ECLI:NL:RBROT:2025:15176

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
10.129015.24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval op de A16 te Rotterdam met gevaar op de weg

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 24 november 2023 op de A16 te Rotterdam een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De verdachte werd beschuldigd van het veroorzaken van een verkeersongeval dat aan zijn schuld te wijten zou zijn, waarbij een andere bestuurder zwaar lichamelijk letsel opliep. De officier van justitie eiste een veroordeling voor het primair ten laste gelegde feit, maar de rechtbank sprak de verdachte vrij van deze beschuldiging. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat de verdachte roekeloos of onvoorzichtig had gereden, maar dat hij wel gevaar op de weg had veroorzaakt door niet tijdig te reageren op een stilstaande file. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn werk en zorg voor zijn zoon, en besloot dat een geldboete niet passend zou zijn. De benadeelde partij, die schadevergoeding had gevraagd, werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering omdat de schade al door de verzekeraar was vergoed.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team 2
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.129015.24
Datum uitspraak: 19 december 2025
Datum zitting: 5 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats 1]
Advocaat van de verdachte: mr. P. Susijn
Officier van justitie: mr. S.S.S. Heinerman
Benadeelde partij: [benadeelde]
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden dat aan zijn schuld te wijten is. De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat – samengevat – het aan zijn schuld te wijten is dat op 24 november 2023 te Rotterdam op de A16 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (feit 1 primair). Subsidiair en als feit 2 is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.

2.Bewijswaardering

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit in die zin dat daarbij sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Ook heeft zij gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onder 2 ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en zich ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt door met zijn auto van achteren tegen de stilstaande auto van [slachtoffer 1] aan te rijden als gevolg waarvan zij vervolgens tegen de auto van [slachtoffer 2] is aangereden.
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
Deze bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [1]
Ik heb op 24 november 2023 op de A16 te Rotterdam de auto van [slachtoffer 1] van achteren aangereden.
2.
Proces-verbaal van de politie [2] Op 24 november 2023 omstreeks 16:45u bevonden wij ons op de A16. Wij werden verzocht te gaan naar een aanrijding tussen 3 personenauto's. Bij de aanrijding zijn de volgende partijen betrokken:
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf
bestuurd door: [verdachte] , hierna te noemen: Betrokkene 1;
- een personenauto
bestuurd door: [slachtoffer 1] , hierna te noemen: Betrokkene 2;
- een personenauto
bestuurd door: [slachtoffer 2] , hierna te noemen: Betrokkene 3.
Omstreeks 16:00 uur, reden Betrokkene 3, Betrokkene 2 en Betrokkene 1 op de A16.
Betrokkene 3 stond stil i.v.m. de aldaar aanwezig opstopping en aanstaande file. Betrokkene 2 stond achter Betrokkene 3. Betrokkene 1 kwam aanrijden en is met de voorzijde van zijn voertuig tegen de achterzijde van het voertuig van Betrokkene 2 gereden. Hiervoor is het voertuig van Betrokkene 2 gaan spinnen en heeft met de rechterachterzijde ter hoogte van de wielkast de achterzijde van het voertuig van Betrokkene 3 geraakt.
3.
Proces-verbaal van de politie, verkeersongevallenanalyse [3]
Wij stelden op vrijdag 24 november 2023 een onderzoek in naar de toedracht van de aanrijding die die dag plaatsvond op de rijksweg A16 Links, ter hoogte van hectometerpaal 19,9y te Rotterdam.
De toegestane maximumsnelheid bedraagt ter plaatse 100 km/uur.
Door mij werd bij Rijkswaterstaat een overzicht opgevraagd van de weergegeven beeldstanden op de elektronische matrixborden boven de secundaire rijbaan van de rijksweg A16 Links, omstreeks het tijdstip van de aanrijding. Op dinsdag 5 december 2023 ontving ik een bestand van Rijkswaterstaat met de gevraagde gegevens.
Onderstaand de schema’s met de weergegeven beeldstanden op de elektronische signaleringsborden van de portalen, ter hoogte van achtereenvolgens hectometerpaal 20,3 en 20,0. De portalen ter hoogte van 21,1y tot en met 20,0y bevinden zich voor de plaats van de aanrijding.
Uit de analyse van de data bleek ons het volgende.
2.3.2.
Waardering van het bewijs
Het exacte tijdstip van de aanrijding is niet vast komen te staan. De melding van de aanrijding bij de meldkamer vond plaats om 16.06 uur. Het ongeval moet dus vóór die tijd hebben plaatsgevonden. Uit het onderzoek van de telefoon van de verdachte volgt dat aannemelijk is dat het ongeval na 16:02:46 uur heeft plaatsgevonden. Uitgaand van de voor de beoordeling relevante tijdspanne tussen 16:02:46 uur en 16:06 uur is de rechtbank, met de verdediging, van oordeel dat uit de in de VOA opgenomen analyse volgt dat de verdachte voor het eerst door de matrixborden die op 400 meter staan van de plaats van het ongeval werd gewaarschuwd voor langzamer rijdend verkeer of filevorming. Op de matrixborden werden lagere snelheden dan de normaal gesproken toegestane 100 km/uur weergegeven (70, 90, 50 km/uur) al dan niet met knipperlichten.
Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld met welke snelheid de verdachte voorafgaand aan het ongeval heeft gereden en evenmin wat de botssnelheid tussen zijn auto en de auto van [slachtoffer 1] is geweest. De enkele verklaring van getuige [nam getuige] over hoe hard de verdachte heeft gereden vindt geen steun in ander (objectief) bewijs. Er kan dus niet worden bewezen dat de verdachte zijn snelheid niet heeft aangepast aan de op de matrixborden vermelde snelheden en waarschuwingen. Ook de verklaring van getuige [nam getuige] dat de verdachte tijdens het rijden een mobiele telefoon in zijn hand heeft gehad vindt geen steun in ander (objectief) bewijs. Uit het onderzoek naar de gegevens van de telefoon van de verdachte volgt daarentegen dat zijn telefoon tijdens de rit verbinding maakte met de AirPods. Dat het handsfree bellen door de verdachte van invloed is geweest op het veroorzaken van het ongeval kan niet worden bewezen.
Vast staat dat de verdachte het stilstaande voertuig van [slachtoffer 1] niet op tijd heeft opgemerkt om een aanrijding te voorkomen. Het valt echter niet uit te sluiten dat sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid bij de verdachte als gevolg waarvan de aanrijding heeft plaatsgevonden. Dat is echter onvoldoende om te spreken van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Het levert wel gevaarzettend rijgedrag op in de zin van artikel 5 WVW.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 subsidiair
hij op 24 november 2023 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl de matrixborden boven die Rijksweg A16 aangepaste snelheden aangaven over een afstand van 400 meter in verband met file/druk verkeer,
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat zich (direct) vóór hem een langzaamrijdende en/of inmiddels stilstaande file had gevormd en
-tegen de laatste in die voornoemde file stilstaande personenauto, bestuurd door [slachtoffer 1] , is gereden, welke personenauto vervolgens in botsing is gekomen tegen de achterzijde van die daarvóór stilstaande/langzaamrijdende personenauto (bestuurd door [slachtoffer 2] ).
Feit 2
hij op 24 november 2023 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl de matrixborden boven die Rijksweg A16 aangepaste snelheden aangaven over een afstand van 400 meter in verband met file/druk verkeer,
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat zich (direct) vóór hem een langzaamrijdende en/of inmiddels stilstaande file had gevormd en
-tegen de laatste in die voornoemde file stilstaande personenauto is gereden, welke personenauto in botsing is gekomen tegen de achterzijde van die daarvóór stilstaande/langzaamrijdende personenauto, bestuurd door [slachtoffer 2] .
2.3.4.
Vrijspraak feit 1 primair
Uit het voorgaande volgt dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd niet wettig en overtuigend is bewezen.
De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Als gevolg van de wijze waarop de beschuldiging door de officier van justitie is opgesteld, is het onder 2 bewezenverklaarde feit (vrijwel) identiek aan het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. Gelet hierop zal het bewezenverklaarde slechts één keer worden gekwalificeerd.
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen rijontzegging aan de verdachte op te leggen.
De verdachte heeft zijn rijbewijs nodig om weer aan het werk te kunnen gaan.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte is op de snelweg met zijn voertuig achterop een stilstaand voertuig gereden dat vervolgens tegen een ander voertuig is gebotst. Als gevolg daarvan hebben deze auto’s (forse) schade opgelopen. Een weggebruiker heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Over de gevolgen van de aanrijding en de (blijvende) impact daarvan op haar leven heeft het slachtoffer een aangrijpende verklaring geschreven.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 oktober 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf, maar ook niet tot een lagere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter zitting verteld dat hij op dit moment een WW-uitkering ontvangt en zorg draagt voor zijn zoon die extra begeleiding nodig heeft. Hij verwacht per 5 januari 2026 weer aan het werk te gaan als vrachtwagenchauffeur en heeft een schriftelijk voornemen daartoe van zijn toekomstig werkgever overgelegd. De verdachte heeft aangegeven dat hij forse schulden heeft waarvoor hij betalingsregelingen heeft lopen.
Hij heeft gezegd het erg te vinden voor het slachtoffer wat er is gebeurd, wat bij de rechtbank oprecht overkomt.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde komt de rechtbank tot oplegging van een lagere straf dan is geëist door de officier van justitie. De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen aan first offenders, zoals de verdachte, voor een overtreding van artikel 5 WVW worden opgelegd en meegewogen dat de straf in verhouding moet staan met de door de verdachte begane verkeersovertreding en minder met de ernst van de gevolgen daarvan. Tevens houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de schuldenproblematiek van de verdachte acht de rechtbank een geldboete niet passend. De rechtbank vindt het bovendien belangrijk dat de verdachte weer – als vrachtwagenchauffeur – aan het werk kan. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren passend en geboden is. Het voorwaardelijke karakter van de straf is ook bedoeld de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

5.Vordering van de benadeelde partij

5.1.
Vordering [slachtoffer 2]
heeft als benadeelde partij een schriftelijk verzoek tot schadevergoeding ingediend. Uit dat verzoek volgt dat de door de benadeelde partij geleden schade al aan hem werd vergoed door de verzekeraar, hetgeen de benadeelde partij ter zitting heeft bevestigd. De benadeelde partijen heeft dan ook geen belang meer bij zijn vordering en wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair en feit 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
20 (twintig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
de taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Hulshof, voorzitter,
en mrs. J. de Lange en N. van Esch, rechters,
in tegenwoordigheid mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 19 december 2025.
Mrs. Hulshof en Van Esch zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 24 november 2023 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg Al6,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl de matrixborden boven die Rijksweg Al6 aangepaste snelheden aangaven over een afstand van 1.200 meter, althans over een grote afstand, in verband met file/druk verkeer,
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-zijn aandacht niet voortdurend op de weg en/ of het verkeer vóór hem heeft gehad
en/of
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat zich (direct) vóór hem een langzaamrijdende en/of inmiddels stilstaande file had gevormd en/of
-met een zeer hoge, in ieder geval met een zeer groot snelheidsverschil, tegen de achterzijde van de vóór hem stilstaande personenauto is gebotst of aangereden, welke personenauto werd bestuurd door [slachtoffer 1] , als gevolg waarvan die [slachtoffer 1] met haar voertuig tegen haar voorganger is gebotst of aangereden, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een neusbotbreuk, een nekwervelbreuk, een bovenarmbreuk en een scheur van de binnenkant van de wervelslagader), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
zulks terwijl hij, verdachte, kort vóór die aanrijding althans tijdens het rijden een
mobiele telefoon in zijn handen heeft gehouden en/of gebruik heeft gemaakt van
zijn mobiele telefoon door daarmee (via Whatsapp en/of FaceTime)
telefoongesprekken te beantwoorden en/ofte starten;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 november 2023 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg Al 6, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl de matrixborden boven die Rijksweg Al6 aangepaste snelheden aangaven over een afstand van 1.200 meter, althans over een grote afstand, in verband met file/ druk verkeer,
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/ of
-zijn aandacht niet voortdurend op de weg en/ of het verkeer vóór hem heeft gehad
en/of
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat zich (direct) vóór hem een langzaamrijdende en /of inmiddels stilstaande file had gevormd en /of
-met een zeer hoge, in ieder geval met een zeer groot snelheidsverschil, tegen de laatste in die voornoemde file stilstaande personenauto, bestuurd door [slachtoffer 1] , is gereden, welke personenauto vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen tegen de achterzijde van die daarvóór stilstaande/langzaamrijdende personenauto (bestuurd door [slachtoffer 2] );
zulks terwijl hij, verdachte, kort vóór die aanrijding althans tijdens het rijden een mobiele telefoon in zijn handen heeft gehouden en/of gebruik heeft gemaakt van zijn mobiele telefoon door daarmee (via Whatsapp en/of FaceTime) telefoongesprekken te beantwoorden en/ of te starten.
2
hij op of omstreeks 24 november 2023 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg Al 6, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl de matrixborden boven die Rijksweg Al6 aangepaste snelheden aangaven over een afstand van 1.200 meter, althans over een grote afstand, in verband met file/druk verkeer,
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-zijn aandacht niet voortdurend op de weg en/of het verkeer vóór hem heeft gehad
en /of
-(aldus rijdende) niet tijdig heeft opgemerkt dat zich (direct) vóór hem een
langzaamrijdende en /of inmiddels stilstaande file had gevormd en /of
-met een zeer hoge, in ieder geval met een zeer groot snelheidsverschil, tegen de laatste in die voornoemde file stilstaande personenauto is gereden, welke personenauto in botsing of aanrijding is gekomen tegen de achterzijde van die daarvóór stilstaande/langzaamrijdende personenauto, bestuurd door [slachtoffer 2] ;
zulks terwijl hij, verdachte, kort vóór die aanrijding althans tijdens het rijden een
mobiele telefoon in zijn handen heeft gehouden en /of gebruik heeft gemaakt van
zijn mobiele telefoon door daarmee (via Whatsapp en/of FaceTime) telefoongesprekken te beantwoorden en/of te starten.

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 5 december 2025.
2.Proces-verbaal van bevindingen van 24 november 2023, [nummer proces-verbaal 1] , pagina 11 en 12 van het procesdossier.
3.Proces-verbaal van politie (VOA) van 16 januari 2024, [nummer proces-verbaal 2] , pagina’s 78 tot en met 113 van het procesdossier.