ECLI:NL:RBROT:2025:15102

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
10-189821-25 en 10-233899-25 (gevoegd op de zitting)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en bewezenverklaring van mishandeling en drugbezit in Rotterdam

Op 9 oktober 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mishandeling en het voorhanden hebben van drugs. De zaak betrof twee parketnummers: 10-189821-25 en 10-233899-25. De verdachte werd vrijgesproken van de zware mishandeling, maar de rechtbank vond het medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en het voorhanden hebben van cocaïne en heroïne bewezen. De rechtbank legde een taakstraf van 60 uur op en bepaalde dat de verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft, omdat hij al tijd in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank oordeelde dat de mishandeling plaatsvond in de woning van het slachtoffer, wat de impact op haar vergrootte. De verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten, wat meegewogen werd in de strafmaat. De benadeelde partij, het slachtoffer, had een vordering ingediend voor schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde de vordering voor materiële schade niet-ontvankelijk, terwijl de immateriële schade werd toegewezen tot € 500,-. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op, wat betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen, die het bedrag aan de benadeelde partij uitkeert.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-189821-25 en 10-233899-25 (gevoegd op de zitting)
Datum zitting en uitspraak: 9 oktober 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.B. Venema
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. Z. Badrane

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - met anderen [slachtoffer] (zwaar) heeft mishandeld en cocaïne/heroïne voorhanden heeft gehad op twee verschillende momenten. Voor de leesbaarheid zijn de feiten van twee dagvaardingen in dit vonnis doorgenummerd. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1. primair
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer]
  • bij de haren vast te pakken en/of aan haar haren haar woning in te trekken, en/of
  • bij haar lichaam beet te pakken en/of (vervolgens) op de bank te gooien en/of (vervolgens) naar beneden te drukken, en/of
  • met een wasrek en/of een (gevulde) koffer en/of een stoel en/of met vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, en/of
  • tegen het hoofd, althans het lichaam te schoppen;
subsidiair
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer]
  • bij de haren vast heeft gepakt en/of aan haar haren haar woning in heeft getrokken, en/of
  • bij haar lichaam beet heeft gepakt en/of (vervolgens) op de bank heeft gegooid en/of (vervolgens) naar beneden heeft gedrukt, en/of
  • met een wasrek en/of een (gevulde) koffer en/of een stoel en/of met vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, en/of
  • tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
  • bij de haren vast te pakken en/of aan haar haren haar woning in te trekken, en/of
  • bij haar lichaam beet te pakken en/of (vervolgens) op de bank te gooien en/of (vervolgens) naar beneden te drukken, en/of
  • met een wasrek en/of een (gevulde) koffer en/of een stoel en/of met vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, en/of
  • tegen het hoofd, althans het lichaam te schoppen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
2
hij op of omstreeks 20 juni 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 49,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 5,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
hij op of omstreeks 4 september 2025 te Schiedam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 57,71 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Bewijs

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt de mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg en het voorhanden hebben van cocaïne/heroïne op twee verschillende momenten bewezen. Zij heeft vrijspraak gevorderd van de zware mishandeling en poging tot zware mishandeling
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de (poging tot) zware mishandeling. De verdediging heeft zich ten aanzien van de mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg en het voorhanden hebben van cocaïne/heroïne op die twee verschillende momenten, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte:
1. meer subsidiair
op 10 juni 2025 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
  • met een wasrek en een stoel tegen het lichaam te slaan, en
  • tegen het lichaam te schoppen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
2.
op 20 juni 2025 te Schiedam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3.
hij op 4 september 2025 te Schiedam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewezenverklaring van de feiten 1 meer subsidiair, 2 en 3 is gebaseerd op de inhoud van bewijsmiddelen. [2] De verdediging heeft zich voor deze feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
Feit 1
1.
Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring van de verdachte [3]
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer] [4]
3.
Schriftelijk stuk [5]
4.
Eigen waarneming van de rechtbank [6]
Feit 2
1.
Proces-verbaal van de politie [7]
2.
Schriftelijk stuk [8]
3.
Schriftelijk stuk [9]
4.
Proces-verbaal van politie [10]
5.
Deskundigenverslagen [11]
Feit 3
1.
Proces-verbaal van de politie [12]
2.
Proces-verbaal van de politie [13]
3.
Proces-verbaal van de politie [14]
4.
Deskundigenverslagen [15]

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1. meer subsidiair
Medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft
2.
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
3.
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis of een taakstraf aan de verdachte op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen de aangeefster mishandeld. Mede gelet op het feit dat deze gebeurtenis plaatsvond in haar eigen woning, waar zij zich veilig moet kunnen voelen, heeft dit (blijkens onder meer de toelichting op de vordering benadeelde partij en haar schriftelijke slachtofferverklaring) ook mentaal een behoorlijke impact op haar. Daarnaast had de verdachte cocaïne en heroïne bij zich. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid. De gehele keten - van land van herkomst tot en met de gebruiker - gaat gepaard met vele vormen van (ernstige) criminaliteit.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straffen
Gezien de ernst van de strafbare feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daar tegenover staat dat de verdachte first offender is, jong is en zijn aandeel bij de mishandeling kleiner is geweest dan die van de medeverdachten. Gelet hierop legt de rechtbank een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf op dat gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is naast voornoemde gevangenisstraf een geheel onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden voor de duur van 60 uren. Bij het bepalen van de duur van de straf is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

5.In beslag genomen voorwerp

Oordeel van de rechtbank
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 370,90 aan de verdachte. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat dit niet verder zal worden gemotiveerd.

6.Vordering van de benadeelde partij

Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij € 8.209,- als vergoeding voor materiële schade en € 4.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
eigen risico zorgverzekering: € 385,-;
ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 76,-;
verhuiskostenvergoeding: € 7.673,-;
schade aan de woning en inboedel: p.m.
kleding: € 75,-.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de
schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag is toegewezen in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] .
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging geconcludeerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht om aansluiting te zoeken bij het toegewezen bedrag van € 500,- in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] .
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering, omdat niet kan worden vastgesteld of deze schade het rechtstreekse gevolg is geweest van de mishandeling door de verdachte.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 juni 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 21 (eenentwintig) dagen;
bepaalt dat
10 (tien) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
In beslag genomen voorwerp
- beveelt de teruggave van het geldbedrag van € 370,90 aan de verdachte;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1) te betalen een bedrag van
€ 500,- (vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2025 tot de dag van volledige betaling
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering gevorderde materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor feit 1
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat
€ 500,- (vijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
10 (tien) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
Mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. S.M. den Hollander en A.B. Baumgarten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 oktober 2025.
Mrs. Den Hollander en Baumgarten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het feit op de dagvaarding met parketnummer 10-233899-25
2.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot
3.Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 23 juni 2025
4.Proces-verbaalnummer: [nummer proces-verbaal 1]
5.Forensisch Medische Letselrapportage, FARR
6.Zitting 9 oktober 2025
7.Proces-verbaalnummer: [nummer proces-verbaal 2]
8.Kennisgeving van inbeslagneming: [nummer proces-verbaal 3]
9.Kennisgeving van inbeslagneming: [nummer proces-verbaal 4]
10.Proces-verbaalnummer: [nummer proces-verbaal 5]
11.Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 24 e.v. van zaaksdossier verdovende middelen
12.Proces-verbaalnummer: [nummer proces-verbaal 6]
13.Proces-verbaalnummer: [nummer proces-verbaal 7]
14.Proces-verbaalnummer: [nummer proces-verbaal 8]
15.Rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 94 e.v.