ECLI:NL:RBROT:2025:15105

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1634 – FT RK 25/1635
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in het kader van schuldsanering en huurbetalingen

In deze zaak heeft verzoeker op 12 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) en artikel 287b, eerste lid, Fw, met het doel een voorlopige voorziening te verkrijgen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 13 oktober 2025 vastgesteld. Verzoeker, een zelfstandig ondernemer, heeft een huurachterstand opgelopen door een periode van werkloosheid, maar heeft recentelijk de huur voor oktober 2025 voldaan met hulp van zijn moeder. Hij heeft verklaard dat hij verwacht binnenkort weer inkomsten te genereren door een project in Amsterdam en dat hij actief bezig is met schuldhulpverlening.

De verweerster, Stichting Havensteder, is niet verschenen op de zitting, ondanks dat zij behoorlijk was opgeroepen. De rechtbank heeft vervolgens de uitspraak gedaan dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 maart 2024 tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker wordt opgeschort voor de duur van zes maanden. Dit besluit is genomen op basis van de aannemelijkheid dat verzoeker in staat zal zijn om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De rechtbank heeft ook bepaald dat de voorziening geldt zolang de huurtermijnen tijdig worden voldaan en dat de schuldhulpverlening verslag moet uitbrengen voor het aflopen van de voorziening.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie voor verzoeker, gezien de aankondiging van ontruiming door de verweerster. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker, die in zijn huurwoning wil blijven en zijn schulden wil oplossen, zwaarder laten wegen dan de belangen van de verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar heeft aangegeven dat hij in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 12 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025.
Ter zitting van 13 oktober 2025 is verschenen en gehoord:
- verzoeker.
Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wil graag een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich hiervoor gemeld bij Zuidweg en Partners. Verzoeker is zelfstandig ondernemer. De huurachterstand is ontstaan doordat verzoeker een periode geen werk had. Hij heeft verklaard dat hij op korte termijn bij een project in Amsterdam aan het werk gaat waardoor hij weer inkomsten zal ontvangen. De huur over oktober 2025 heeft hij met hulp van zijn moeder op 12 oktober 2025 voldaan. Hij heeft verklaard dat de huur voor november 2025 tijdig kan worden voldaan. Voorts heeft verzoeker verklaard dat hij actief met schuldhulpverlening aan de slag gaat om zijn schulden op te lossen.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 14 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 maart 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomen uit arbeid. Het inkomen is voldoende om de lopende huurbetalingen tijdig te kunnen voldoen. De huur over oktober 2025 is voldaan op 12 oktober 2025. Het feit dat de huur voor oktober 2025 te laat is voldaan, staat aan die vaststelling niet in de weg. Verzoeker heeft verklaard zich bewust te zijn dat de lopende huurtermijnen tijdig moeten worden voldaan. Daarnaast heeft hij verklaard actief met schuldhulpverlening aan de slag te gaan om zijn schulden op te lossen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5.
De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 maart 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 12 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.