Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
De beslissing
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft verzoeker op 12 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) en artikel 287b, eerste lid, Fw, met het doel een voorlopige voorziening te verkrijgen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 13 oktober 2025 vastgesteld. Verzoeker, een zelfstandig ondernemer, heeft een huurachterstand opgelopen door een periode van werkloosheid, maar heeft recentelijk de huur voor oktober 2025 voldaan met hulp van zijn moeder. Hij heeft verklaard dat hij verwacht binnenkort weer inkomsten te genereren door een project in Amsterdam en dat hij actief bezig is met schuldhulpverlening.
De verweerster, Stichting Havensteder, is niet verschenen op de zitting, ondanks dat zij behoorlijk was opgeroepen. De rechtbank heeft vervolgens de uitspraak gedaan dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 maart 2024 tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker wordt opgeschort voor de duur van zes maanden. Dit besluit is genomen op basis van de aannemelijkheid dat verzoeker in staat zal zijn om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De rechtbank heeft ook bepaald dat de voorziening geldt zolang de huurtermijnen tijdig worden voldaan en dat de schuldhulpverlening verslag moet uitbrengen voor het aflopen van de voorziening.
De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie voor verzoeker, gezien de aankondiging van ontruiming door de verweerster. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker, die in zijn huurwoning wil blijven en zijn schulden wil oplossen, zwaarder laten wegen dan de belangen van de verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar heeft aangegeven dat hij in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen.