De rechtbank constateert dat [eiseres] in de hoofdzaak aanvankelijk vorderde om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. SCL te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 7.500,00 (inclusief BTW), als voorschot op de herstelkosten van het voertuig, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat het meerdere van deze schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;
II. SCL te veroordelen tot betaling van de schade, bestaande uit het verlies van de verhuisgoedstatus en de daaruit voortvloeiende fiscale verplichtingen (invoerrechten, btw en BPM), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. SCL te veroordelen tot terugbetaling van de reeds betaalde registratiekosten, welke niet tot uitvoering zijn gekomen, ten bedrage van € 698,90, bestaande uit € 449,00 voor kentekenregistratie, € 219,90 voor RDW-leges en € 30,00 voor Recyclingbijdrage, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 6 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. SCL te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten begroot op € 135,00 en, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, op € 227,00, te voldoen binnen veertien (14) dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan SCL de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd is over de proceskosten en nakosten tot aan de dag der algehele voldoening.