterstand heeft van meer dan een jaar.
4.4.
[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat hij huurtermijnen niet heeft betaald, omdat men al had besloten dat hij weg moest en omdat Samenwerking Vlaardingen niets doet aan de schade die [gedaagde] heeft geleden aan zijn bril, door een mishandeling, en aan zijn auto’s, door vernieling. [gedaagde] heeft gezegd dat hij niet weet wie de schade aan de auto’s heeft veroorzaakt, maar dat hij vermoedt dat de schade is veroorzaakt door een medebewoner. [gedaagde] heeft gezegd dat hij de vernielde auto’s, die zijn weggehaald, terug wil. Hij weet niet wie zijn auto’s heeft weggehaald, maar volgens hem wordt gezegd dat dat in opdracht van Samenwerking Vlaardingen is gebeurd.
4.5.
Ook heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat iemand, de ex-partner van een vrouw die [gedaagde] onderdak gaf, zijn deur heeft ingetrapt en [gedaagde] heeft bedreigd en dat deze persoon naar binnen heeft kunnen komen doordat Samenwerking Vlaardingen de algemene ingang open heeft laten staan. [gedaagde] heeft gezegd dat hij tegen deze persoon vier aangiftes heeft gedaan. Volgens [gedaagde] heeft hij ook verschillende keren geklaagd over medebewoners en reageert Samenwerking Vlaardingen daar niet op. Samenwerking Vlaardingen heeft hem enkel doorverwezen naar een buurtbemiddelaar, maar deze is nooit bereikbaar. Samenwerking Vlaardingen kiest de kant van de andere bewoners en [gedaagde] wil het liefst zelf ook verhuizen, maar dat is moeilijk is in deze tijd, aldus [gedaagde].
4.6.
Juridisch betekent dit dat [gedaagde] een beroep doet op opschorting van zijn verplichting om de huur te betalen. Maar [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat Samenwerking Vlaardingen de schade die [gedaagde] kennelijk heeft geleden door toedoen van een medebewoner en/of de ex-partner van een vriendin van [gedaagde], moet vergoeden. Dat de centrale toegangsdeur niet altijd is afgesloten, is daarvoor onvoldoende. kOok blijkt niet van een andere vordering van [gedaagde] op Samenwerking Vlaardingen waardoor [gedaagde] recht zou hebben op opschorting van zijn verplichtingen de huur te betalen. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat hij Samenwerking Vlaardingen heeft laten weten waarom hij is gestopt met het betalen van huur. Samenwerking Vlaardingen heeft naar voren gebracht dat haar niets bekend is van mogelijke klachten van [gedaagde]. [gedaagde] had daarom niet het recht om te stoppen met zijn huurbetalingen.
4.7.
Er is sprake van een zeer aanzienlijke huurachterstand. De hoogte daarvan is zodanig dat aannemelijk is dat in de bodemprocedure de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde door [gedaagde] zal worden toegewezen. Het belang van [gedaagde], dat hij niet op straat komt te staan, weegt zwaar, maar hij heeft dat risico zelf genomen door zonder goede reden vele maanden de huur niet te betalen. Ook heeft [gedaagde] geen enkel vooruitzicht gegeven dat de huurachterstand op korte termijn wordt ingelopen, laat staan dat de lopende huur tijdig wordt betaald. Daarbij speelt ook een rol dat [gedaagde] kennelijk niet open staat voor schuldhulpverlening.
overlast
4.8.
Aan de vordering tot ontruiming heeft Samenwerking Vlaardingen ook ten grondslag gelegd dat [gedaagde] overlast veroorzaakt. Volgens Samenwerking Vlaardingen bestaat de overlast uit schreeuwen en op de voordeur bonken. De overlast vindt vooral ’s nachts plaats en wordt mede veroorzaakt door bezoek van [gedaagde]. Samenwerking Vlaardingen heeft erop gewezen, onderbouwd met stukken, dat zij hierover met [gedaagde] in gesprek is gegaan, maar dat [gedaagde] hier niet voor open stond. Hij is boos uit het gesprek weggelopen en heeft een zogenoemde gedragsaanwijzing niet willen bespreken of ondertekenen.
4.9.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat dit allemaal onzin is en dat juist hij overlast van zijn buren ervaart. Zijn buren willen hem weg hebben en Samenwerking Vlaardingen heeft volgens hem voor die buren partij gekozen.
4.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Samenwerking Vlaardingen de gestelde overlast door [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt dat zij veel klachten van medebewoners heeft ontvangen en dat die klachten worden ondersteund door beeldmateriaal dat een medewerker van Samenwerking Vlaardingen heeft bekeken. In dit kort geding moet er daarom vanuit worden gegaan dat [gedaagde] daadwerkelijk de gestelde overlast veroorzaakt. Dit levert een tekortkoming op in de nakoming van de verbintenissen van [gedaagde] uit de huurovereenkomst.
4.11.
Gelet op haar verantwoordelijkheid jegens die medebewoners, had Samenwerking Vlaardingen genoeg redenen om [gedaagde] op de overlast aan te spreken en hem een gedragsaanwijzing op te leggen. Het valt [gedaagde] aan te rekenen dat hij hier niet voor open stond. Hij kan zich in dat opzicht niet verschuilen achter mogelijke overlast die zijn medebewoners veroorzaken. Dat rechtvaardigt immers niet dat hij overlast veroorzaakt. Uit zijn ontkennende houding tijdens de zitting volgt dat Samenwerking Vlaardingen er niet op kan vertrouwen dat de overlast zich niet meer zal voordoen. Daarvoor is onvoldoende dat dat [gedaagde] inmiddels de hierboven genoemde vriendin niet meer thuis ontvangt.
conclusie voor wat betreft de gevorderde ontruiming
4.12.
Al het voorgaande maakt dat van Samenwerking Vlaardingen niet kan worden gevergd een beslissing in een bodemprocedure af te wachten. Hieraan doet niet af dat er al een bodemprocedure loopt. Het met die bodemprocedure gemoeide tijdsverloop is, mede vanwege de wraking van de behandelend rechter, zodanig dat het belang van Samenwerking Vlaardingen om tot ontruiming te kunnen overgaan alleen maar urgenter is geworden. Elke maand die verstrijkt neemt de huurachterstand immers toe. Bovendien heeft Samenwerking Vlaardingen onbetwist gesteld dat zij vanwege de door [gedaagde] veroorzaakte overlast de woning naast de zijne al bijna een half jaar leeg houdt. Mede gelet op de algemeen bekende woningnood, is het voortduren hiervan voor Samenwerking Vlaardingen in hoge mate bezwaarlijk.
4.13.
[gedaagde] wordt dan ook veroordeeld om het gehuurde binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen. Samenwerking Vlaardingen heeft weliswaar een ontruimingstermijn gevorderd van drie dagen, maar dit is wat de voorzieningenrechter betreft een onredelijke termijn.
4.14.
Het standpunt van Samenwerking Vlaardingen dat [gedaagde] zijn buurvrouw heeft mishandeld, heeft bij het voorgaande geen rol gespeeld. [gedaagde] heeft dat standpunt betwist, waarbij hij een seponeringsbesluit van het Openbaar Ministerie heeft laten zien. Daarom laat de voorzieningenrechter in het midden of die mishandeling wel of niet heeft plaatsgevonden.
de geldvorderingen
4.15.
De gevorderde betaling van de huurachterstand van € 9.374,44 met daarover de wettelijke rente wordt toegewezen. Deze vordering is gebaseerd op de huurtermijnen die [gedaagde] onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft de juistheid daarvan als gezegd niet voldoende gemotiveerd betwist. Aan de voorwaarden voor toewijzing in kort geding van deze geldvordering is daarom voldaan. [gedaagde] wordt daarnaast verplicht om de geldende huurprijs van € 693,54 per maand vanaf 1 december 2025 tot het moment van ontruiming te betalen aan Samenwerking Vlaardingen.
4.16.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 439,24 wordt op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ook toegewezen. Samenwerking Vlaardingen heeft aan [gedaagde] op 28 januari 2025 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is conform het tarief dat is vermeld in de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW.
proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad
4.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Samenwerking Vlaardingen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 120,20
- griffierecht € 714,00
- nakosten €
178,00
Totaal € 1.012,20
Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (exclusief de nakosten) wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Samenwerking Vlaardingen dat vordert (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Samenwerking Vlaardingen zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Samenwerking Vlaardingen te stellen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Samenwerking Vlaardingen een bedrag van € 9.374,44 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag van de vervaldata van de termijnen, zoals vermeld in productie 4 bij de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 december 2025 iedere maand € 693,54 aan Samenwerking Vlaardingen te betalen tot en met de dag van de ontruiming van de woning en voor een gedeelte van de maand een naar evenredigheid te berekenen gedeelte van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan Samenwerking Vlaardingen € 439,24 te betalen aan buitengerechtelijke kosten,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.012,20, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als het vonnis wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.012,20 als dit niet binnen veertien dagen na aanschrijving is betaald;
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
3242/1980