ECLI:NL:RBROT:2025:15103

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1623 – FT RK 25/1624
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurbetalingen en schuldsanering

In deze zaak heeft verzoekster op 9 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025. Tijdens de zitting op die datum is verweerster, Stichting Hef Wonen, niet verschenen. Verzoekster, die onder beschermingsbewind staat, heeft verklaard dat zij in aanmerking komt voor schuldhulpverlening en dat haar huurbetalingen tijdig kunnen worden voldaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien verweerster een vonnis tot ontruiming had aangevraagd. De rechtbank heeft de voorlopige voorziening toegewezen voor een periode van zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is gedaan op 20 oktober 2025 door mr. J.T.P. Pot.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoekster],
wonende op een (voor de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 9 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025.
Ter zitting van 13 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • mevrouw N. van Lent en mevrouw Y. Roovers, beiden werkzaam bij Stichting Nieuw Vaarwater (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De advocaat van verzoekster heeft op 14 oktober 2025 een betaalbewijs gestuurd voor de huur van oktober 2025.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt een PW-uitkering. Daarnaast ontvangt zij zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 674,11 per maand te voldoen. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat verzoekster sinds augustus 2025 onder beschermingsbewind staat. Ook is verzoekster inmiddels aangemeld voor schuldhulpverlening bij de gemeente en is de schuldeninventarisatie reeds gestart.
Ter zitting is verklaard dat de beschermingsbewindvoerder vanwege de opstartfase van het bewind de huur over september en oktober 2025 niet heeft kunnen voldoen. Met hulp van Fonds Bijzondere Noden Rotterdam heeft verzoekster de huurtermijn van oktober 2025 op 13 oktober 2025 alsnog kunnen voldoen. De advocaat heeft een betaalbewijs overgelegd waaruit dit blijkt. De huur van november 2025 kan tijdig worden voldaan door de beschermingsbewindvoerder.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 25 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomsten uit een
PW-uitkering en toeslagen. De huur bedraagt € 674,11 per maand. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurbetalingen te voldoen. Daarnaast staat verzoekster sinds augustus 2025 onder beschermingsbewind en worden haar vaste lasten, waaronder de huur, door haar beschermingsbewindvoerder voldaan. Hierdoor is voldoende gewaarborgd dat de lopende huurbetalingen tijdig kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft, met hulp van Fonds Bijzondere Noden Rotterdam, de huur van oktober 2025 voldaan op
13 oktober 2025. Het feit dat de huur voor oktober 2025 te laat is voldaan, staat aan die vaststelling niet in de weg. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 2 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 12 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.