Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitvoering van een vonnis tot ontruiming van haar huurwoning te schorsen. Dit verzoek is gedaan op grond van artikel 287b van de Faillissementswet, waarbij zij aangeeft haar schuldenproblematiek te willen oplossen en onder beschermingsbewind te staan.
De rechtbank constateert een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen tegen het belang van verweerster om het vonnis uit 2018 uit te voeren. Gelet op het inkomen van verzoekster, de lopende betalingen van de huur en het beschermingsbewind acht de rechtbank toewijzing van de voorziening passend.
De rechtbank benadrukt het belang van tijdige huurbetaling en stelt een voorwaarde dat de voorziening alleen geldt zolang de lopende termijnen worden voldaan. Daarnaast wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vanwege het nog lopende minnelijk traject. De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 5 september 2025.