2.6.Op 15 juli 2025 heeft zowel het hof Den Haag in de bodemprocedure als het hof Amsterdam in het kort geding arrest gewezen.
Het arrest van het hof Den Haag
In zijn arrest heeft het hof melding gemaakt van de bevindingen van de deskundige. De deskundige heeft per onroerende zaak een waarde vastgesteld. De gezamenlijke waarde van de vijftien onroerende zaken telt op tot een bedrag van € 3.783.000. Verder heeft het hof onder meer het volgende overwogen en beslist:
“23. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is er voor het hof geen enkele aanleiding om niet de bevindingen van de deskundige met betrekking tot de waarde van de registergoederen over te nemen, De deskundige heeft een goed onderbouwd rapport geschreven. De deskundige heeft gehandeld zoals van een goed handelend deskundige mag worden verlangd. De deskundige heeft zich niet laten beïnvloeden door een van de partijen ondanks de druk die aan de zijde van [gedaagde] en [eiseres] op de deskundige is gelegd. Het hof verwijst naar de correspondentie van de griffier van dit hof met de advocaten van partijen waarin is meegedeeld dat de opdrachten voor de deskundige alleen door het hof, al dan niet in samenspraak met partijen, worden gegeven.
Financiële afwikkeling [eiseres] en [gedaagde]
24. Bij de akte vermeerdering van eis heeft [eiseres] verzocht in het kader van de financiële
afwikkeling van de geschillen van partijen te betrekken het memorandum van Londen & Van Holland. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof dit memorandum met partijen besproken. Vaststaat tussen partijen dat de aankoopsom van de aan [eiseres] toe de te delen registergoederen uit haar vermogen zijn betaald. Uit het memorandum volgt dat de aankoopprijs van de registergoederen was € 1.685.589,- (afgerond) en de overwaarde derhalve is € 3.783.000,- minus € 1.685.589,- € 2.097.411,-. Aan ieder der partijen komt toe de helft van de overwaarde zijnde afgerond € 1.048,705,-.
25. [eiseres] heeft echter nog een vordering op [gedaagde] met betrekking tot voormelde
registergoederen van € 876.815,-. […]
26. Voorts heeft [eiseres] nog een vordering op [gedaagde] ter zake:
1. Een bedrag van € 7.969,-, zijnde de helft van het bedrag dat zij heeft betaald aan de door het hof benoemde deskundige ( [naam 1] ) van totaal € 15.938,- alsmede een bedrag van € 5.808,-, zijnde de helft van het bedrag dat zij heeft betaald aan de door de rechtbank benoemde deskundige ( [naam 1] ) van totaal € 11.616,-;
2. De gebruiksvergoeding met betrekking tot de woning aan de [adres] ad € 356,50 per maand vanaf 1 januari 2019 tot aan het notariële transport P.M.;
3. De wettelijke rente vanaf 22 mei 2019 over de gelden die zij ten behoeve van [gedaagde] heeft verstrekt met betrekking tot de aankoop en verbouwing van de in dit arrest vermelde registergoederen te weten: a) € 504.607,- (aankoop registergoederen) b) € 372.208,- (verbouwing registergoederen). De wettelijke rente is derhalve verschuldigd over het totaalbedrag van € 876.815,- en wel tot aan de notariële akte van verdeling van de registergoederen.
Dwangvertegenwoordiging bij notaris [naam 2] te Amersfoort
27. Door [eiseres] is een concept akte “verdeling registergoederen overeenkomstig rechterlijke beslissingen” in het geding gebracht. Deze conceptakte heeft het hof met partijen besproken tijdens de mondelinge behandeling. In deze concept akte zijn alle registergoederen vermeld die ingevolge de beslissing van het hof aan [eiseres] worden toegedeeld. Het hof wijst [gedaagde] erop dat de notaris op basis van de wet gehouden is onpartijdig te zijn en ook de belangen van [gedaagde] bij het passeren van de akte in ogenschouw neemt. Op basis van artikel 3:300 Burgerlijk Wetboek heeft de rechter de vrijheid om een dwangvertegenwoordiger aan te wijzen. Het hof gaat ervan uit dat [gedaagde] binnen 14 dagen na datum van dit arrest zijn medewerking zal gaan verlenen aan de uitvoering van dit arrest waaronder het meewerken in het kader van de verdeling aan de notariële akte tot verdeling van alle in dit arrest vermelde registergoederen. Het hof zal thans geen dwangvertegenwoordiger benoemen. Wel zal het hof bepalen dat [gedaagde] binnen 14 dagen na datum van dit arrest zijn medewerking dient te verlenen aan de akte “verdeling registergoederen overeenkomstig rechterlijke beslissingen” zoals opgesteld door genoemde mr. [naam 2] .
[…]
Beslissing
Het hof:
[…]
deelt aan [eiseres] toe de navolgende registergoederen tegen een waarde van € 3.783.000,-:
[…]
bepaalt dat beide partijen gelijk gerechtigd zijn op de overwaarde van de registergoederen te weten: € 3.783.000,- minus € 1.685.589,- = € 2.097.411,-. Iedere partij heeft dus recht op €2.097,411:2= afgerond € 1.048.705,-;
bepaalt dat [eiseres] in het kader van de verdeling van de hiervoor vermelde registergoederen aan [gedaagde] verschuldigd is de somma van € 1.048.705,-;
bepaalt dat [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd is:
a. a) € 876.815,- zoals overwogen in r.o. 25;
b) de wettelijke rente over € 876.815,- vanaf 22 mei 2019 tot aan het notariële transport van de hiervoor vermelde registergoederen;
c) € 13.777,-, zijnde de helft van de door [eiseres] voorgeschoten kosten van de door de rechtbank en het hof benoemde deskundige;
4. de gebruiksvergoeding van het pand [adres] ad € 356,50 per maand vanaf 1 januari 2019 tot aan het notariële transport P.M.;
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na datum van dit arrest - met in achtneming van dit
arrest - zijn medewerking te verlenen aan de akte “verdeling registergoederen overeenkomstig
rechterlijke beslissingen” zoals opgesteld door notaris mr. [naam 2] te Amersfoort;”
Het hof heeft zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het arrest van het hof Amsterdam
Het hof heeft [eiseres] veroordeeld om uit een door haar aangehouden depot een bedrag van € 144.244 aan [gedaagde] te voldoen. Daarnaast heeft het hof [eiseres] veroordeeld om nog een aanvullend bedrag van € 42.475 aan [gedaagde] te betalen. Deze bedragen hebben betrekking op huuropbrengsten waarop [gedaagde] volgens het hof aanspraak heeft. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de levering aan haar van de vijftien onroerende zaken is door het hof afgewezen. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“6.19 Het hof ziet geen aanleiding een dergelijke vergaande vordering tot te wijzen nu de
bodemprocedure nog loopt. In die procedure is weliswaar bij tussenarrest al (bindend) beslist over de wijze van toedeling maar nog niet over de waarde van de te verdelen panden en de hoogte van de door [eiseres] te vergoeden overbedeling. Alleen al hierom kan [gedaagde] niet worden veroordeeld tot medewerking aan het passeren van de overgelegde akte die uitgaat van verdeling (en kwijting) tegen een bedrag waarover partijen nog strijden in de bodemprocedure. Los hiervan is een dergelijke voorziening ook niet geboden. De verdeling staat nog niet onherroepelijk vast, zeker niet aangezien beide partijen hebben aangegeven waarschijnlijk nog cassatieberoep in te zullen stellen. De kans op onomkeerbare gevolgen (bijvoorbeeld bij verkoop van een of meer panden aan derden) bij een dergelijke beslissing is dan ook aanzienlijk en daartegen weegt het door [eiseres] gestelde belang niet op.”
Het arrest van het hof Amsterdam is in kracht van gewijsde gegaan.