ECLI:NL:RBROT:2025:15162

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/10/709560 / JE RK 25-2267 en 709563 JE RK 25-2268
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 11 december 2025, wordt de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], behandeld. De kinderrechter heeft de verzoeken van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond beoordeeld. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] werd eerder ingesteld vanwege zorgen over hun ontwikkeling en veiligheid. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en hebben tijdens de zitting hun standpunten naar voren gebracht. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er positieve ontwikkelingen zijn in de thuissituatie, maar dat er nog steeds zorgen zijn over de emotionele en fysieke veiligheid van de kinderen. De kinderrechter heeft besloten de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen te verlengen tot 17 december 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor een kortere periode van drie maanden, tot 17 maart 2026, te verlengen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De ouders hebben aangegeven dat zij de samenwerking met de GI belangrijk vinden en dat zij zich willen inzetten voor de hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/709560 / JE RK 25-2267 en 709563 JE RK 25-2268
Datum uitspraak: 11 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
de moeder en de vader, hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 4 november 2025 (C/10/709560 en C/10/709563).
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover voorafgaand aan de zitting, ieder afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren aanwezig bij de uitspraak en hebben deze dus zelf gehoord van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft momenteel bij [naam instelling]. [minderjarige 2] woont bij de ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 december 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 17 december 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 17 december 2025.

3.De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/709560
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek met zaaknummer C/10/709563
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht deze nader toe. De afgelopen periode is er intensief ingezet op diverse vormen van begeleiding. Momenteel is er een begeleidster betrokken bij het gezin die één keer in de week met de ouders spreekt en een keer in de week met [minderjarige 1] . Er wordt ingezet op intensieve begeleiding voor [minderjarige 1] zodat hij zo snel mogelijk volledig thuisgeplaatst kan worden. De begeleidster heeft een goede klik met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is inmiddels bijna dagelijks thuis en vindt het soms lastig wanneer hij terug moet naar de groep. Er heeft een positieve vooruitgang in de thuissituatie plaatsgevonden waardoor [minderjarige 1] het liefst weer naar huis wil. Ondanks de positieve verandering blijft de GI bezorgd. Het is belangrijk dat de GI bij het gezin betrokken blijft om de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen te kunnen waarborgen. De GI had graag Multi Systeem Therapie (MST) ingezet. Hoewel de ouders hier in eerste instantie mee hebben ingestemd zijn zij daar later helaas op teruggekomen. Positief is dat de ouders daar wel transparant over zijn. De GI maakt zich daarnaast ook zorgen over [minderjarige 2] . Op school is [minderjarige 2] afwijzend en vertoont zij moeilijk gedrag. [minderjarige 2] heeft moeite om mee te komen met leeftijdsgenoten.
4.2.
De ouders brengen ter zitting het volgende naar voren. De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maar voert verweer tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is elke dag bij de ouders en slaapt gemiddeld slechts twee nachten per week op de groep. De vader stemt ook in met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Intensieve begeleiding vindt de vader momenteel een zwaar middel en dat past niet in de schema’s van de ouders. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader is trots op het gezin. De vader stemt niet in met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoekt om [minderjarige 1] zo snel mogelijk thuis te plaatsen. De ouders benadrukken dat zij een goede communicatie en samenwerking met de GI belangrijk vinden.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Sinds de start van de ondertoezichtstelling zijn er positieve stappen gezet in de opvoedsituatie van de kinderen. De ouders zijn begonnen met relatietherapie bij de Waag, er is goed contact met school en er is gezinsondersteuning via [naam instelling]. Het is van belang dat deze positieve ontwikkeling met inzet van hulpverlening wordt voortgezet. Ondanks de positieve ontwikkeling, blijven er wel zorgen bestaan over de fysieke veiligheid en de emotionele ontwikkeling van de kinderen in de thuissituatie. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer daarom nog noodzakelijk om het gezin passende hulp en ondersteuning te blijven bieden en om de belangen en de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. Het is belangrijk dat de ouders de samenwerking met de GI verder aangaan en zich inzetten in het hulpverleningstraject. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.4.
De afgelopen weken verblijft [minderjarige 1] grotendeels bij de ouders thuis en dat verloopt goed. Het is heel fijn dat er sprake is van een positieve ontwikkeling, maar deze is nog pril. De GI is voornemens om de machtiging tot uithuisplaatsing af te sluiten zodat [minderjarige 1] weer bij de ouders kan wonen. [minderjarige 1] vindt het fijn thuis en wil ook het liefst naar huis. Om de overdracht naar huis goed te laten verlopen, de nodige zaken daartoe te regelen en de ontwikkeling van [minderjarige 1] te waarborgen, acht de kinderrechter een korte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , namelijk voor de duur van drie maanden nog noodzakelijk. De kinderrechter geeft de GI, de ouders en [minderjarige 1] mee dat een verlenging van drie maanden niet hoeft te betekenen dat hieraan voor die volle duur daadwerkelijk uitvoering moet worden gegeven. Het is immers niet de bedoeling dat [minderjarige 1] langer dan noodzakelijk op de groep bij [naam instelling] blijft. Op het moment dat er gedurende de komende drie maanden mogelijkheden zijn voor een volledige terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders, zal hiernaar door de GI gehandeld worden.
5.5.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode dan is verzocht, te weten tot 17 maart 2026.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 17 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 17 maart 2026;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 24 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.