ECLI:NL:RBROT:2025:15122

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/10/704937 / HA ZA 25-675
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in incident over onbevoegdverklaring en verwijzing naar de kantonrechter in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft de rechtbank Rotterdam op 24 december 2025 een vonnis in incident gewezen. De eiseres, woonachtig in Wijhe, heeft een vordering ingesteld tegen SCL Rotterdam B.V., gevestigd in Schiedam. SCL heeft in het incident verzocht om de rechtbank zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de kantonrechter, met als argument dat de vorderingen van eiseres geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat van absolute onbevoegdheid geen sprake is, aangezien de kantongerechten sinds de bestuurlijke onderbrenging samen één gerecht vormen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de totale waarde van de vorderingen van eiseres in de hoofdzaak in ieder geval hoger is dan € 25.000,00, waardoor de rechtbank bevoegd blijft. De incidentele vordering van SCL is afgewezen en de beslissing over de proceskosten is aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. De zaak is op 7 januari 2026 verwezen naar de rol voor beraad over het plannen van een mondelinge behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704937 / HA ZA 25-675
Vonnis in incident van 24 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: Wijhe,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. G. Sehdou,
tegen
SCL ROTTERDAM B.V.,
statutaire vestigingsplaats: Schiedam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. J.L. Oudshoorn.
Partijen worden hierna [eiseres] en SCL genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 augustus 2025, met bijlagen E1 tot en met E16;
  • de incidentele conclusie van eis strekkende tot onbevoegdheid van de sector civiel van rechtbank tevens ten principale conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord in het incident tevens akte eis vermeerdering.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
SCL vordert in het incident dat de sector civiel van de rechtbank Rotterdam zich bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de sector Kanton van de rechtbank Rotterdam, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten in het incident (met rente). SCL legt – kort gezegd – aan haar incidentele vordering ten grondslag dat er (over)duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderingen van [eiseres] in de hoofdzaak geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00, zodat de kantonrechter op grond van artikel 93, sub b, Rv bevoegd is om de hoofdzaak te behandelen. [eiseres] voert verweer tegen de incidentele vordering.
2.2.
De rechtbank stelt voorop dat van absolute onbevoegdheid in ieder geval geen sprake is. Sinds de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten in de rechtbanken vormen deze immers samen één gerecht. De absolute bevoegdheid van dit gerecht omvat op de voet van artikel 42 RO in principe alle burgerlijke zaken in eerste aanleg, waarbij vervolgens een verdeling is van zaken die worden behandeld en beslist door de kantonrechter of de civiele kamer (in de rechtbank Rotterdam: Team handel en haven). In het geval dat een zaak die is aangebracht bij Team handel en haven bij de kantonrechter had moeten worden aangebracht, volgt geen absolute onbevoegdverklaring maar verwijzing naar de kantonrechter op de voet van artikel 71, lid 2, Rv.
2.3.
Op grond van artikel 93 Rv worden – onder meer – door de kantonrechter behandeld en beslist (i) zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist, en (ii) zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. In het geval dat vorderingen van bepaalde én onbepaalde waarde zijn ingesteld, is voor het antwoord op de vraag of de kantonrechter bevoegd is om die vorderingen te behandelen en daarop te beslissen beslissend of er duidelijke aanwijzingen bestaan dat het totaal van de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00.
2.4.
De rechtbank constateert dat [eiseres] in de hoofdzaak aanvankelijk vorderde om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. SCL te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 7.500,00 (inclusief BTW), als voorschot op de herstelkosten van het voertuig, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat het meerdere van deze schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend volgens de wet;
II. SCL te veroordelen tot betaling van de schade, bestaande uit het verlies van de verhuisgoedstatus en de daaruit voortvloeiende fiscale verplichtingen (invoerrechten, btw en BPM), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. SCL te veroordelen tot terugbetaling van de reeds betaalde registratiekosten, welke niet tot uitvoering zijn gekomen, ten bedrage van € 698,90, bestaande uit € 449,00 voor kentekenregistratie, € 219,90 voor RDW-leges en € 30,00 voor Recyclingbijdrage, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 6 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. SCL te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten begroot op € 135,00 en, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, op € 227,00, te voldoen binnen veertien (14) dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan SCL de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd is over de proceskosten en nakosten tot aan de dag der algehele voldoening.
2.5.
Ter gelegenheid van het nemen van een conclusie van antwoord in het incident heeft [eiseres] haar vorderingen in de hoofdzaak bij akte vermeerderd. Zij vordert nu om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. SCL te veroordelen tot betaling van een bedrag € 10.000,00 als voorschot op de herstelkosten van het voertuig, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat het meerdere zal worden opgemaakt bij staat;
II. SCL te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.000,00 als voorschot op de schade wegens het vervallen van de verhuisgoederenvrijstelling BPM, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat het meerdere nader zal worden opgemaakt bij staat;
III. SCL te veroordelen tot betaling een bedrag van € 2.000,00 als voorschot op de kosten van het alsnog uit te voeren RDW- en registratieproces, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat het meerdere nader zal worden opgemaakt bij staat;
IV. SCL te veroordelen tot betaling van de schade die verband houdt met de aanschaf van vervangend vervoer, nader op te maken bij staat;
V. SCL te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en wettelijke rente, verschuldigd vanaf veertien (14) dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.
2.6.
Hoewel op grond van de aanvankelijke vorderingen van [eiseres] in de hoofdzaak nog discussie mogelijk was over de vraag of duidelijke aanwijzingen bestonden of de totale waarde van de vorderingen van [eiseres] al dan niet een hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00, vertegenwoordigt het totaal van de huidige – vermeerderde – vorderingen van [eiseres] in de hoofdzaak in ieder geval een hogere waarde dan € 25.000,00. In dit incident hoeft niet te worden beoordeeld of de vermeerderde vorderingen in de hoofdzaak toewijsbaar zijn en, zo ja, tot welk bedrag; dat gebeurt in de hoofdzaak.
2.7.
De conclusie is dan ook dat de incidentele vordering wordt afgewezen.
2.8.
Normaal gesproken wordt de partij die een incidentele vordering instelt in de proceskosten in het incident veroordeeld als de incidentele vordering wordt afgewezen. Uit het hiervoor overwogene blijkt echter dat aanvankelijk discussie mogelijk was (en ook bestond) over de vraag of de hoofdzaak tot de competentie van de rechtbank of van de kantonrechter behoort en, in het verlengde daarvan, over de vraag of de incidentele vordering al dan niet kon worden toegewezen. Hoewel die discussie in het kader van dit incident als gevolg van de eisvermeerdering in de hoofdzaak niet meer hoeft te worden gevoerd, is denkbaar dat in de hoofdzaak blijkt dat het totaalbedrag van de uiteindelijk eventueel in de hoofdzaak toe te wijzen vorderingen lager is dan de competentiegrens van de kantonrechter. In dat geval zou [eiseres] in het incident mogelijk alsnog aangemerkt kunnen worden als de in het ongelijk te stellen partij. Daarom wordt de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden tot de (eind)beslissing in de hoofdzaak.

3.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
houdt de beslissing over de proceskosten in het incident aan tot de (eind)beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak naar de rol van
7 januari 2026voor beraad rolrechter over het plannen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op
24 december 2025.
3349 / 2459