ECLI:NL:RBROT:2025:15124

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1574 – FT RK 25/1575
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om moratorium en voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurbetalingen

In deze zaak heeft verzoekster op 3 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 16 oktober 2025 bepaald. Tijdens deze zitting zijn zowel verzoekster als haar advocaat, alsook de advocaat van verweerster, gehoord. Verzoekster heeft aangegeven in financiële problemen te verkeren door een depressie, waardoor zij haar huurbetalingen niet tijdig kon voldoen. De huur van de maanden augustus, september en oktober 2025 is inmiddels betaald, en er is een verwachting dat haar uitkeringsaanvraag spoedig wordt goedgekeurd. Verweerster heeft echter betwist dat verzoekster recht heeft op de gevraagde voorziening, omdat er afspraken zijn gemaakt die niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie voor verzoekster, en dat de lopende huurbetalingen naar verwachting tijdig zullen worden voldaan. De rechtbank heeft daarom besloten om de tenuitvoerlegging van de ontruiming op te schorten voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan zij in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
[rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 23 oktober 2025
[verzoekster],
wonende op een geheim adres,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 3 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 3 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 16 oktober 2025.
Ter zitting van 16 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten, namens verzoekster (hierna: advocaat);
  • de heer mr. W.L. Bouritius, werkzaam bij Pleiters van de Plet Advocaten, namens [verweerster] B.V., gevestigd te [plaats] (hierna verweerster).
Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting op 16 oktober 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden om, overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025, tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster over te gaan.
Verzoekster heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij vorig jaar in een depressie terecht is gekomen waardoor het haar niet meer lukte om de vaste lasten te betalen. Verzoekster heeft zich toen aangemeld bij schuldhulpverlening en een PW-uitkering aangevraagd. De uitkeringsaanvraag is nog in behandeling. De kale huur van de woning bedraagt € 715,29. Verzoekster ontvangt maandelijks een bedrag van € 131,- aan zorgtoeslag en een bedrag van € 385,- aan huurtoeslag. Ter zitting heeft de advocaat verklaard dat de huur van de maanden augustus, september en oktober 2025 tijdig is voldaan. De verwachting is dat de uitkeringsaanvraag op korte termijn wordt toegekend, waardoor de huur voor de maand november 2025 ook kan worden voldaan. Indien dit onverhoopt niet tijdig gebeurt, zal een familielid financieel bijdragen aan het betalen van de huur. Verder heeft de advocaat ter zitting te kennen gegeven dat de schulden door schuldhulpverlening in kaart zijn gebracht en er een casemanager is aangesteld. De volgende stap is om het budgetplan en de vtlb-berekening op te stellen. De verwachting is dan ook dat het minnelijk traject binnen zes maanden zal zijn afgerond.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Tijdens de zitting van de kantonrechter is afgesproken dat verzoekster met de hulp van een familielid de huurachterstand voor 29 juli 2025 zou inlopen. Verweerster geeft aan dat deze vordering tot op heden niet is voldaan. Op basis van de afspraken die partijen onderling hebben gemaakt en vastgelegd, is het daarmee volgens verweerster een voldongen feit dat de huurovereenkomst per 29 juli 2025 definitief is geëindigd en dat van een (stilzwijgende) verlenging van de huurovereenkomst geen sprake kan zijn. Verzoekster verblijft dus sindsdien zonder recht of titel in de woning. Voorts meent verweerster dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een vonnis tot ontruiming zoals bedoeld in artikel 305 lid 2 Fw. Immers, partijen hebben op zitting van de kantonrechter onderlinge afspraken gemaakt die vervolgens zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Artikel 305 lid 2 Fw ziet op opschorting van een ontruimingsvonnis en niet op opschorting van een tussen partijen in onderling overleg tot stand gekomen schikkingsovereenkomst waarvan enkel nakoming kan worden gevorderd. Verweerster stelt zich dan ook op het standpunt dat dit artikel aldus niet opgaat. Verder merkt verweerster op dat in de maanden september en oktober 2025 een bedrag van € 715,00 in plaats van € 715,29 is betaald. Ook werd de huur van de maand oktober 2025, gelet op de getroffen beschikking, één dag te laat betaald. Tot slot blijkt uit de maandbegroting dat de uitkeringsaanvraag nog in behandeling is en verzoekster kennelijk alleen zorg- en huurtoeslag ontvangt. Gelet hierop trekt verweerster in twijfel of verzoekster in staat zal is de huur tijdig en volledig te blijven voldoen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoekster heeft een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025 overgelegd met daarin onder andere de afspraak dat de huurovereenkomst eindigt en verweerster de ontruiming mag aanzeggen indien verzoekster de aflossing of de huur niet of te laat betaalt. Daarnaast heeft verzoekster een kopie van het exploot van 3 september 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. Verder is de rechtbank van oordeel dat een proces-verbaal onder dezelfde werking van een vonnis in de zin van artikel 305 lid 2 Fw valt. In beide gevallen is er immers sprake van een executoriale titel en wordt er verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging ervan.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 22 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De lopende huurtermijnen zijn (op een bedrag van € 0,58 na) vanaf augustus 2025 betaald. Verzoekster heeft een PW-uitkering aangevraagd en krijgt zo nodig financiële ondersteuning van een familielid voor het voldoen van de komende huurbetaling. Verzoekster zal verplicht worden haar inkomen te laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende gewaarborgd is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Daarnaast zijn de schulden van verzoekster reeds in kaart gebracht, zodat het schuldhulpverleningstraject kan worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen dat de verzochte voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig, dus (volgens het proces-verbaal) vóór de eerste dag van iedere maand, worden voldaan. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming over te gaan van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening, en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 3 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025.