ECLI:NL:RBROT:2025:15155

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1668 en FT RK 25/1669
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een derde moratorium op verzoek van een schuldenaar in het kader van de Faillissementswet

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift van verzoekster, die een moratorium aanvroeg op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoekster had eerder al moratoria aangevraagd, maar deze waren gebaseerd op andere executoriale titels. De rechtbank oordeelde dat er een nieuwe ontbindings- en ontruimingssituatie was ontstaan, wat aanleiding gaf voor de toewijzing van een derde moratorium voor de duur van zes maanden. De rechtbank overwoog dat verzoekster in een bedreigende situatie verkeerde, aangezien er een ontruiming was aangekondigd. De rechtbank weegt de belangen van verzoekster, die in haar huurwoning wil blijven wonen en een minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan die van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wilde uitvoeren. De rechtbank concludeerde dat verzoekster voldoende inkomsten had om de huur te betalen en dat de eerdere moratoria geen belemmering vormden voor de toewijzing van het nieuwe verzoek. De rechtbank schorste de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis en verlengde de huurovereenkomst voor de duur van het moratorium, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaarde de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar gaf aan dat zij in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 15 oktober 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 16 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 16 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 7 oktober 2025.
Schuldhulpverlening heeft de rechtbank op 18 september 2025 aanvullende stukken toegezonden.
Bij brief van 2 oktober 2025 heeft Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders namens Stichting Havensteder (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank medegedeeld dat noch zij noch verweerster ter zitting zal verschijnen en dat verweerster zich aan het oordeel van de rechtbank refereert.
Ter zitting van 7 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon C] , begeleidster van het wijkteam (hierna: begeleidster).
Ter zitting zijn aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wil een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft hiervoor al eerder hulp gezocht. Dit is niet goed verlopen. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat het minnelijk traject toen niet van de grond is gekomen omdat de contacten met haar schuldhulpverlener moeizaam verliepen. Verzoekster heeft zich onlangs (opnieuw) gemeld voor schuldhulpverlening maar dit keer bij Geldplein. Voorts heeft verzoekster verklaard dat zij is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft hier een tegemoetkoming van de belastingdienst voor ontvangen. Met deze tegemoetkoming heeft zij de eerdere huurschuld waaraan een andere executoriale titel ten grondslag lag voldaan.
Verzoekster is voor 32,5 uur werkzaam bij twee werkgevers en ontvangt circa € 918,-- per maand aan inkomsten. Daarnaast ontvangt zij maandelijks € 131,08 aan zorgtoeslag,
€ 372,25 aan huurtoeslag en € 550,25 aan kindgebonden budget. De huur bedraagt
€ 640,96. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen tijdig te kunnen voldoen. Ter zitting is gebleken dat verzoekster de huur over augustus, september en oktober 2025 heeft betaald. Verzoekster is zich ervan bewust dat zij de huur tijdig moet voldoen.

3.Het verweer

Verweerster heeft in haar brief van 2 oktober 2025 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen en zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft verweerster in haar brief aangevoerd dat het niet de eerste keer is dat er een ontruiming staat gepland en dat er op 25 april 2024 ook een moratorium is uitgesproken. Omdat er reeds eerder een moratorium is toegekend en hulpverlening meer dan eens is opgestart, heeft het opnieuw toewijzen van een moratoroium wat verweerster betreft geen zin.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 8 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid en toeslagen. Het inkomen is voldoende om de lopende huurbetalingen tijdig te kunnen voldoen. Verzoekster heeft de huur over de maanden augustus, september en oktober 2025 voldaan. Verzoekster is zich ervan bewust dat de lopende huurtermijnen tijdig moeten worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
Gebleken is dat deze rechtbank bij vonnis van 23 december 2016 en 25 april 2024 verzoekster een moratorium voor de duur van zes maanden heeft toegekend. Op grond van artikel 287b, vijfde lid, Fw wordt een moratorium voor de duur van maximaal zes maanden uitgesproken. De vraag rijst of de moratoria uit 2016 en 2024 toewijzing van het onderhavige verzoek in de weg staat. Dat is niet het geval.
Er ligt aan het onderhavige verzoek een andere executoriale titel ten grondslag dan aan de vorige twee moratoria. De kantonrechter heeft op 27 augustus 2025 (opnieuw) de huurovereenkomst op verzoek van verweerster ontbonden. Daarmee is een nieuwe ontbindings- en ontruimingssituatie ontstaan die niet ten grondslag heeft gelegen aan de moratoria die in 2016 en 2024 zijn toegekend. Daarnaast is de huurschuld uit de executoriale titel die ten grondslag lag aan de eerder verleende moratoria volledig voldaan door verzoekster. Er is dus sprake van een nieuwe huurschuld. De toewijzing van de moratoria in 2016 en 2024 staat daarom niet in de weg aan een nieuw moratorium.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 27 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 16 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.