In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (WSNP) van de verzoeker. De verzoeker had op 15 september 2025 een verzoekschrift ingediend, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de verzoeker niet te goeder trouw heeft gehandeld met betrekking tot het ontstaan van zijn schulden. De verzoeker had een schuldenlast van € 26.904,75, met een aanzienlijke huurschuld als grootste schuld. Ondanks dat de verzoeker sinds juni 2025 een inkomen uit arbeid ontvangt, heeft hij zijn huur en andere schulden onbetaald gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker in de drie jaar voorafgaand aan zijn verzoek niet aan de gedragsmaatstaf van goede trouw heeft voldaan. Dit werd onderbouwd door het feit dat de verzoeker aanzienlijke bedragen heeft uitgegeven aan luxe artikelen en goksites, terwijl hij zijn huur niet betaalde. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de verzoeker recentelijk onder beschermingsbewind is gesteld en een contract heeft gekregen bij zijn werkgever, maar deze ontwikkelingen waren niet voldoende om de toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen en aangegeven dat een volgend verzoek mogelijk meer kans van slagen kan hebben als de situatie van de verzoeker verder stabiliseert.