ECLI:NL:RBROT:2025:15125
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing van een verzoek om maatschappelijke opvang voor een gezin met minderjarige kinderen
Op 19 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om maatschappelijke opvang van een verzoekster en haar minderjarige kinderen. De verzoekster had eerder op 2 februari 2025 een aanvraag ingediend voor toelating tot maatschappelijke opvang, welke door het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen op 15 mei 2025 was afgewezen. Na een eerdere afwijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening op 7 augustus 2025, heeft de voorzieningenrechter op 16 oktober 2025 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij het college werd opgedragen om opvang te bieden totdat het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) een definitieve oplossing zou vinden voor het huisvestingsprobleem van de verzoekster en haar kinderen.
Echter, op 8 december 2025 heeft het college de maatschappelijke opvang beëindigd en de verzoekster en haar kinderen doorverwezen naar het COA. De verzoekster stelde dat het college hiermee niet voldeed aan de zorgplicht zoals opgelegd door de voorzieningenrechter, omdat er nog geen definitieve oplossing was gevonden. De voorzieningenrechter heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat het college wel degelijk aan zijn zorgplicht had voldaan door de opvang tijdelijk te bieden en dat het COA nu verantwoordelijk was voor de verdere opvang. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen reden was om de eerdere uitspraak te wijzigen en wees het verzoek om een nieuwe voorlopige voorziening af, omdat de verzoekster en haar kinderen inmiddels in het aanmeldcentrum in Ter Apel verbleven en er geen rol meer was weggelegd voor de gemeente Vlaardingen.
De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van zowel de gemeente als het COA in het proces van maatschappelijke opvang en huisvesting van asielzoekers en de noodzaak van samenwerking tussen deze instanties. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de verzoekster afgewezen, met de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond was en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.