ECLI:NL:RBROT:2025:15152

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1625 en FT RK 25/1626
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om moratorium en niet-ontvankelijkheid in schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft verzoekster op 9 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 13 oktober 2025 bepaald. Verzoekster, die in financiële problemen verkeert, heeft een inkomen van circa € 3.600,00 netto per maand, maar heeft te maken met beslag op haar inkomen door de Belastingdienst en het CAK. De huur bedraagt € 1.751,12 per maand, wat betekent dat haar netto inkomen en huur nagenoeg gelijk zijn. Verweerster, G.S. Netherlands Bright C.V., heeft het verzoek afgewezen, stellende dat verzoekster niet aan haar betalingsverplichtingen voldoet en er een huurachterstand van circa tien maanden is. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, maar oordeelt dat het onvoldoende aannemelijk is dat verzoekster de lopende huurtermijnen kan voldoen. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank benadrukt dat verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek kan indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 9 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025.
Verweerster heeft de rechtbank op 3 oktober 2025 aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 13 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer [persoon B] , werkzaam bij Armaere Gerechtsdeurwaarders, namens G.S. Netherlands Bright C.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage (hierna: verweerster).
Schuldhulpverlening heeft de rechtbank op 13 oktober 2025, na de zitting, een e-mailbericht met aanvullende stukken toegezonden.
Verweerster heeft hierop gereageerd in een aanvullend e-mailbericht van 14 oktober 2025.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wil een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich hiervoor gemeld bij Geldplein. Het schuldhulpverleningstraject is op 9 september 2025 gestart en inmiddels zijn de schulden geïnventariseerd. Daarnaast is er budgetbeheer voor verzoekster opgestart en is de budgetbeheerder in afwachting van de eerste loonbetaling.
Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid van circa € 3.600,00 netto per maand. Ter zitting is besproken dat de Belastingdienst beslag heeft gelegd op haar inkomen tot een bedrag van
€ 1.346,99. Daarnaast houdt het CAK maandelijks € 172,33 in. Hierdoor krijgt verzoekster maandelijks € 1.912,67 uitbetaald. De huur bedraagt € 1.751,12 per maand. Het inkomen van verzoekster en de huur zijn hierdoor nagenoeg gelijk.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting aangegeven dat zij dacht dat het beslag van de Belastingdienst eenmalig was. Zij heeft na de zitting per e-mail laten weten dat dit beslag in augustus 2025 is opgeheven. Verzoekster zou volgens schuldhulpverlening na het vervallen van het beslag voldoende inkomsten hebben om de lopende huurbetalingen tijdig te kunnen voldoen.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. In november 2024 is er een betalingsregeling met verzoekster getroffen om de huurachterstand met € 500,00 per maand in te lopen. Deze betalingsregeling is verzoekster niet nagekomen. Daarnaast zijn ook de lopende huurtermijnen niet door verzoekster voldaan waardoor de huurachterstand is opgelopen. Er is op dit moment een huurachterstand van circa tien maanden. Verweerster heeft op 2 oktober 2025 een betaling van € 1.680,00 ontvangen. Bij de betaling is er geen huurtermijn benoemd waardoor verweerster de betaling heeft afgeboekt op de oudste openstaande vordering. Verweerster stelt dat, mocht de betaling betrekking hebben op de huurtermijn van oktober 2025, het betaalde bedrag onvoldoende is, omdat de huur over oktober 2025 € 1.751,12 bedraagt. Door deze betaling bedraagt de huurachterstand thans € 16.582,79. Verzoekster heeft volgens verweerster niet de intentie om aan haar schuldenproblematiek te werken. Daarnaast is het inkomen van verzoekster, mede gelet op het beslag, nagenoeg gelijk aan de lopende huurbetalingen. Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat verzoekster de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen.
Naar aanleiding van de na de zitting toegezonden aanvullende informatie van schuldhulpverlening met betrekking tot het beslag van de Belastingdienst heeft verweerster het volgende opgemerkt. Verweerster heeft ook beslag gelegd op het inkomen van verzoekster. Dit beslag blijft onverminderd van kracht waardoor er niets verandert aan de financiële situatie van verzoekster.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van de brief van de deurwaarder van 6 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 3 april 2025 ten uitvoer kan leggen.
Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid van circa € 3.600,00 netto per maand. Verzoekster heeft op 2 oktober 2025 een betaling gedaan van € 1.680,00 zonder daarbij een huurtermijn te benoemen waardoor de betaling door verweerster is afgeboekt op de oudste openstaande vordering, zoals voortvloeit uit de wet. De betaling is bovendien lager dan de geldende huurprijs van € 1.751,12. Verzoekster heeft daarom de huur van oktober 2025 niet betaald. Daar komt bij dat verweerster heeft aangekondigd beslag te leggen op het inkomen van verzoekster tot de beslagvrije voet. Daarmee is het inkomen van verzoekster nagenoeg gelijk aan de huurprijs waardoor de rechtbank het onvoldoende aannemelijk acht dat verzoekster de lopende huurbetalingen tijdig kan voldoen zonder nieuwe schulden te laten ontstaan. De financiële situatie van verzoekster is al geruime tijd niet stabiel. De betaling van de lopende huurtermijnen is ondanks het budgetbeheer, gelet op de inkomsten die verzoekster ontvangt na beslag, onvoldoende gewaarborgd. Het belang van verweerster dient daarom zwaarder te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.