ECLI:NL:RBROT:2025:15116

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/10/710438 / KG ZA 25-1159
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil tussen voormalige partners over afwikkeling gemeenschappelijke vastgoedportefeuille

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een kort geding, zijn voormalige partners verwikkeld in een langdurig geschil over de afwikkeling van hun gezamenlijke vastgoedportefeuille. De partijen, [eiseres] en [gedaagde], hebben in het verleden een affectieve relatie gehad en gezamenlijk vijftien onroerende zaken verworven, die bestemd zijn voor commerciële verhuur. Sinds 2020 loopt er een bodemprocedure over de verdeling van deze eigendommen. In een tussenarrest van het hof Den Haag op 23 mei 2023 is bepaald dat de onroerende zaken aan [eiseres] worden toebedeeld, met een waardering per peildatum van 1 januari 2019. Beide partijen hebben recht op de helft van de huuropbrengsten.

In het kort geding dat aan de rechtbank Rotterdam is voorgelegd, vordert [eiseres] onder andere dat [gedaagde] de executie van een eerder arrest van het hof Amsterdam staakt en meewerkt aan de overdracht van de onroerende zaken. [gedaagde] verzet zich hiertegen en vordert in reconventie onder andere de opheffing van door [eiseres] gelegde beslagen. De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] afgewezen, omdat het Haagse arrest nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en er onvoldoende spoedeisend belang is aangetoond. De rechtbank heeft wel de beslagen van [eiseres] opgeheven en haar verboden verdere beslagen te leggen totdat het Haagse arrest definitief is. De proceskosten zijn gecompenseerd, gezien de voormalige affectieve relatie tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710438 / KG ZA 25-1159
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M. Hoogenboom,
tegen
[gedaagde],
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.H.F. van Buuren.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 november 2025, met producties;
- de akte overlegging producties en vermeerdering van eis van [eiseres] ;
- de akte overlegging producties en eis in reconventie van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025;
- de pleitnota van mr. Hoogenboom;
- de pleitnota van mr. Van Buuren.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben in het verleden een affectieve relatie gehad. Deze is in 2018 tot een einde gekomen.
2.2.
Gedurende hun relatie hebben zij vijftien onroerende zaken in gezamenlijke eigendom (ieder voor de helft) verkregen. Deze panden zijn bestemd voor de commerciële verhuur.
2.3.
Over de verdeling van deze gemeenschappelijke eigendom loopt sinds 2020 een bodemprocedure. In het hoger beroep in die procedure heeft het hof Den Haag op 23 mei 2023 een tussenarrest gewezen, waarin het hof onder meer heeft overwogen dat de vijftien onroerende zaken aan [eiseres] worden toebedeeld, waarbij deze worden gewaardeerd per peildatum 1 januari 2019. Ook heeft het hof overwogen dat beide partijen recht hebben op de helft van de huuropbrengsten. Het hof heeft een deskundige benoemd om tot de waarde van de vijftien onroerende zaken te komen.
2.4.
Na het tussenarrest van het hof Den Haag heeft [gedaagde] een kort geding aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, waarin hij, vooruitlopend op de verdeling, onder andere vorderingen heeft ingesteld met betrekking tot de huuropbrengsten uit de vijftien panden en uitkering van een in depot gehouden bedrag. [eiseres] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. De voorzieningenrechter heeft op 5 oktober 2023 vonnis gewezen in dit kort geding.
2.5.
[eiseres] is in hoger beroep gegaan tegen het in 2.4 bedoelde vonnis en heeft daarin haar eis vermeerderd. [gedaagde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en eveneens zijn eis vermeerderd.
2.6.
Op 15 juli 2025 heeft zowel het hof Den Haag in de bodemprocedure als het hof Amsterdam in het kort geding arrest gewezen.
Het arrest van het hof Den Haag
In zijn arrest heeft het hof melding gemaakt van de bevindingen van de deskundige. De deskundige heeft per onroerende zaak een waarde vastgesteld. De gezamenlijke waarde van de vijftien onroerende zaken telt op tot een bedrag van € 3.783.000. Verder heeft het hof onder meer het volgende overwogen en beslist:
“23. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is er voor het hof geen enkele aanleiding om niet de bevindingen van de deskundige met betrekking tot de waarde van de registergoederen over te nemen, De deskundige heeft een goed onderbouwd rapport geschreven. De deskundige heeft gehandeld zoals van een goed handelend deskundige mag worden verlangd. De deskundige heeft zich niet laten beïnvloeden door een van de partijen ondanks de druk die aan de zijde van [gedaagde] en [eiseres] op de deskundige is gelegd. Het hof verwijst naar de correspondentie van de griffier van dit hof met de advocaten van partijen waarin is meegedeeld dat de opdrachten voor de deskundige alleen door het hof, al dan niet in samenspraak met partijen, worden gegeven.
Financiële afwikkeling [eiseres] en [gedaagde]
24. Bij de akte vermeerdering van eis heeft [eiseres] verzocht in het kader van de financiële
afwikkeling van de geschillen van partijen te betrekken het memorandum van Londen & Van Holland. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof dit memorandum met partijen besproken. Vaststaat tussen partijen dat de aankoopsom van de aan [eiseres] toe de te delen registergoederen uit haar vermogen zijn betaald. Uit het memorandum volgt dat de aankoopprijs van de registergoederen was € 1.685.589,- (afgerond) en de overwaarde derhalve is € 3.783.000,- minus € 1.685.589,- € 2.097.411,-. Aan ieder der partijen komt toe de helft van de overwaarde zijnde afgerond € 1.048,705,-.
25. [eiseres] heeft echter nog een vordering op [gedaagde] met betrekking tot voormelde
registergoederen van € 876.815,-. […]
26. Voorts heeft [eiseres] nog een vordering op [gedaagde] ter zake:
1. Een bedrag van € 7.969,-, zijnde de helft van het bedrag dat zij heeft betaald aan de door het hof benoemde deskundige ( [naam 1] ) van totaal € 15.938,- alsmede een bedrag van € 5.808,-, zijnde de helft van het bedrag dat zij heeft betaald aan de door de rechtbank benoemde deskundige ( [naam 1] ) van totaal € 11.616,-;
2. De gebruiksvergoeding met betrekking tot de woning aan de [adres] ad € 356,50 per maand vanaf 1 januari 2019 tot aan het notariële transport P.M.;
3. De wettelijke rente vanaf 22 mei 2019 over de gelden die zij ten behoeve van [gedaagde] heeft verstrekt met betrekking tot de aankoop en verbouwing van de in dit arrest vermelde registergoederen te weten: a) € 504.607,- (aankoop registergoederen) b) € 372.208,- (verbouwing registergoederen). De wettelijke rente is derhalve verschuldigd over het totaalbedrag van € 876.815,- en wel tot aan de notariële akte van verdeling van de registergoederen.
Dwangvertegenwoordiging bij notaris [naam 2] te Amersfoort
27. Door [eiseres] is een concept akte “verdeling registergoederen overeenkomstig rechterlijke beslissingen” in het geding gebracht. Deze conceptakte heeft het hof met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling. In deze concept akte zijn alle registergoederen vermeld die ingevolge de beslissing van het hof aan [eiseres] worden toegedeeld. Het hof wijst [gedaagde] erop dat de notaris op basis van de wet gehouden is onpartijdig te zijn en ook de belangen van [gedaagde] bij het passeren van de akte in ogenschouw neemt. Op basis van artikel 3:300 Burgerlijk Wetboek heeft de rechter de vrijheid om een dwangvertegenwoordiger aan te wijzen. Het hof gaat ervan uit dat [gedaagde] binnen 14 dagen na datum van dit arrest zijn medewerking zal gaan verlenen aan de uitvoering van dit arrest waaronder het meewerken in het kader van de verdeling aan de notariële akte tot verdeling van alle in dit arrest vermelde registergoederen. Het hof zal thans geen dwangvertegenwoordiger benoemen. Wel zal het hof bepalen dat [gedaagde] binnen 14 dagen na datum van dit arrest zijn medewerking dient te verlenen aan de akte “verdeling registergoederen overeenkomstig rechterlijke beslissingen” zoals opgesteld door genoemde mr. [naam 2] .
[…]
Beslissing
Het hof:
[…]
deelt aan [eiseres] toe de navolgende registergoederen tegen een waarde van € 3.783.000,-:
[…]
bepaalt dat beide partijen gelijk gerechtigd zijn op de overwaarde van de registergoederen te weten: € 3.783.000,- minus € 1.685.589,- = € 2.097.411,-. Iedere partij heeft dus recht op €2.097,411:2= afgerond € 1.048.705,-;
bepaalt dat [eiseres] in het kader van de verdeling van de hiervoor vermelde registergoederen aan [gedaagde] verschuldigd is de somma van € 1.048.705,-;
bepaalt dat [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd is:
a. a) € 876.815,- zoals overwogen in r.o. 25;
b) de wettelijke rente over € 876.815,- vanaf 22 mei 2019 tot aan het notariële transport van de hiervoor vermelde registergoederen;
c) € 13.777,-, zijnde de helft van de door [eiseres] voorgeschoten kosten van de door de rechtbank en het hof benoemde deskundige;
4. de gebruiksvergoeding van het pand [adres] ad € 356,50 per maand vanaf 1 januari 2019 tot aan het notariële transport P.M.;
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na datum van dit arrest - met in achtneming van dit
arrest - zijn medewerking te verlenen aan de akte “verdeling registergoederen overeenkomstig
rechterlijke beslissingen” zoals opgesteld door notaris mr. [naam 2] te Amersfoort;”
Het hof heeft zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het arrest van het hof Amsterdam
Het hof heeft [eiseres] veroordeeld om uit een door haar aangehouden depot een bedrag van € 144.244 aan [gedaagde] te voldoen. Daarnaast heeft het hof [eiseres] veroordeeld om nog een aanvullend bedrag van € 42.475 aan [gedaagde] te betalen. Deze bedragen hebben betrekking op huuropbrengsten waarop [gedaagde] volgens het hof aanspraak heeft. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de levering aan haar van de vijftien onroerende zaken is door het hof afgewezen. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“6.19 Het hof ziet geen aanleiding een dergelijke vergaande vordering tot te wijzen nu de
bodemprocedure nog loopt. In die procedure is weliswaar bij tussenarrest al (bindend) beslist over de wijze van toedeling maar nog niet over de waarde van de te verdelen panden en de hoogte van de door [eiseres] te vergoeden overbedeling. Alleen al hierom kan [gedaagde] niet worden veroordeeld tot medewerking aan het passeren van de overgelegde akte die uitgaat van verdeling (en kwijting) tegen een bedrag waarover partijen nog strijden in de bodemprocedure. Los hiervan is een dergelijke voorziening ook niet geboden. De verdeling staat nog niet onherroepelijk vast, zeker niet aangezien beide partijen hebben aangegeven waarschijnlijk nog cassatieberoep in te zullen stellen. De kans op onomkeerbare gevolgen (bijvoorbeeld bij verkoop van een of meer panden aan derden) bij een dergelijke beslissing is dan ook aanzienlijk en daartegen weegt het door [eiseres] gestelde belang niet op.”
Het arrest van het hof Amsterdam is in kracht van gewijsde gegaan.
2.7.
[gedaagde] heeft tegen het Haagse arrest beroep in cassatie ingesteld. De cassatieprocedure loopt nog.
2.8.
Zowel [eiseres] als [gedaagde] heeft het Haagse hof verzocht tot herstel en/of aanvulling als bedoeld in de artikelen 31 en 32 Rv. Op die verzoeken heeft het Haagse hof nog niet beslist.
2.9.
Bij wijze van executie van het Haagse arrest heeft [eiseres] executoriale beslagen gelegd. In de eerste plaats onder de deurwaarder op het door hem in depot gehouden bedrag, waaruit de deurwaarder ingevolge het arrest van het Amsterdamse hof een bedrag van € 144.244 aan [gedaagde] moest voldoen. En in de tweede plaats onder zichzelf op het bedrag van € 42.475 dat zij ingevolge datzelfde arrest aan [gedaagde] moest betalen.
2.10.
[gedaagde] heeft op zijn beurt het Amsterdamse arrest ten uitvoer doen leggen. Hij heeft executoriale beslagen doen leggen op een auto en een onroerende zaak van [eiseres] .
2.11.
Sinds 2020 hebben partijen nog verschillende andere kortgedingprocedures tegen elkaar gevoerd. Ook loopt er een bodemprocedure tussen een vennootschap van [gedaagde] ( [bedrijf] ) en [eiseres] . In die bodemprocedure heeft de rechtbank Amsterdam op 29 oktober 2025 vonnis gewezen waarbij [eiseres] is veroordeeld tot betaling van € 200.000. [eiseres] is in hoger beroep gegaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert in conventie, samengevat, het volgende:
[gedaagde] te verplichten de executie van het Amsterdamse arrest te staken en gestaakt te houden en de op basis van dat arrest verrichte executiemaatregelen ongedaan te maken;
[gedaagde] te veroordelen om mee te werken aan de levering van de vijftien onroerende zaken op basis van scenario 1 van het memorandum van Londen & Van Holland, subsidiair een dwangvertegenwoordiger te benoemen die, naar eigen keuze, volgens een van de in dat memorandum genoemde scenario’s voor de levering zal zorgdragen, meer subsidiair te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de instemming van [gedaagde] ;
[gedaagde] te veroordelen om het door hem gebruikte pand aan de Bergsingel 222 bij gelegenheid van de toedeling hiervan aan [eiseres] te ontruimen;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer in conventie en vordert in reconventie, samengevat, het volgende:
opheffing van de namens [eiseres] ter uitvoering van het Haagse arrest gelegde beslagen, subsidiair schorsing van deze beslagen totdat het Haagse hof heeft beslist op de verzoeken tot verbetering en aanvulling van zijn arrest;
[eiseres] te verbieden om met betrekking tot de afwikkeling en verdeling van de vijftien onroerende zaken verdere beslagen te leggen;
[eiseres] te gebieden binnen twee dagen na dit vonnis de overzichten van de huurinkomsten en exploitatielasten vanaf 1 juli 2015 te verstrekken;
[eiseres] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huuropbrengsten tot en met 31 december 2025, berekend op ten minste € 260.000.
3.3.
[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie.

4.De beoordeling

4.1.
De over en weer ingestelde vorderingen vloeien vrijwel allemaal voort uit de beide arresten van 15 juli 2025. De ene partij vindt dat de andere partij ten onrechte werk maakt van de tenuitvoerlegging van het ene of het andere arrest. Beide partijen willen daarom dat de ander die tenuitvoerlegging staakt. Verder meent [eiseres] dat [gedaagde] ten onrechte niet meewerkt aan de tenuitvoerlegging van het Haagse arrest, voor zover het gaat om de overdracht van de vijftien onroerende zaken.
De vorderingen van [gedaagde] onder 1 en 2: tenuitvoerlegging arrest hof Den Haag
4.2.
De vorderingen onder 1 en 2 van [gedaagde] zien materieel op het (tijdelijk) staken van de tenuitvoerlegging van het Haagse arrest. Voor de beoordeling van die vorderingen geldt het toetsingskader dat door de Hoge Raad is verwoord in het
Zeester-arrest. [1] Het arrest van het Haagse hof is nog niet in kracht van gewijsde gegaan. Het hof heeft zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder dat daaraan een belangenafweging vooraf is gegaan. In een dergelijk geval moet de rechter die belangenafweging in een executiegeschil alsnog maken, waarbij uitgangspunt is dat de eisende partij belang heeft bij de tenuitvoerlegging van de betreffende uitspraak.
4.3.
[eiseres] heeft beslagen doen leggen, omdat zij zich op het standpunt stelt dat uit het Haagse arrest per saldo volgt dat zij een geldvordering op [gedaagde] heeft. Op zichzelf is dat standpunt juist, maar het is de vraag of daarbij alle tussen partijen bestaande geschilpunten zijn meegenomen. Partijen twisten immers nog over veel meer punten (en daarmee samenhangende – vermeende – geldvorderingen) dan in het Haagse arrest ter sprake komt, zoals de huuropbrengsten uit die onroerende zaken en de vraag aan wie welk deel daarvan al ten goede is gekomen. Het gaat hier steeds om aanzienlijke bedragen. Aannemelijk is dus dat de uitkomst van het debat daarover van wezenlijke invloed is op wat er onder de streep nog aan de ene of de andere partij toekomt. Daarbij komt dat [gedaagde] gemotiveerd heeft gesteld dat het Haagse hof een rekenfout heeft gemaakt, die ertoe leidt dat de rekensom uitkomt op een voor [gedaagde] zeer nadelig resultaat. Dit standpunt is voorwerp van het herstelverzoek dat [gedaagde] tot het hof heeft gericht en ook van het ingestelde cassatieberoep.
4.4.
Het gerechtvaardigde belang van [gedaagde] brengt in beginsel mee dat eerst duidelijkheid bestaat over de over en weer geldende geldvorderingen voordat eventuele vorderingen al door [eiseres] worden geïncasseerd. Dat zou anders zijn als zou kunnen worden aangenomen dat [eiseres] een bijzonder belang heeft bij die incasso, dat niet kan wachten op die duidelijkheid. Een dergelijk belang is echter niet gesteld of gebleken. Een afweging van belangen brengt daarom mee dat grond bestaat om de tenuitvoerlegging van het Haagse arrest voor wat betreft daaruit eventueel voortvloeiende geldvorderingen te schorsen.
4.5.
Voor de vorderingen 1 en 2 betekent dit het volgende.
4.6.
Het door [eiseres] onder zichzelf gelegde beslag zal door middel van dit vonnis worden opgeheven. Met dit beslag heeft [eiseres] beoogd de incasso door [gedaagde] van het Amsterdamse arrest voor een bedrag van € 42.475 te dwarsbomen op de grond dat zij ingevolge het Haagse arrest een vordering op [gedaagde] heeft. Nu aanleiding bestaat voor wat betreft de tenuitvoerlegging van het Haagse arrest een pas op de plaats te maken, kan dit eigenbeslag niet worden gehandhaafd.
4.7.
[eiseres] heeft ook beslag doen leggen op de aandelen van [gedaagde] in [bedrijf] . Dit beslag kan op zichzelf blijven liggen, omdat niet is gesteld of gebleken dat het beslag voor [gedaagde] bezwaarlijk is. Wel bestaat aanleiding om [eiseres] te verbieden dit beslag te vervolgen totdat het arrest van het Haagse hof in kracht van gewijsde is gegaan. Daaraan wordt een dwangsom verbonden.
4.8.
Daarmee is de primaire vordering onder 1 grotendeels toewijsbaar. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan de subsidiaire vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het Haagse arrest tot het hof heeft beslist op de verzoeken in de zin van artikel 31 en 32 Rv.
4.9.
De vordering onder 2 strekt tot een verbod aan [eiseres] om met betrekking tot de verdeling van de vijftien onroerende zaken “verder” beslagen te leggen. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk aan welke beslagen [gedaagde] hier denkt. Volgens [gedaagde] zelf heeft [eiseres] al conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaken. Aangenomen kan worden dat die conservatoire beslagen van rechtswege over zijn gegaan in executoriale beslagen (artikel 704 Rv). Niet valt in te zien dat [eiseres] nog andere beslagen op de onroerende zaken zou willen of kunnen leggen. [gedaagde] heeft dat ook niet toegelicht. Daarmee ontbreekt voldoende belang. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
De vorderingen onder 2 en 3 van [eiseres] : tenuitvoerlegging arrest Den Haag
4.10.
De vordering onder 2 van [eiseres] strekt ertoe dat [gedaagde] wordt verplicht uitvoering te geven aan het oordeel van het Haagse hof met betrekking tot de toedeling van de vijftien onroerende zaken.
4.11.
Vast staat dat [eiseres] met het arrest van het Haagse hof al beschikt over een executoriale titel met betrekking tot de door [gedaagde] te verlenen medewerking aan de overdracht van de vijftien onroerende zaken. Het Hof heeft in zijn arrest in dit verband verwezen naar een concept-akte van notaris [naam 2] . Tijdens de mondelinge behandeling in dit kort geding is komen vast te staan dat het hier gaat om het stuk dat [eiseres] als productie 14 heeft overgelegd.
4.12.
Tijdens de mondelinge behandeling is echter ook gebleken dat louter op basis van die concept-akte de vijftien onroerende zaken niet overgedragen kunnen worden, omdat in die akte nog geen bedragen waren opgenomen voor wat betreft de over en weer bestaande vorderingen. [eiseres] vordert in dit kort geding, kennelijk om die reden, dat de overdracht plaatsvindt op basis van een andere concept-akte, namelijk die welke als productie 16 in het geding is gebracht. In die akte zijn volgens [eiseres] wel alle bedragen ingevuld, waarbij de notaris gebruik heeft gemaakt van de beslissingen van het hof Den Haag en een door Van Londen & Holland (deskundige aan de zijde van [eiseres] ) uitgewerkt “scenario 1”.
4.13.
De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in dit betoog. Het Haagse arrest geeft een executoriale titel voor overdracht van de onroerende zaken op basis van de concept-akte als bedoeld in productie 14. Het arrest biedt dus geen grondslag voor het afdwingen van die overdracht op basis van een andere concept-akte en al helemaal niet nu die andere concept-akte is gebaseerd op een door een deskundige van [eiseres] opgesteld scenario. Dat geldt te meer nu [gedaagde] gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt tegen de juistheid van het rapport van die deskundige. Overigens heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat in de ‘nieuwe’ concept-akte (productie 16) nog veel bedragen zijn zwartgelakt, zodat in zoverre niet kan worden beoordeeld in hoeverre die akte een reële basis biedt voor de overdracht. Hierbij komt dat het arrest van het Haagse hof nog niet vast staat: op de verzoeken ex artikel 31 en 32 Rv heeft het hof nog niet beslist en de zaak is nog aanhangig bij de Hoge Raad.
4.14.
[eiseres] heeft op zichzelf voldoende onderbouwd dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij overdracht op korte termijn, omdat [gedaagde] aanspraak maakt op de helft van de huuropbrengsten totdat de overdracht is gerealiseerd. Mede gelet op de lange periode dat partijen al strijd met elkaar leveren, weegt dit belang echter minder zwaar dan het belang van [gedaagde] om te voorkomen dat hij gedwongen wordt afstand te doen van eigendomsrechten op een basis die afwijkt van wat het Haagse hof heeft bepaald.
4.15.
De vordering van [eiseres] onder 2 wordt dus afgewezen. Dit geldt voor alle varianten (dwangsom, dwangvertegenwoordiging en indeplaatsstelling).
4.16.
De vordering van [eiseres] onder 3 heeft, begrijpt de voorzieningenrechter, betrekking op een van de vijftien onroerende zaken. Deze wordt door [gedaagde] gebruikt en [eiseres] wil dat hij deze woning ontruimt bij gelegenheid van de levering. Omdat die levering niet op korte termijn kan worden afgedwongen, valt niet in te zien welk spoedeisend belang [eiseres] bij deze vordering heeft. De vordering wordt daarom afgewezen. Uiteraard laat dit onverlet dat [gedaagde] een gebruiksvergoeding verschuldigd blijft, zoals het Haagse hof heeft bepaald.
De vordering van [eiseres] onder 1: tenuitvoerlegging arrest hof Amsterdam
4.17.
De vordering van [eiseres] onder 1 strekt ertoe dat het [gedaagde] wordt verboden het arrest van het Amsterdamse hof ten uitvoer te leggen. Volgens [eiseres] kleeft aan dit arrest een kennelijke misslag. Bovendien is dit arrest achterhaald, omdat in de bodemprocedure door middel van het Haagse arrest inmiddels uitspraak is gedaan.
4.18.
Het arrest van het hof Amsterdam is in kracht van gewijsde gegaan. Op grond van dat arrest heeft [gedaagde] aanspraak op betaling door [eiseres] van een bedrag van € 42.475. Ook is [eiseres] op grond van het arrest verplicht om mee te werken aan betaling van € 144.244 uit een depot, op straffe van een dwangsom. Deze aanspraak is onherroepelijk. Executie van deze aanspraak zou echter misbruik van executierecht kunnen opleveren als moet worden aangenomen dat de bodemrechter inmiddels in andere zin heeft beslist. Dat daarvan sprake is, kan uit de in dit kort geding overgelegde stukken echter niet worden afgeleid. Dat komt voor risico van [eiseres] , omdat zij de partij is die voldoende feiten moet stellen die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van executierecht.
4.19.
[eiseres] meent verder dat aan het arrest van het hof Amsterdam een kennelijke misslag kleeft, omdat het hof ten onrechte geen rekening gehouden zou hebben met het feit dat [gedaagde] eerder een bedrag van € 175.195 aan huurpenningen rechtstreeks van huurders van de vijftien onroerende zaken had ontvangen. Kennelijk meent [eiseres] dat het hof Amsterdam daarmee rekening had moeten houden, omdat in de procedure die tot zijn arrest heeft geleid “stukken” waren “bijgesloten” waaruit genoemd feit zou blijken. [eiseres] heeft “ter informatie” de gehele memorie van antwoord uit die appelprocedure in het geding gebracht. Hiermee heeft [eiseres] de voorzieningenrechter onvoldoende handvatten gegeven om te kunnen oordelen dat aan het arrest van het hof Amsterdam een kennelijke misslag kleeft. Uit het feit dat [eiseres] bepaalde stukken had “bijgesloten” volgt niet dat het hof ten onrechte een bepaalde stelling over het hoofd heeft gezien. Wellicht dat dit zou kunnen volgen uit de overgelegde memorie van antwoord, maar het is niet aan de voorzieningenrechter om dat stuk van a tot z uit te pluizen op zoek naar een stelling die het hof mogelijk over het hoofd heeft gezien.
4.20.
Van misbruik van executierecht is dus niet gebleken. De vordering van [eiseres] onder 1 wordt afgewezen.
De vorderingen van [gedaagde] onder 3 en 4: (informatie over) huuropbrengsten
4.21.
De vorderingen van [gedaagde] onder 3 en 4 zien op de huuropbrengsten uit de vijftien onroerende zaken. [gedaagde] vordert betaling door [eiseres] van “tenminste” € 260.000 aan achterstallige huuropbrengsten. Ook vordert hij een gebod aan [eiseres] om de overzichten van de huurinkomsten en exploitatielasten vanaf 1 juli 2025 te verstrekken.
4.22.
De geldvordering is niet toewijsbaar. Voor een geldvordering in kort geding geldt dat sprake moet zijn van een harde vordering en van een bijzonder spoedeisend belang en ook moet het restitutierisico worden meegewogen. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Onvoldoende aannemelijk is dat de vordering bestaat. [gedaagde] schermt met eigen opgaven van [eiseres] en brengt daarop bepaalde bedragen in mindering. Hij is hiermee pas tijdens de zitting gekomen. [eiseres] heeft te kennen gegeven hierop niet voldoende adequaat te kunnen reageren. De voorzieningenrechter honoreert dat bezwaar. Daarbij speelt mee dat niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet eerder met deze gedetailleerde uiteenzetting is gekomen. Omdat de hardheid van de vordering dus niet kan worden beoordeeld, moet rekening worden gehouden met een restitutierisico, dat bepaald niet als onwaarschijnlijk kan worden beschouwd. Verder is niet gebleken dat sprake is van een bijzonder spoedeisend belang van [gedaagde] bij het verkrijgen van de betaling op korte termijn.
4.23.
De vordering die strekt tot het verkrijgen van periodieke informatie is wel toewijsbaar. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat [eiseres] die informatie tot 1 juli 2025 heeft verstrekt (zij het dat daarvoor veroordelingen in kort geding nodig waren). Hij is gerechtigd tot de helft van de huuropbrengsten en heeft dus belang bij de gevraagde informatie, aldus [gedaagde] . [eiseres] is met het verstrekken van periodieke overzichten per genoemde datum gestopt, omdat zij van mening is dat sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagde] voor wat betreft zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht van de vijftien onroerende zaken. Wat van die verplichting van [gedaagde] ook zij, dit levert geen schuldeisersverzuim op. Het gaat bij schuldeisersverzuim in de eerste plaats om de verbintenis van de schuldenaar (in dit geval die van [eiseres] tot het afdragen van huurpenningen), waarvan de schuldeiser de nakoming (hier dus [gedaagde] tot het in ontvangst nemen daarvan) verhindert. Daarvan is hier geen sprake. Niet gebleken is immers dat [gedaagde] weigert de helft van de huurpenningen in ontvangst te nemen. Er is dan ook geen grond voor [eiseres] om niet langer de bedoelde informatie met betrekking tot die huuropbrengsten ter beschikking te stellen (mede gelet op het toetsingskader van artikel 194 Rv).
Compensatie van proceskosten
4.24.
Vanwege de voormalige affectieve relatie van partijen worden de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
heft op het door [eiseres] onder zichzelf gelegde beslag op vorderingen van [gedaagde] en verbiedt [eiseres] het ten laste van [gedaagde] gelegde beslag op de aandelen in [bedrijf] te vervolgen totdat het arrest van het hof Den Haag van 15 juli 2025 in kracht van gewijsde is gegaan, op straffe van een dwangsom van € 500.000 voor het geval zij handelt in strijd met dit verbod;
5.4.
gebiedt [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de overzichten van huurinkomsten en exploitatielasten vanaf 1 juli 2025 aan [gedaagde] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag voor iedere dag dat [eiseres] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
1980/3242

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.